De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

14 minuten leestijd

24 maart 1945

Dat was de dag waarop dr. J. Koopmans overleed aan de gevolgen van een kogel die hem trof toen hij op afstand getuige was van een afrekening door Duitse soldaten aan het Weteringplantsoen in Amsterdam. Net nog geen veertig jaar oud ontviel deze rijkbegaafde dienaar van het Woord de kerk, de twee laatste jaren van zijn leven predikant van de Noorderkerkgemeente. In 'In de Waagschaal'van 18 maart 1995 is de brief opgenomen, die dr. K. H. Miskotte op 26 maart 1945 schreef aan dr. O. Noordmans te Laren (Gld.) over dit gebeuren. We citeren daar twee fragmenten uit.

Amsterdam, 26 maart 1945

Zeer vereerde Noordmans, Nu moet ik u schrijven over Jan Koopmans. Hem is iets overkomen: hij zou het niet goed vinden, wanneer u er geen kennis van droeg. U was zijn geestelijke vader; hij had u lief en volgde uw spoor van denken. Jan — het is niet te verwerken en blijft voortdurend bitter — Jan is zaterdagavond 24 maart 's avonds om half tien overleden. Wij hadden tot de week aan deze laatste voorafgaande nog hoop op zijn behoud voor de zijnen, voor ons, voor de gemeente. De omstandigheden zijn zo schrijnend mogelijk. U moet weten: iedere dag worden hier tientallen gefusilleerd, als represaille voor wat hier of in verre uithoeken van ons vaderland voorvalt: de gevangenissen worden leeggekamd voor dat doel. Soms treedt het peloton aan op de binnenplaats, soms op de Amsteldijk bij de Ringdijk, op de grens van de stad; ditmaal moest het weer eens in het centrum zijn, op een spitsuur, nl. tegen negen uur 's morgens om de voorbijgangers te kunnen dwingen te kijken en de terror tot in de zielen te doen doorwerken. Op maandagmorgen 12 maart gebeurde het dat 42 jonge mensen in het Weteringplantsoen werden gevoerd, van de wagen afgeladen en (ditmaal) voor de mitrailleur gesteld. Jan 'logeerde' al sinds van 't zomer in een huis op de Stadhouderskade. Ontdaan, maar toch getrokken om de gruwel te zien, stond hij met anderen voor het venster twee hoog; een kogel vloog over het water en de straat en sloeg op de tweede verdieping door de ruit en trof hem in het linkeroog, de kogel ging laag door het cerebrum en belandde boven de oorholte. De eerste vier dagen scheen het goed te gaan, de hersenen hadden weinig geleden, naar het scheen, de oogzenuw was juist niet geraakt; het verwijderen van de kogel werd uitgesteld, om af te wachten of door de oog-en neus-wond misschien complicaties zouden optreden. Die zijn gekomen; men verborg het ons lang, maar 't was hersenvliesontsteking. De nieuwste serums en antidota zijn daar (in de Neurologische Kliniek van het Wilhelmina Gasthuis) toegepast. Wij hebben gebeden en gestreden. Er was ook zo veel te zorgen: zijn vrouw lag te Breukelen in de lange nakuur van haar rugwervelkwaal, de kinderen waren op vier verschillende plaatsen verspreid, vader en moeder Koopmans in Hilversum, hoe hen te bereiken? hoe hen te vervoeren? en zou het góéd doen? maar 't kon ook te laat zijn! Onze lieve vriend heeft er niet zo heel veel van beseft, hij was de vijfde dag al volkomen verward, met enkele heldere ogenblikken, waarvan z'n ouders nog veel, z'n vrouw weinig heeft kunnen buitmaken. Mevrouw Koopmans is maandag 19 gehaald en lag in hetzelfde ziekenhuis, werd per brancard driemaal per dag naast hem gelegd en één of tweemaal heeft hij haar herkend. Uit zijn 'wartaal' schoten de kristallen van losse woorden; zijn godsvrucht zat zo diep en zijn spreken ging zo recht op ons aan, meer nog dan vroeger, omdat remmen waren weggevallen. 'Zuster', zei hij, 'het was niet de kogel, maar God heeft mij geroepen, en ik ben zó blij. Hij hééft het al gezegd en zal het eenmaal nog heel anders zeggen: Jan Koopmans, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn' — en dan gleed z'n verstand weer in het donker. 'Heiko', zei hij, 'naast God is er niets schoners op de aarde dan de liefde van een christen voor een christen, ben je dat met me eens, mannetje? ' — 'Strijk eens over m'n hoofd. Vader, want dat is de natuurlijke weg van een vaderhand, de weg van de kogel, van hier naar daar, door mijn hoofd, dat is niét een natuurlijke weg.' —. Dan twistte hij weer in het Duits met Kommandantur en soldaten — of liet zich gaan in niet te volgen gedachten over zijn wijkwerk. O! ik weet wel, wij hier in Amsterdam weten allemaal wel, dat die 42 jongens, die daar vielen en slecht geschoten waren, zodat de meesten met de revolver door een nekschot moesten worden 'nachgeholfen', ook tot Gods gekwelde schepselen behoorden en zonen waren van vaders, veel-miskend en/ of veel bemind — maar als we voor Jan Koopmans in de bres stonden, dan was het omdat we zo heel veel persoonlijk van hem hielden en tegelijk niet zonder grond mochten denken dat de gemeente en de hele kerk deze tot tucht gebrachte overgevoelige geest, deze ingetogen, zo wij meenden, voor na de oorlog opgespaarde kracht node zouden kunnen missen. Geen redelijkke overweging en geen vrome dooddoener kan ons afbrengen van het besef, dat wij een onherstelbaar verlies hebben geleden. Na Eykman nu ook deze, op wie wij rekenden, — och, hij zou in mei pas 40 worden. Welk een kluwen van raadselen! en hoe over­vloedig komt de stilte — vanwaar? — de bitterzoete stilte, als we dezer dagen in elk vrij ogenblik bladeren in zijn keurig, als in grafische kunst gesneden, geëtst werk en daar, tot onze verbazing, overal vinden een zo pril en rijp verlangen naar de nieuwe ontmoeting door de dood heen met zijn Heiland. In de avonden van deze vreselijke winter, waarin niemand van ons heeft kunnen studeren, omdat we allen in één kamer om een klein vuur schuilden en vóór — en mèt — elkaar moesten zijn in het waarlijk apocalyptisch leed van schier iedere dag, nam hij zich vóór en begon de eerste omtrekken in zijn geest te ontwerpen van een tractaat, dat onmiddellijk na de oorlog verschijnen zou en dat heten moest: 'Ars moriendi'. Vooral in de Postilles vind ik die passages, waar hij met een ingehouden stem, van weemoed en verwachting vol, tot een innerlijk afscheid maant van deze wereld. En het ligt mij zo ver; ik ben een soort chiliast, maar het dringt nu tot mij dóór, dieper dan vroeger. Hij was mij zo verwant: hij was zo volstrekt mijn meerdere. Beide waren wij 'lui', uit wanhoop over kerk en wereld, zoals we die ondergingen; maar hij hervatte zich, hij vond concentratie, hij kreeg stijl, hij bond zich met een exclusieve liefde aan de gereformeerde belijdenis. Eén ding deed hij: de Schrift verklaren met de Schrift, onder een nieuwe spanning, die enigszins weer gelijken ging op de oer-christelijke, waarvan Overbeck zegt, dat de theologen het meest hebben bijgedragen om haar te verlaten en om die verlating te verbloemen.

Miskotte schrijft dan hoe mevr. Koopmans wordt gesterkt, ondanks haar broze lichamelijke omstandigheden. 'O, als ik zijn oudste, achterlijk kind zie zitten — en lachen, hoe krampt mij het hart tezamen. Men wordt wee en misselijk van de verborgenheid. Wie zal hier een woord spreken te rechter tijd en naar de mening des Geestes? Elke dag ga ik naar haar toe, zolang ze daar nog ligt — maar wat zou er van mij uitgaan? '

De begrafenis is donderdag 29 maart op Zorgvlied.

Er is geen hout voor kisten; bij honderden liggen de doden in de Zuiderkerk (bezit van de burgerlijke gemeente) te wachten; er zijn geen paarden! er is geen wind voor het orgel in de aula van het kerkhof, maar voor Jan hebben we hout aangeboden gekregen door een verderstaand gemeentelid. En er zal nog iets van een uitvaart kunnen zijn, (Tromp zal spreken, die hem als student gekend heeft en in de pastorie te Lemele ontvangen), zij het dan dat ons verlangen een dienst te hebben in de Noorderkerk (die hij de laatste anderhalf jaar tot parochiekerk had gemaakt, temidden van de meest uitgesproken misère-wijk, aan de rand van de Jordaan) onvervulbaar is.

Zeer vereerde, stille bisschop van zovelen (ook een beetje van mij) — ik heb u dit geschreven en zou nog meer willen zeggen, maar beter is het te zwijgen.

Denk aan ons! bidt voor ons! en met ons! met de meeste hoogachting, uw dw. K H. Miskotte.

En dan komt de bevrijding van ons land. Een halve eeuw geleden intussen. De gemeente Gods kwam samen tot dank en gebed. .

9 mei 1945

Op die dag werd in de Nieuwe Kerk in Amsterdam een dankdienst gehouden bij de bevrijding van Nederland. Voorganger in deze dienst: dr. K. H. Miskotte. In het Hervormd Weekblad van 6 april 1995 geeft dr. G. W. Marchal een aantal kernpunten en grondlijnen weer van de preek die Miskotte in deze dienst hield naar aanleiding van Psalm 92 : 10: Want zie. Uw vijanden, o Heere, want zie. Uw vijanden zullen vergaan'. Uit de samenvatting van dr. Marchal lichten we het volgende fragment, waarin door Miskotte wordt aangegeven waarom het eigenlijk ging in de oorlog.

Het ging om een vijandschap tegen God, om een Godshaat, die, indien het mogelijk ware, God zelf zou aanvliegen om Hem te vernielen. Deze macht heeft in alle ernst en letterlijk Israël willen uitmoorden. Daarom: Gods vijanden! 'misschien kan een mens, die niet gelooft, dit nooit ten volle verstaan; nu, wij zijn hier dan ook in de kerk gekomen en de kerk belijdt niet een of ander Opperwezen, maar de God van Israël (14). Ten diepste richtte de haat zich tegen de God van Israël, die joden-God, die ook de God van de christelijke kerk is. Met deze God hebben wij, van nature, allen moeite. 'Er is een anti-semitisme, dat in ons allen woont, omdat wij allen van nature heidenen zijn en God verstaan en vereren als de Natuur; maar déze heidenen, die in zichzelf de genoegzame grond van hun bestaan vinden, haten de levende God, moeten niets hebben van de Heere, die het verachte uitverkiest; zij zijn in opstand tegen God, de vreemde Indringer, die eisen aan ons stelt en ons troosten wil in ons zondaarsbestaan en in ons stervenslot. Die heeft de heiden niet nodig en het liefst zou hij Hem uit de weg ruimen. Doch God is niet te grijpen en daarom grijpen zij toe om het teken van Zijn openbaring af te tuigen' (16). Tegen de God van Israël en Zijn Gezalfde wilde men een andere Messias, een andere messiaanse totaal-staat, op de basis van een vernietiging van alles wat ons in Christus, de Koning der joden, geschonken is. Met die God moest het eindelijk uit zijn! Weg met die Levende, Vreselijke! En dus: weg met de joden en — in hun spoor — met de christenen, die in wezen een door de joden-God bedorven heiden-groep zijn. Wij hebben soms gewanhoopt, zijn ontrouw geworden aan dit geloof, niet in de laatste plaats door angsten en aanvechtingen. 'De duivel vindt geen dag kostelijker dan dien, waarop wij door onze machteloosheid dol worden van vertwijfeling, en God zouden kwijt willen' (20). Het was bijna gelukt. 'Het geloof moest uit de harten uitgeroeid worden, opdat de weg gebaand zou zijn voor de duistere machten dezer ten troon verheven onderwereld, ...opdat in een chaos des te beter het monster van de terreur zou kunnen triomferen en... nog de glans aan zich zou hebben van redder en helper en heiland' (20). En toch, het was onmogelijk, het kon niet bestaan.

In het Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk staat het gebed afgedrukt, dat door Miskotte gebeden werd in deze dienst. Een gebed dat dezer dagen van herinneren en gedenken nog steeds indruk maakt. Er is o.a. gebeden: 'Heere, wij gedenken hen die gevallen zijn, die zijn weggeraapt door het lood van de vijand, die zijn dood geplaagd en dood gemarteld... wij gedenken hen die hun nastonden en die het niet hebben kunnen verwerken, tot deze dag niet... o, zij zouden wel willen open ondergaan in de algemene nationale vreugde, maar zij hebben hun eigen hart en hun eigen leven en hun eigen herinneringen... en het is tegelijk vol onuitsprekelijke hoogmoed. Heere, wil Gij hun allen geven iets van Uw troost, iets van het gevoel Uwer toekomst en iets van de zoetheid Uwer beloften...'

Elie Wiesel

In zijn rubriek 'Douce France' in 'in de Waagschaal' van 8 april 1995 schrijft ds. J. P. van Santen over Wiesel en Mauriac, de jood Wiesel en Nobelprijswinnaar en de Fransman en beroemd schrijver Francois Mauriac, die rooms-katholiek is. Van Santen schrijft over een ontmoeting jaren geleden tussen Wiesel en Mauriac. Wiesel wil Mauriac interviewen voor zijn blad, maar wil eigenlijk via Mauriac de toenmalige president van Frankrijk, Pierre Mendès-France, te spreken krijgen.

Eenmaal thuis bij de schrijver voelt Wiesel zich weinig op zijn gemak: te zeer is hij zich bewust dat hij Mauriac slechts 'gebruiken' wil. Mauriac, die de gêne van Wiesel bemerkt, vervalt dan in een lange monoloog over het volk Israël, over het uitverkoren volk, over de jood Jezus, mensenzoon en zoon van God tegelijk, die, toen hij Israël niet kon redden, tenslotte de mensheid redde. Geïrriteerd valt Wiesel hem in de rede: 'U spreekt over Christus, maitre... De christenen hebben het daar graag over. Het lijden van Christus, de agonie van Christus, de dood van Christus. Het gaat over niets anders in uw godsdienst. Welnu: te uwer informatie: ik heb joodse kinderen gezien, tien jaar geleden, en niet zo ver van hier, die ieder voor zich duizend maal meer, zes miljoen maal meer geleden hebben dan Christus aan het kruis. En daar wordt niet over gesproken. Kunt u dat begrijpen, maitre? Daar wordt niet over gesproken.'

En zonder de oude schrijver de hand te geven gaat Wiesel naar de deur, naar de lift. Dan staat opeens Mauriac achter hem, legt met een 'oneindig nederig gebaar' de hand op zijn arm, en verzoekt hem, toch alsjeblieft terug te komen. Eenmaal gezeten, begint Mauriac... te huilen. Hij huilt, terwijl hij met de ogen Wiesel geen moment loslaat: ook zonder moeite te doen, zijn tranen te drogen.

En Wiesel, die niet weet waar te kijken, wat te denken, wat te doen, zoekt vergeefs naar een woord van verontschuldiging, dat Mauriac trouwens ook niet wenst. Integendeel, de laatste dwingt hem, te vertellen. 'Of hij ook in de dichtgesoldeerde treinen heeft gezeten? ' 'Of hij ook heeft meegemaakt, hoe de nacht zich had uitgestrekt over de menselijke gerechtigheid? ' Kortom, Mauriac opent met zijn oude, trillende vinger het gaatje in de dijk, waardoor de stoer bedwongen zondvloed kan binnenstromen. En alle afweer, waarover Wiesel beschikt, helpt hem niet meer: hij moet vertellen over wat menselijk niet verteld kan worden: over de tijd 'toen de Dood de attributen van God had aangenomen.'

Het eind van het gesprek is, dat Mauriac hem bezweert op te schrijven wat geschied is, het allemaal op te schrijven, waarna Mauriac hem naar de deur, naar de gang, naar de lift leidt en hem omhelst. Een jaar later stuurt Wiesel hem het manuscript toe van La Nuit. Mauriac schrijft er het voorwoord bij.

Wiesel heeft gelukkig - ondanks de bewondering en de eerbied die hij voor Mauriac had, zijn scherpte tegenover de christenen nooit verloren. Zo vertrouwde hij eens Mauriac toe: 'Bepaalde christenen houden alleen van de jood aan het kruis. En als hij er niet aan hangt, kennen ze geen rust voor ze hem er op vastgenageld zien. Ongetwijfeld om hem dan des te meer te kunnen liefhebben.'

En was het ook weer niet Wiesel, die bij de laatste Auschwitz-herdenking (waar natuurlijk, weer zoveel obligate woorden werden gesproken, of zoveel algemeenheden werden gedebiteerd die iedereen wel kan verzinnen van te voren) de christenen opriep 'om te bidden tot de God van de vergeving, dat Hij vooral niet zou vergeven, wat is geschied? ' Hij blijft ons roepen en oproepen, deze 'Israëliet in wie geen bedrog is'.

Herdenking van een halve eeuw bevrijding kan nooit om het gedenken van het lijden van de joden heen. Dat lijden blijft een aanklacht die nimmer het zwijgen kan en mag worden opgelegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1995

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1995

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's