Geloofsbelijdenis en handoplegging (2)
Johannes Calvijn
Calvijn heeft met Bucers opvattingen over de confirmatie kennis gemaakt toen hij van 1538-1541 in Straatsburg verbleef. Vanwege ernstige moeilijkheden in Geneve zag hij zich gedwongen deze stad te verlaten en heeft toen enkele jaren de Franse vluchtelingengemeente in Straatsburg gediend. Bucer en Calvijn wisten zich zeer verbonden met elkaar. Zij hebben ook wederzijds veel aan elkaar te danken gehad. Ten aanzien van de handoplegging hebben hun standpunten veel met elkaar overeen. Ook Calvijn heeft zich meer dan eens over dit onderwerp uitgelaten. In zijn dogmatische hoofdwerk, de Institutie spreekt hij erover in het kader van de rooms-katholieke sacramentspraktijk (boek IV, hfst. XIX, 4, 5, 6). Hij wijst de vijf sacramenten die men er daar, naast doop en avondmaal, op nahield af als onbijbels. Het vormsel of de confirmatie is één daarvan. De grote fout die Rome hier gemaakt heeft, is te denken dat 'de kracht van het vormsel bestond in het schenken van de Heilige Geest tot vermeerdering van de genade, die in de doop geschonken is tot onschuldigheid; en dat het hen tot de strijd versterkt, die in de doop wedergeboren zijn tot het leven'. Dit vormsel werd toegediend door zalving en met de formule: 'Ik teken u met het teken van het heilige kruis en versterk u met de zalving der zaligheid, in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes'. Calvijn noemt dit gebruik 'schoon en bekoorlijk'. Zijn klemmende vraag aan de rooms-katholieke kerk is echer: 'Waar is het Woord Gods, dat hier de tegenwoordigheid van de Heilige Geest belooft? Zijn tegenstanders weten op dit punt zelfs 'geen jota' aan te voeren. Om deze reden, het ontbreken van de bijbelse opdracht en belofte kan Calvijn het vormsel niet erkennen als een sacrament. Hij wijst deze praktijk rigoureus af vanwege het feit dat daardoor de doop gedevalueerd werd en vanwege het bijgeloof dat er aan te pas kwam.
Het goede gebruik
Dat neemt echter niet weg dat de reformator waardering heeft voor de oorspronkelijke gedachte die erachter ligt. Hij is - evenals Martin Bucer - bekend met de gang van zaken in de Vroege Kerk, waarin de bisschop de gewoonte had om de catechisanten te onderzoeken op hun geloofskennis. Een soort openbare belijdenis van het geloof dus voor hen die als kind de doop hadden ontvangen. Daarbij bleef het echter niet. Calvijn schrijft: 'Opdat nu deze handeling, die overigens toch reeds ernstig en heilig moest zijn, nog eerbiediger en waardiger zou plaatsvinden, werd ook de ceremonie van de oplegging der handen gebruikt. Zo liet men dat kind, nadat zijn geloofsbelijdenis goedgekeurd was, 'met een plechtige zegening heengaan'.
De reformator tekent er terloops bij aan dat schrijvers uit de Vroege Kerk van deze gewoonte dikwijls melding maken. Handoplegging bij de openbare geloofsbelijdenis was kennelijk in de eerste eeuwen meer gewoonte dan uitzondering. Tegen een dergelijke vorm en invulling van de handoplegging heeft Calvijn geen enkel bezwaar. Integendeel, hij verzucht: 'Zulk een oplegging der handen dus, die eenvoudig als zegening geschiedt, prijs ik, en ik zou wel willen dat ze tegenwoordig in haar zuiver gebruik hersteld werd'.
Een bijzondere manier van bidden
Ook in andere geschriften heeft de Geneefse hervormer zich in deze richting uitgelaten. Verhelderend is zijn commentaar bij Hebreeën 6 vers Ib, 2. Hier wordt een opsomming gegeven van een aantal hoofdmomenten van het christelijk geloof. Eens en voor altijd is de basis gelegd: het fundament van de bekering der dode werken en van het geloof in God, van de leer der dopen en van de oplegging der handen, en van de opstanding der doden en van het eeuwige oordeel. Calvijn trekt uit deze tekst de conclusie dat er in de Vroege Kerk een tweevoudige praktijk is geweest. Enerzijds waren er dopelingen die het sacrament ontvingen nadat zij belijdenis van het geloof hadden afgelegd. Een periode van onderricht was daar dan aan voorafgegaan. Maar met de kleine kinderen, die reeds waren aangenomen 'van huns moeders buik aan en door het recht der belofte aan het lichaam van de kerk toebehoorden' lag dat anders. Aan hen werd de zuigelingendoop toegediend. En zij ontvingen bij het opgroeien het onderwijs van de kerk. Als afronding van dit leerproces, niet alleen met het hoofd, maar ook met het hart, werden hun dan op een gegeven moment de handen opgelegd. Calvijn is ervan overtuigd, dat deze ceremonie door de apostelen reeds werd gepraktiseerd. De Middeleeuwse kerk heeft er echter een flinke scheut bijgeloof aan toegevoegd en er een sacrament van gemaakt, waardoor de Geest der wedergeboorte geschonken zou worden. Zo is het vanouds her echter nooit bedoeld. De handoplegging bij de catechumen was ingesteld 'opdat het bijzondere manier van bidden zou zijn, zoals Augustinus het noemt'. Men wilde daarmee de belijdenis des geloofs bevestigen van hen die als kind waren gedoopt. Aan ons de opdracht om 'die zuivere instelling na te volgen en de superstitiën (bijgelovige gebruiken) te verbeteren'.
Geen leeg ritualisme
Geldt dit appèl van Calvijn vandaag nog? Sommigen zijn wellicht geneigd te zeggen: Laten we liever geen nieuwe kwesties in het leven roepen die onenigheid veroorzaken. Er is al meer dan genoeg spanning en polarisatie in vele gemeenten. Zo kun je redeneren, inderdaad. Maar is dat altijd ook een geestelijke wijze van denken? Mag angst, mag verkramping onze drijfveer zijn? Is het de taak van kerkeraden om alles bij het oude te laten uit vrees voor onrust in de gemeente? Daarmee zouden we het spoor van de Hervorming verlaten. Zowel in theologisch als in liturgisch opzicht betekende de Reformatie een ware aardverschuiving. De hervormers vroegen nooit wat mensen ervan vonden, maar wat God in Zijn Woord ervan zegt. Zou de Heilige Geest ons ook vandaag niet in alle waarheid kunnen leiden? Dan hoeven we niet verbeten te jagen naar vernieuwing binnen de gemeente. Maar dan is het ook niet nodig om te vervallen in een star conservatisme. Het oude is niet per definitie goed omdat het oud is en het nieuwe is niet bij voorbaat verkeerd omdat het nieuw is. Trouwens, wat heet oud en wat heet nieuw? Van de handoplegging kan niemand volhouden dat het een nieuwigheid is. Het tegendeel is waar. Dit gebruik is al zo oud als de Bijbel oud is en heeft ook in onze eigen reformatorische traditie zijn plaats gehad. Al kunnen we tegelijk leren van de gevaren die de reformatoren signaleerden. Van leeg ritualisme mag geen sprake zijn. De handoplegging mag geen magische ceremonie worden, waardoor het heil min of meer automatisch bemiddeld wordt. Daarmee zouden we in de fuik terechtkomen, waarin ook de Middeleeuwse kerk gevangen was. In dat licht valt het ook te begrijpen dat men in de beginperiode van de Hervorming in Nederland wat huiverig stond tegenover dit gebruik. De vrees voor bijgeloof en uitwassen heeft menige synode parten gespeeld. Uiteindelijk kozen de meeste kerkelijke vergaderingen ervoor de handoplegging te beperken tot de bevestiging van een nieuwe herder en leraar. Later is ook de handoplegging bij het huwelijk algemeen gebruik geworden. En natuurlijk valt ook het opleggen van de zegen aan de gemeente aan het einde van de kerkdienst onder dit gebruik, al worden door de predikant dan niet letterlijk de handen op het hoofd gelegd.
Ziel en lichaam
Alle water van de zee wast echter niet af, dat de Bijbel een veel bredere betekenis aan de handoplegging toekent. Met name het aspect van de persoonlijke zegen mag niet over het hoofd worden gezien, evenmin als de directe relatie die het Nieuwe Testament legt tussen doop en handoplegging.
De vrees voor veruiterlijking en magie is gegrond. Niet alle rituelen in de kerk zijn evenwel uit den boze. Plechtige handelingen, die de toets van de Schrift kunnen doorstaan, hebben hun eigen functie als zichtbare prediking en mogen hun plaats hebben in het midden der gemeente. Wat dat betreft kunnen we nog iets van het Jodendom leren. Daar wordt alles ingeschakeld om het leven met God ook zichtbaar en tastbaar te maken. ledere sabbat zegent de joodse vader zijn zonen en zegent de moeder haar dochters, hen toewensend dat ze mogen worden als Sara en Rachel. Denk ook maar aan alle voorschriften ten aanzien van de Sedertafel tijdens het joodse Paasfeest, waarbij de uittocht uit Egypte wordt herdacht. Trouwens, hadden in de tabernakel ook niet alle voorwerpen hun eigen betekenis en zelfs de kleuren van de kleden hun eigen taal? Zinvolle symboliek is niet verkeerd, maar kan juist een verdieping en versterking van het geloof met zich meebrengen.
De handoplegging maakt duidelijk dat het geloof niet maar een kwestie van het hoofd is, maar van ons hele bestaan: hoofd, hart en handen. Met huid en haar, met lichaam en ziel worden wij bij de dienst des Heeren betrokken. Wij zijn vaak zo intellectualistisch, zo rationeel met de dingen bezig. De handoplegging weerspreekt deze versmalling van het geloof tot een zaak van het verstand alleen. Professor Jonker noemde de handoplegging ooit de 'lijfelijke intensivering van de communicatie, van de geloofsgemeenschap, van de voorbede, van het gezamenlijk delen in de gaven van de Heilige Geest'.
Geen moeten, wel een mogen
Moet handoplegging zo nodig? Er moet niets. Maar het mag wel. Daarvoor zijn voldoende bijbels-theologische argumenten aan te dragen. Laat die ruimte onder ons er in ieder geval zijn, ook al menen we zelf een andere weg te moeten gaan. En laten we bij het licht van het Woord de zin ervan overwegen tegen de achtergrond van alle verwarring in onze tijd. Opnieuw ervaren we de zuigkracht van de Dopersen, nu echter in de gedaante van evangelische groepen en kringen. Opnieuw staat de kinderdoop ter discussie, klinkt het verwijt dat de persoonlijke doorleving van het geloof in de kerken tekort komt en dat er te weinig aandacht is voor het werk van de Heilige Geest. En onze jongeren blijken voor die kritiek gevoelig. Hoevelen hebben zich intussen niet bij dergelijke groepen aangesloten, met of zonder overdoop?
Door de handoplegging tijdens de openbare geloofsbelijdenis wordt de relatie met de kinderdoop sterker benadrukt, wordt de persoonlijke betrokkenheid van de catechisanten meer geaccentueerd en vindt er een concretisering en intensivering plaats van de zegen die de nieuwe lidmaten van Godswege meekrijgen. Dat grondige uitleg en bespreking van het waarom van de handlegging tijdens de (belijdenis)catechisatie absolute voorwaarden zijn, spreekt voor zichzelf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's