Globaal bekeken
Op zondagavond 6 mei 1945 werd in Woerden gehouden 'de bevrijdingsdienst der protestantsche kerken van Woerden', waarin voorgingen ds. Jac. Treffers (N.H.), ds. C. van Reenen (Geref.) en ds. L. J. R. Kalmijn (N.H.). Ze spraken afwisselend in de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerk. Vooraf ging een 'boodschap der kerken':
'Het oogenblik van bevrijding van den tyranieken overweldiger is gekomen. Nederland herademt na Jaren van geweld en verschrikking. God heeft zijn tot hiertoe en niet verder gesproken.
In een gemeenschappelijke boodschap geven de kerken uiting aan wat de harten allereerst moet vervullen.Dat dit woord doordringe tot heel ons volk.
I. Vanwege onze zonde en ongerechtigheid zijn zware oordeelen over ons gekomen. Maar geprezen zij de naam van den Almachtige, die ons in Zijn lankmoedigheid nog heeft gespaard. In diepen ootmoed zij Hem daarvoor dank gebracht. Dank, dat Hij het Huis van Oranje voor ons volk heeft behouden en onze Koningin Wilhelmina voor haar volk heeft gespaard. Dank ook dat Hij temidden van alles wat door wreed geweld werd neergeslagen den weg heeft gebaand om te komen tot het sterker beleven van een nationale eenheid.
In vaste verbondenheid met alle onderdanen van het Koninkrijk in Oost en West, gedenken wij in diepen eerbied allen, die in deze jaren onherstelbaar getroffen zijn; hen die in gehoorzaamheid en trouw het leven lieten te land, ter zee of in de lucht: hen die in de concentratiekampen hun bitter lot droegen: de Joodsche landgenooten en het hun aangedaan ten hemel schreiend onrecht; tallooze anderen.
Hun offer blijve ons duurzaam in herinnering, nu wij de nieuwe periode der geschiedenis intreden.
II. Maar alleen om Hem te dienen maakt God vrij. Daarom worde door een ieder persoonlijk, door de kerk en door het volk, voor het eerst of opnieuw, de boodschap van Jezus Christus gehoord: Bekeert u. Mogen in het bijzonder de kerken, aan wie door haren Heer en Heiland de verkondiging van het Woord Gods is toevertrouwd, Zijn naam belijden en getuigen van Hem, Die nu als steeds de weg, de waarheid en het leven is.
III. In innerlijke gehoorzaamheid aan het Evangelie binden wij heel ons volk op het hart, zich niet te verlagen tot daden van individuele wraakoefening. Sterk in het besef van recht, dat geschonden werd, late ons volk de rechtshandhaving, de straf op rechtsovertreding en verraad, geheel aan de overheid, die haar hooge roeping ook nu moge vervullen als door God opgelegd.
IV. De geestelijke strijd, tegen de machten van het moderne heidendom, tegen de aanbidding van aardsche goden, die in velerlei vorm in onze Europeesche wereld heerschten en nog heerschen, moet worden voortgezet
V. Denkende aan de onoverzienbare geestelijke en maatschappelijke ontwrichting door oorlog en bezetting veroorzaakt, roepen wij ons volk op tot een diep besef van verantwoordelijkheid voor elkanders geestelijk welzijn, tot sociale gerechtigheid, tot een hecht en sterk gezinsleven naar den eisch van Gods Woord.
VI. Gij, Jonge generatie, staat in dit uur der geschiedenis voor een zware doch grootsche taak. Gij zult het moeilijk hebben op den weg tot herstel. Tezamen bidden wij, dat God uit onze harten wegbrande alle wraakzucht en haat, dat wij diep leeren verstaan wat het is God en den naaste te dienen in gerechtigheid. Wij allen worden geroepen tot den heiligen strijd des geloofs, in gehoorzaamheid aan het Evangelie.
VII. Buigen wij ons allen, zonder onderscheid van volk, ras, richting of partij, in gebed voor den Almachtigen Koning, der Eere, om Hem te danken voor Zijn onuitsprekelijke genade. Bidden wij dat Hij ons trouw maakt bij elke taak, waartoe Hij ieder onzer roept Hij, Die ons roept is getrouw. Die het ook doen zal.
Psalm 66:6
Door 's Hoogsten arm 't geweld onttogen.
Zal ik, genoopt tot dankbaarheid.
Verschijnen voor zijn heilig' oogen.
Met offers, aan Hem toegezeid.
Ik zal, nu ik mag adem halen.
Na zoo veel bangen tegenspoed.
Al mijn geloften U betalen,
U, die in nood, mij hebt behoed.'
In De Hervormde Vrouw troffen we het volgende gedicht van Marius Schouten; getiteld 'Gedoofde sterren':
Zij hadden niets misdaan, zij waren joden
Zij woonden in het Soerels hout
Hun hut was ondergronds gebouwd.
Het leven was voor hen voorgoed verboden.
De boze kwam en heeft hen meegenomen
Straks groeven zij hun eigen graf
Dat hun de laatste wanhoop gaf
En huivering ging door de dennebomen.
Hun stap was zwaar hun denken murw geslagen
Zij pijnigden vergeefs het moede hoofd
Dat door de angsten was verdoofd
En naar de hemel stegen stom hun vragen.
Het koude staal heeft hun de weg gewezen
Het zand was klammig-grijs en grauw
Dat straks hun lichaam dekken zou
En niemand heeft hun namen daar gelezen.
Het roodbruin goud van de oktoberdagen
Liep bevend door het najaarshout
Dat hoog de gruwel heeft aanschouwd
Het vuur-venijn vol dodelijke plagen.
Wie kent de plaats, de bloeddoordrenkte wegen?
Wie toeft er bij gewijde grond?
Waar iemand een klein klompje vond
Waarvan de stap ten hemel is gestegen...
ka'Uit Grote Benauwdheid Bevrijd', zo luidde de titel van 'Een lichtende kaars' van wijlen dhr. A. de Redelijkheid, waarin hij vier 'stichtelijke overdenkingen' bijeenbracht ter gelegenheid van de herdenking van 25 jaar bevrijding in 1970. Hieruit het volgende:
• Herdenkingspreek (1970)
'Hele streken en polders zijn door de bezetter onder water gezet. Het voedsel van het veld en het zaad in de akker vernietigd en verrot. Daar zijn duizenden door gedupeerd. En het land kwam in grote hongersnood. Vele mensen kwamen uit vruchtbare streken in de steden onder een uitgehongerde bevolking terecht, achterlatende de voorraden, welke óf door de vijand opgeslokt, óf door het water verzwolgen zijn. Een alsof dat nog niet genoeg was, werden tenslotte de westelijke provincies bedreigd onder water gezet te worden. Wij zaten tussen water en vuur, om met een paar miljoen mensen van honger te sterven. O! wat hebben we benauwd gezeten. En er waren al zoveel mensen, vooral in de grote steden, van honger gestorven. In Rotterdam waren einde maart, dus is 3 maanden, al zoveel mensen gestorven, als in 1944 in 12 maanden tijds. In die grote steden kon men het niet meer klaar krijgen, om ze op tijd te begraven. Geen kisten of doodshemden meer aanwezig, om eerbaar te begraven. Op karren weggereden en in massagraven als turven naast elkaar opgestapeld. De hongerdood lag op de aangezichten dergenen, die nog op straat weiren. Velen kwamen niet meer op de straat en zaten in een hoekje weg te kwijnen en op de hongerdood te wachten. Ouders lagen al weken onder het zand, eer hun kinderen het wisten. Groter werd de ellende met de dag, Ja, elk uur. Geen voedsel kon meer worden aangevoerd, want alles was afgesloten door vuur en water. Alle voorraden waren totaal uitgeput. Werd nog een bon per week aangegeven, dan kon het artikel niet meer verstrekt worden. De winter was een lijdensperiode geweest voor velen. Geen brandstof om zich te warmen of eten te koken. Oude mensen verkleumden of bleven maar op bed liggen, totdat de dood hen wegnam. Zuigelingen kregen het hoogstnoodzakelijke niet meer, kinderen schreeuwden om brood, en stierven aan ondervoeding. Zóveel ellende kunnen wij niet opnoemen of het is nog erger geweest (...)'
• 'Ontkoming en verademing' (8 mei 1945) 'Dat hetze benauwd zou worden, aleer wij ontkoming kregen, behoeft ons niet te verwonderen. Anders kreeg de Heere de eer niet Maar nu niemand meer ontkoming zag en iedereen met David moet getuigen: "er was geen ontvlieden voor mij", wien moeten wij anders de eer geven, dan die God, Die ons gevoerd heeft uit onze gevangenis. Want ontkoming krijgen wij alleen, als er geen ontkomen meer is. En dat zowel in het tijdelijk leven, als het zieleleven.
En om nog een reden heeft het mij niet verwonderd, dat het zo benauwd zou worden, aleer wij ontkoming kregen. Ik wist dat twee Jaar geleden bij Goddelijke openbaring. Toen velen meenden, dat het toen niet lang meer duren zou. Ik heb vrijdag 7 mei 1943 een toestand doorgemaakt voor ons arme land, waarin mij bekend gemaakt is, hoe het land er nu zou uitzien. Ik heb doorworsteld, wat nu werkelijkheid is geworden. Ik kreeg gangen te maken in Zephanja 1:2 "Ik zal ganselijk alles wegrapen uit deze lande, spreekt de Heere". En niet zó, dat ik alleen die Waarheid kreeg. Maar de Heere toonde mij, wat Hij ging doen met ons land. Ik zag alles weggaan uit het land, zowel mensen als beesten en alle have. Zó kaal als Nederland daar uit komen zou, is mij toen gebleken! Dus is ons niets vreemds overkomen. Ik wist dat Ik geloofde, dat het gebeuren zou. Ook maakte ik toen een toestand mee voor de Kerke Gods. Hoe de Heere daarna de godsdienst zal wegrapen uit deze lande. En de Kerk er heerlijk uit zal brengen. Dus zal de Heere straks verder doortrekken. Ik ben enerzijds de gerichten Gods benauwd geweest, wegens de bange tijden, toen ophanden. En anderzijds ben ik zo blij geweest voor de Kerke Gods, dat ik geweest ben als een vrouw, die in blijde verwachting is. Ik praat niet achterna. Ik heb toen dinsdag 11 mei Zephanja 1:2 voor de vrienden in Rotterdam gepreekt; het kan navraag lijden, wat ik hun voorzegd heb. Ik heb voor u, mijn geliefde gemeente van O a/d IJ. toen die tekst niet gepreekt Dus geef er nu maar even medewerking van, wat toen gepasseerd is en tot op deze dag vervuld is. Mij is niets vreemds overkomen. Ik durfde bij de roving onzer goederen mijn mond niet open te doen en mijn vuist niet op te heffen. Wat ik zag, dat de vijanden het niet deden, maar de Heere alles wegraapte uit ons land. En waarom? Dat was mij ook bekend. Want een halfjaar vóór die toestand van 7 mei was ik aan de oorzaak ontdekt, waarom de Heere ons zo tegenkwam en in alles ging inkorten. Toen was uit Jes. 64 levendig in mijn hart gekomen: Ziet, Gij waart verbolgen, omdat wij gezondigd hebben". Toen zeide ik: Heere, wat hebben wij het er naar afgemaakt, dat Gij zo met ons moet handelen en afrekenen. Maar Heere, wilt Gij ons nog meer ontnemen en onthouden, neem maar wat Gij hebben wilt, want U hebt er recht op en wij niet meer; wij hebben het alles verzondigd". Wat lag er toen een gewilligheid in mijn hart, om de Heere recht te verklaren. En sindsdien nam de Heere het vooreen schuldig mens op in de dagelijkse verzorgingen van het leven. De Heere neemt het alleen maar voor een schuldig mens op, als een schuldig mens het niet meer voor zichzelf kan opnemen. Maar hij leert achteraankomen. Hij is zijn rechten kwijt. En houdt niets over dan voorrechten.
Dit alles in aanmerking genomen, getuig eens met mij, kon Nederland er wel anders uitzien dan nu? Om onze zonden is het zo geschied. En naar Gods besturing is het zo geschied. En daarom is in deze ontkoming van de Heere onze God, als een klein ogenblik, een genade geschied.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's