Weent met de wenenden
Verhouding pastoraat en hulpverlening (1)
Inleiding
In drie artikelen heeft dr. A. Noordegraaf onlangs in deze krant onder het hoofd 'Zorg datje nabij komt' geschreven over de verhouding tussen pastoraat en hulpverlening en de rol die vrijwillig(st)ers kunnen spelen op het overgangsgebied daartussen. Zijn artikelen waren een weergave van de lezing die hij hield op een conferentie over dit onderwerp. Omdat ik op deze conferentie over hetzelfde, onderwerp een referaat gehouden heb vanuit mijn achtergrond verzocht mij de redactie mijn bijdrage ook te plaatsen. Daar voldoe ik gaarne aan, omdat naar mijn idee we op de conferentie ongeveer op dezelfde lijn zaten en elkaar goed aanvulden. Als praktisch theoloog verbonden aan een universiteit is zijn aandeel geweest om een theoretische beschouwing te geven over dit onderwerp. Als psychiater, die in de praktijk staat van alledag, hoop ik in deze artikelen zijn lijn door te trekken en een praktische invulling te geven. Mijn artikelen zijn deels een weergave van mijn lezing op de conferentie, deels een uitwerking daarvan en deels een reactie op de artikelen van Noordegraaf.
In de afgelopen 9 jaar heb ik als vrijgevestigd psychiater gesprekken gevoerd met honderden mensen met problemen yan psychiatrische en psychosociale aard; verreweg de meesten (ongeveer 95%) van hen zijn afkomstig uit reformatorische en evangelische kring. In de gesprekken kwamen uiteraard ook allerlei pastorale problemen aan de orde. Zodoende heb ik in de loop der jaren een bepaald beeld gekregen van wat gelovige mensen meemaken in hun leven en welke psychiatrische proble men daar uit voort kunnen komen.
Het overgangsgebied tussen pastoraat en hulpverlening heeft al heel lang mijn belangstelling. In de periode dat ik als zendingsarts werkte kwam dit vooral naar voren in relatie tot de somatische hulpverlening. Na mijn terugkeer in Nederland kwam de nadruk te liggen op de verhouding tussen pastoraat en psychosociale hulpverlening. Daartoe volgde ik de opleiding tot psychiater aan de ene kant en een theologische opleiding aan de andere kant. In deze artikelen wil ik met u delen wat ik meegemaakt heb en wat mij opgevallen is daarbij.
Drie opvallende punten
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: wat ik steeds meer ben gaan zien is dat veel problemen, die mensen hebben op psychiatrisch gebied, het gevolg is van wat hen door anderen is aangedaan of onthouden. Om het in de vaktermen té zeggen: de oorzaak van veel problematiek, waarmee hulpverleners te maken krijgen is gelegen in trauma's, die mensen ondergaan op jongere of latere leeftijd enerzijds en in affectieve verwaarlozing anderzijds.
In de tweede plaats ben ik gaan zien dat de christelijke gemeente in het algemeen gesproken tot nog toe veel kansen voorbij heeft laten gaan om die problematiek te helpen oplossen.
Maar ik haast me om meteen hierbij als derde punt te vermelden, dat me opgevallen is, namelijk dat waar gelovige gemeenteleden zich zijn gaan inzetten op dit gebied er hele mooie dingen kunnen gebeuren.
Een voorbeeld
Een jonge vrouw meldde zich aan als patiënt; ze is depressief en suïcidaal. Uit haar levensverhaal blijkt dat ze een hele moeilijke jeugd heeft gehad: haar vader was alcoholist, sloeg haar en ook haar moeder veel; haar moeder kon het gezin niet aan en verwaarloosde de kinderen. Het gezin ging trouw naar de kerk. Als ze opgroeit, vervreemdt ze van de kerk, maar komt tot bekering als ze 16 jaar is. Intussen heeft ze een moeilijk leven, met depressies en weinig contacten. Als ze 21 jaar is, ziet ze het niet langer zitten en meldt zich aan bij een psychiater; vanwege de ernst van haar situatie laat hij haar meteen opnemen; eerst in een psychiatrisch ziekenhuis, later in een christelijk opvangcentrum. Pas na een jaar is ze zover, dat ze met ontslag kan gaan en een nieuw leven op kan bouwen. Dat hele jaar heeft de kerk nauwelijks contact met haar gehad.
Dit voorbeeld illustreert de drie genoemde opvallende punten: door haar verleden (trauma en tekort) is deze jonge vrouw depressief geworden. De kerk heeft de kans gemist om haar te helpen: toen ze opgroeide in dit moeilijke gezin, toen ze tot bekering kwam en men vanuit de gemeente haar niet begeleidde en toen men haar niet opzocht tijdens haar opname. Maar dankzij de inzet van en de sfeer in het christelijke opvangcentrum is ze toch nu op weg.
Gemeenschappelijk terrein?
In zijn laatste artikel drong Noordegraaf aan op hechte samenwerking tussen pastoraat en hulpverlening. De vraag is dan: wat is de gemeenschappelijke grond van pastor en hulpverlener. Is die te vinden of moeten we in deze moderne tijd meedoen aan steeds verdere specialisaties zoals: het lichaam is het speciale werkterrein voor de dokter, de ziel voor de psycholoog/psychiater en de geest voor de dominee? De Bijbel laat dit m.i. niet toe; het heil is er voor de hele mens. God is niet alleen Schepper, maar ook Onderhouder van het leven: Zijn zorg gaat over heel ons leven. Ook de Heere Jezus had tijdens Zijn omwandeling oog voor de hele mens: Hij genas lichamelijk zieken, herstelde relaties, vergaf zonden, dreef duivelen uit. De mens is ook zo'n eenheid van lichaam, ziel en geest dat deze drie delen niet uit elkaar te halen zijn dan alleen met schade voor het geheel. Was het grote verwijt aan Asa in 2 Kron. 16:12 niet dat hij de Heere in zijn ziekte niet zocht, maar de medicijnmeesters?
Ook al pleit ik dus voor een holistische visie op de mens, voor de praktijk is een driedeling (triochotomie) in lichaam, ziel en geest wel gemakkelijk.
M.i. bestaat er op twee fronten een gemeenschappelijk terrein voor de hulpverlener en de pastorale werker, nl. het gebied van het verstand en het gebied van het gevoel. Wat het eerste betreft: zowel de pastor als de hulpverlener kan de hulpvrager benaderen op het niveau van het verstand; de mens is een redelijk schepsel. Vanuit het Woord is de mens daarop aanspreekbaar en ook de christelijke hulpverlener put uit dat Woord zijn normen en waarden. In geval van huwelijksproblemen bv. zullen beiden kunnen wijzen op wat in de Bijbel over het huwelijk geschreven is. En zo zouden vele voorbeelden te noemen zijn. Waar ik het in dit artikel echter vooral over wil hebben is het gemeenschappelijk terrein van het gevoelsleven.
Ds. H. G. de Graaff heeft onlangs (in 'Tijding', juli 1994) erop gewezen, dat het gebied van het emotionele leven lang verwaarloosd is in de christelijke gemeente. Pas in de tachtiger jaren breekt volgens hem het inzicht door, dat de mens niet alleen een denkend en een strevend wezen is, maar ook een voelend mens. Ik citeer hem als volgt: 'De overtuiging is gegroeid dat deze gevoelskant in de prediking onvoldoende aandacht heeft gekregen. Het accent in de prediking ligt binnen de gereformeerde gezindte doorgaans op het aanhangen van de juiste leer'. Ds. De Graaff pleit er voor om aandacht te besteden aan beschadigingen in het gevoelsleven: 'Ga niet voor de pijn op de vlucht en probeer het verdriet niet te ontlopen. Sta er bij stil en doorleef het'.
Als pastorale weg hiervoor ziet hij de innerlijke genezing. "Voor innerlijke genezing is acceptatie van de goddelijke aanvaarding noodzakelijk. Basis voor innerlijke heling is de verzoening, de rechtvaardiging van de goddeloze.'
Ik weet niet of dit altijd zo vol te houden is, maar waar het mij nu om gaat is dat ook binnen het pastoraat in de laatste jaren het gevoelsleven ontdekt is.
En gaat het ook in de hulpverlening niet veelal om beschadigingen in het gevoelsleven? Zijn de gevolgen van incest b.v. niet daarom zo erg, omdat het gevoelsleven daardoor ernstig beschadigd werd? Concluderend kunnen we m.i. dus zeggen, dat er tussen hulpverlening en pastoraat een overlapping bestaat en dat dit zowel voor het rationele als voor het emotionele niveau geldt.
Gemeenschappelijke tegenstander
Als Paulus nadenkt welke tegenstander hij steeds weer tegenkomt in zijn zendingswerk schrijft hij daarover in Efez. 6 : 12: Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht'. Hij voelde zich belemmerd door de tegenstand van de duivel, hij kon zelfs zeggen dat 'zijn listen hem niet onbekend waren'.
En wordt deze strijd tegen de boze ook in de hulpverlening niet heel concreet? Zien we in de hulpverlening op de achtergrond van 'het' boze niet 'de' boze? Kunnen zaken als incest, alcohol-, drugs-en gokverslaving losgezien worden van de boze?
In Prediker 4 : 1 lezen we: Daarna wendde ik mij en zag aan al de onderdrukkingen, die onder de zon geschieden; en zie daar waren de tranen der verdrukten en dergenen die geen trooster hadden; en aan de zijde van hun verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen verlosser'. Het blijkt dus dat het kwaad waar we nu mee te maken hebben al eeuwenoud is; alleen de verschijningsvormen veranderen. Het nieuwe van onze tijd is misschien dat we allerlei vormen van kwaad nu beter zijn gaan begrijpen en de achtergronden ervan kunnen analyseren.
Behalve gemeenschappelijke grond delen we in de hulpverlening en het pastoraat dus ook een gemeenschappelijke tegenstander.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's