Een concentratiekamp-ervaring
Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij
Op 12 november 1944 werden mijn vader en ik op zondagmorgen om ongeveer 8 uur door de Duitse Feldgendarmerie uit ons huis gehaald en naar hun bureau in Harderwijk gebracht, een gevorderde particuliere woning. De sfeer rondom onze arrestatie was zo grimmig, dat ik tijdens ons verblijf in de achterkamer van dit huis er ernstig rekening mee hield, dat wij zouden gefusilleerd worden, ofschoon ons volslagen onbekend was om welke reden wij waren opgepakt. Sindsdien kan ik deze woning niet passeren, of ik moet denken aan de spannende en benauwde uren, die wij daar doorbrachten.
Later op die dag werden wij met nog twee plaatsgenoten naar de op loopafstand gelegen kazerne gebracht, waar wij een vijftiental arrestanten uit andere plaatsen van de Noordwest-Veluwe aantroffen.
De volgende dag werden wij overgebracht naar de Willem III kazerne in Apeldoorn. Daar werden wij met minstens vijftien man samengepakt in een cel, die voor vier personen bestemd was. De cel was zonder sanitaire voorzieningen, behalve dan het beruchte emmertje. Twee dagen duurde dit ongeriefelijke verblijf. Toen ik een bewaker vroeg om mijn zakbijbel, die ik in mijn overjas had gelaten, kreeg ik te horen, dat bijbellezen een strikte privé-aangelegenheid was en het hier dus niet de plaats was om mijn bijbel te lezen. Hij sloot zijn tirade af met een hatelijke opmerking over 'die Prediger in die schwarze Gewander'.
De woensdag daarop werden wij in legerwagens overgebracht naar het concentratiekamp Amersfoort. Tijdens deze tocht passeerden ons onafgebroken eindeloze colonnes legervoertuigen. Later bleek ons, dat dit reeds legerverplaatsingen waren in verband met het op handen zijnde Ardennenoffensief.
In dit zgn. 'Durchgangslager' moesten wij ons geld en waardevolle zaken als horloges inleveren; werden we kaal geschoren en moesten we ons geheel ontkleden. Vervolgens werd ons versleten en rafelige Nederlandse soldatenkleding toegesmeten, waarin vrij ons moesten hullen. Als schoeisel kregen we klompen en in plaats van sokken een paar flanellen lappen. Een viercijferig nummer completeerde onze uitrusting. Toen wij uit de 'Bekleidungskammer' kwamen, werden we begroet door een kampbewoner met de woorden uit Dante's Inferno: 'Al wie hier binnengaat late, alle hope varen'. Gelukkig wist ik mijn zakbijbel, die ik bij ons vertrek uit Apeldoorn teruggekregen had, mee te smokkelen tijdens het omkledingsceremonieel.
Kerkdienst
Toen wij na enkele weken wat 'ingeburgerd' waren, hoorde mijn vader, dat er de komende zondag in een enigszins afgelegen barak een geheime kerkdienst zou gehouden worden. Op de afgesproken tijd gingen wij er zo onopvallend mogelijk naar toe. De voorganger, uiteraard ook een gevangene, bleek een nog tamelijk jonge gereformeerde dominee te zijn. Hij preekte over de ontmoeting van de Heere Jezus en Zacheüs te Jericho. Eén punt uit zijn preek is mij bijgebleven, omdat het een toevoeging was, die in Lucas 19 niet wordt vermeld. Als nl. Zacheüs de Heere in zijn huis met blijdschap ontvangt, dan staat hij vóór Jezus en vertelt Hem, dat hi| de helft van zijn goederen aan de armen geeft en dat, als hij iemand iets door bedrog ontvreemd heeft, hij hem dat vierdubbel weergeeft. Maar, zo zei de predikant, vóórdat Zacheüs dit tegen de Heere gezegd heeft, heeft hij ongetwijfeld met oprecht schuldbesef, staande voor de Heere, als voor zijn hemelse Rechter, de zonden van zijn vroeger leven beleden. De opsomming van zijn goede werken diende niet om zichzelf vrij te pleiten, maar om de oprechtheid van zijn berouw te bevestigen. Uit het antwoord van Jezus blijkt bovendien, dat Zacheüs met het noemen van zijn goede werken heeft willen zeggen: 'Heere, ik probeer wel hetgeen ik bedorven heb weer goed te maken, maar ik gevoel telkens weer, dat het alles te kort en te smal is. Ik ben bekommerd vanwege mijn zonden en ik verkeer in de hoogste twijfel en onzekerheid omtrent mijn eeuwig zieleheil.' Wie zo tot de Heere de toevlucht neemt, die komt niet beschaamd uit. Zacheüs mocht het uit de mond van de Zaligmaker horen: 'Heden is dezen huize zaligheid geschied, dewijl ook deze een zoon Abrahams is.'
Uiteraard heb ik het bovenstaande met mijn eigen woorden weergegeven en mogelijk ook wat naar eigen inzicht geïnterpreteerd, want ik heb er destijds geen aantekeningen van gemaakt.
De vraag kan gesteld worden: Was dit inlegkunde? Ik meen van niet. De Heere leert duidelijk in Zijn Woord, dat Zijn kinderen in een weg van recht bekeerd worden. Zij komen om zo te zeggen eerst in de rechtszaal en daarna in de trouwzaal. Wij vinden dat heel duidelijk o.a. in de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar, die in het vorige hoofdstuk staat opgetekend. De predikant deed eigenlijk niet anders, dan deze gelijkenis inpassen in de ontmoeting van de Heere met Zacheüs.
Het deed mij goed, deze gereformeerde predikant zo duidelijk de weg van de rechtvaardiging van een zondaar te horen verklaren. Zijn naam ben ik vergeten. Later hoorde ik, dat hij weer vrij gekomen is in tegenstelling tot de hervormde ds. Pasma uit het Gelderse Laren, die ik daar ook ontmoet heb, maar die spoedig daarna op transport naar Duitsland is gezet en in een van de Duitse concentratiekampen is omgekomen.
Die ene kerkdienst heeft voorzover ik weet geen vervolg gehad. Het werd te gevaarlijk.
Vriendschap
Enige tijd later knoopte ik vriendschap aan met een jongeman uit Amsterdam, die belijdend lid bleek te zijn van de Lutherse kerk aldaar. Eén uitspraak van hem staat ihij nog helder voor de geest. Het gebeurde namelijk, dat er zo nu en dan een strafappèl in het kamp plaatsvond, meestal naar aanleiding van een ontvluchting of poging daartoe. Alle gevangenen moesten zich dan snel onder schreeuwende commando's naar de appèlplaats begeven en zich daar in carré opstellen. Dan moesten wij daar uren staan tijdens sneeuwbuien en vrieskoude. Een keer heb ik het meegemaakt, dat we ons plat op de grond moesten werpen en dan van het ene einde van de appèlplaats naar het andere einde moesten kruipen door ons voort te bewegen met onze ellebogen. 'Lobben' noemde men dat. De bewakers sprongen er dan tussen en sloegen er met knuppels op los.
Toen ik met mijn Amsterdamse vriend van zo'n strafappèl terugkeerde naar onze barak, zei hij tegen mij: 'Weetje wat heel sterk op me afkwam tijdens dit appèl en ik links en rechts hoorde vloeken en tieren op de Duitsers? Dit namelijk, dat als de Heere naar recht met mij zou handelen, ik op een plaats zou zijn, die veel vreselijker en troostelozer is dan dit concentratiekamp.' Achteraf heb ik mij verwonderd over het diep besef van eigen verdorvenheid en strafwaardigheid van deze Lutheraan, zodat hij zich niet verhardde onder Gods kastijdende Hand, zoals de meesten, maar integendeel nog dieper leerde buigen. Ik leerde er uit, dat de Heilige Geest Zich niet stoort aan onze kerkmuren, maar overal waar Hij werkt mensen overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel.
Psalm 119:32
Misschien zal nu bij iemand de gedachte opkomen, dat ik een pleidooi wil houden voor 'Samen op weg'. Een gereformeerde dominee, een Lutheraan en een hervormde samen éénsgeestes in een concentratiekamp! Dat kun je al een prelude noemen van 'Samen op weg', nu al vijftig jaar geleden.
Toch is dit niet de bedoeling van mijn verhaal. Veel meer was het voor mij een illustratie van psalm 119 : 32:
Ik ben een vriend, ik ben een metgezel, Van allen, die Uw Naam ootmoedig vrezen, En leven naar Uw goddelijk bevel.
En wat samen op weg betreft, is mij uit het hart gegrepen, wat wijlen ds. J. T. Doornenbal in de classicale kerkbode van Harderwijk in 1964 schreef:
'Een hereniging met de gereformeerde kerken is voor mij een onmogelijkheid. Niets of niemand kan wat eenmaal gescheurd is weer werkelijk tot één maken. God kan alleen een nieuwe eenheid scheppen en dat zal Hij ook zeker doen op Zijn tijd, maar niet door ons menselijk pogen. De ware eenheid van de Kerk is alleen uit God zelf vandaan en wat deze bedeling betreft een zaak van geloof en wat het beleven ervan betreft alleen van de liefde, die rechtstreeks uit God is. Daarom is er die eenheid, hier en nu; die hoeft er niet meer te komen, maar die is er. Die is er over alle kerkmuren heen en dwars door alle verscheurdheid heen. En daarom zal ze er ook komen en is ze bezig te komen en het zal worden één kudde en één Herder. Naar die eenheid verlangen al Gods kinderen en zij beleven die ook.'
Zingen
Tot slot nog dit. Mijn vader werd ongeveer half januari 1945 weer vrijgelaten samen met de andere ouderen van onze groep. De jongeman uit Harderwijk en ik moesten echter blijven. Een donkere tijd brak aan. Het werd zienderogen slechter in het kamp. Door een wondere samenloop van omstandigheden, die ik hier niet meer omstandig kan vertellen, maar waar ik wel Gods genadige Hand in heb mogen zien, kwam ik op maandag 19 februari vrij. Sterk vermagerd, ziek en verzwakt kwam ik de zaterdag daarop thuis, nadat ik vijf dagen in het Sint Elisabeths Gasthuis in Amersfoort had doorgebracht. De volgende zondagmorgen voor hét ontbijt zong ons gezin bij het huisorgel psalm 30 : 1 en 2:
Ik zal met mond en hart o Heer,
Uw Naam verhogen en Uw eer;
Dewijl Gij mij Uw bijstand bood,
Mij optrokt uit de diepste nood,
Zodat de vijand in mijn lijden,
Zich over mij niet mocht verblijden.
Mijn God, Gij hebt mij op mijn klacht,
Genezen en mijn smart verzacht
Gij hebt mijn ziel door angst beroerd.
Als uit het graf weer opgevoerd.
Gij hebt het leven mij geschonken.
Ik ben niet in de kuil gezonken.
Treffender dan in deze psalm verwoord kon mijn situatie niet worden getekend. Twee maanden later werd ons dorp op 18 april 1945 door uit Voorthuizen oprukkende Canadese tankeenheden bevrijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's