Dachau
Uit 'Hel en hemel van Dachau' van wijlen ds. J. Overduin volgt hier een passage naar aanleiding van het heengaan van broeders in Dachau, waar vooral ook veel geestelijken gevangen werden gehouden.
'Na tien dagen reeds stierf onze beste vriend ds. J. de Geus, met wie we zoveel goeds en slechts hadden gedeeld van Arnhem af. Gode zij dank, dat hij op onze kamer was, zodat hij zoveel mogelijk ontzien werd. Toch was dit leven te zwaar geworden voor zijn zwakke krachten. Hij verlangde heen te gaan en zei tot ons, een uur voor zijn sterven: "Ik verlang naar rust, de eeuwige rust. Het is mij verreweg het beste ontbonden en met Christus Jezus samen te zijn".
Hoewel wij dankbaar waren, dat God hem zo'n ingang bereidde in Zijn eeuwig koninkrijk, waren we zeer ontroerd en bedroefd. Hij was na tien dagen Dachau-leven de eerste. Wie van ons zou nu volgen? Ze zijn gevolgd, kort na elkaar. Ds. Joh. Kapteyn uit Groningen, die reeds in Amersfoort overtuigd was, dat hij in het kamp sterven zou, en die zo sterk leefde bij de troostvolle gedachte aan de wederkomst van Christus. God heeft ieder van ons die genade gegeven, die we nodig hadden in zijn heilig Raadsbesluit. De één kreeg genade om in die hel te blijven leven en geestelijk en zedelijk niet onder te gaan, en de ander ontving genade om te sterven. Heeft de Heere niet allen losgemaakt van hun vrouw en kinderen, gemeente en familie? Ook hier in de hel van Dachau gold "Hoe zacht zien wij de vromen, de dood nu zonder schromen, blijmoedig tegengaan".
Vrome
Nog zie ik prof Titus Brandsma van Nijmegen, onze oprecht vrome broeder in Christus, voor de laatste maal in het badlokaal. Naar het lichaam afgemat en uitgeleefd, mager en met dikke benen van het water, maar naar de geest ongebroken, altijd vriendelijk en blijmoedig in de Heere. Hij stopte me in de gauwigheid nog zijn laatste tabak toe, waar hij niets meer aan had: "Toe, neem dat, het kan jou nog te pas komen". Dat was zijn testamentaire beschikking; hij voelde wel, dat hij het niet lang meer zou maken. Enkele dagen later was Titus Brandsma uit de hel verlost en in de hemel overgezet. Ach, hij had reeds de hemel in zijn hart gekend, toen hij nog in de hel van het kamp verkeerde. Dichtte hij niet reeds in Amersfoort deze mooie verzen:
O Jezus, als ik U aanschouw
Dan leeft weer, dat ik van U hou.
En dat ook uw Hart mij bemint
Nog wel als een bijzond're vrind.
Al vraagt mij dat meer levensmoed.
Ook alle tijden is mij goed.
Omdat ik daardoor U gelijk
En dit de weg is naar Uw Rijk.
Ik ben gelukkig in mijn leed
Omdat ik het geen leed meer weet.
Enkel het allerzuiverste lot,
Dat mij vereent met U, mijn God.
O, laat mij hier maar stil alleen.
Het kil en hard zijn om mij heen.
En laat geen mensen bij mij toe,
't Alleen-zijn word ik hier niet moe.
Want Gij, o Jezus, zijt bij mij.
Ik was U nimmer zo nabij.
Blijf bij mij, bij mij, Jezus zoet.
Uw bijzijn maakt mij alles goed.
Die Geistlichen in Dachau nach ihrer Nationalitat und Konfession
............
............
Ja, voor deze wonderen van genade stonden wij elke dag opnieuw. Calvijn spreekt over "de droefheid van de christen, gemengd met wonderbare vreugde". Zo was het ook hier.
Leed, onzegbaar leed, maar toch... vreugde, onuitsprekelijke vreugde. "Ik ben gelukkig in mijn leed, omdat ik het geen leed meer weet, enkel het allerzuiverst lot, dat mij vereent met U, mijn God". Wij hebben nergens de hemel zo nabij gevoeld als in deze hel. "Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar uw overwinning? "
Laten degenen, die doden in het concentratiekamp te bereuren hebben, doden, maar die in de Here stierven, toch overtuigd zijn, dat die duivelse ellende Gods kinderen innerlijk niets kon doen. God geeft in bijzondere nood ook bijzondere genade. En zo denken we met weemoed, maar ook met dankbaarheid terug aan onze gestorven collega, dr. K. Sietsma, die na zes weken van ons heenging. Nooit zullen wij deze begaafde dienstknecht van Christus vergeten, begaafd naar verstand en karakter. Wij hadden veel aan zijn leiding in de principiële gesprekken te danken, ook veel aan zijn preken en gebeden, vooral in Würzburg. Later zouden er nog meer volgen: ds. Zwiep van Almelo, van wie we allen hielden om zijn nobel optreden. Niemand onzer had verwacht, dat deze collega zo spoedig en plotseling zou geroepen worden door zijn Heer. Ds. W. Tunderman van Groningen-Helpman, was reeds weken in het revier opgenomen. Zijn verlangen naar vrouw en gemeente, die hij beiden zo lief had, werd niet vervuld. Kerstmis 1942 stierf hij, en zijn vrouw, die zo zwak naar het lichaam, maar zo sterk naar de geest was, volgde hem een goede maand later. Zij zijn tóch verenigd, voor eeuwig.
Dat sterven van medegevangenen, vooral onder de kleine Hollandse kolonie, maar toch ook in de bredere kring gevangenen uit allerlei landen, die met ons geworsteld hadden tegen de dood, greep wel het meeste aan.
Wanneer ze in vrede met God door Jezus Christus stierven, dan vonden we het heus niet zo erg voor hen zelf, maar wél voor de nabestaanden. God betone Zich voor die rouwdragenden een even wonderlijk God van vertroosting, als Hij dat voor ons en voor de gestorvenen was in het kamp.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's