De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Persoon en werk van de Heilige Geest (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Persoon en werk van de Heilige Geest (3)

10 minuten leestijd

Een vorig keer schreef ik dat het geloof nooit buiten de bevinding omgaat. De bevinding moet echter niet opgevat worden als een artikel dat los verkrijgbaar is. Met andere woorden: zij staat niet los van het geloof!

De bevinding geeft aan het geloof warmte. Men kan het altijd horen en zien of het geloof een doorleefd geloof is. De bevinding van het geloof komt ook altijd op uit het Woord. Wie haar daarvan loskoppelt, loopt het gevaar het Woord als een werk van de Heilige Geest onder te waarderen. Met name de reformatie heeft grote nadruk gelegd op het Woord. Het 'sola scriptura' is door haar sterk onderstreept.

Calvijn

Uit vrijwel al z'n geschriften weten wij dat Calvijn een vroom man is geweest. In zijn theologie legde hij veel nadruk op het werk van de Heilige Geest in de mens. Om die oorzaak wordt hij niet alleen de theoloog van het Woord, maar ook de theoloog van de Heilige Geest genoemd. Dat deze benaming terecht is, blijkt onder andere uit de Institutie waarin door hem een heel boek aan het werk van de Geest wordt besteed.

Behalve AQ Institutie zijn ook zijn vele commentaren een bewijs dat Calvijn zich veel bezig heeft gehouden met de Persoon en het werk van de Geest. Terecht was dan ook Calvijns lijfspreuk die luidde: 'Prompt en oprecht geef ik mijn hart aan U.' Deze lijfspreuk heeft alles te maken met het werk van de Heilige Geest. Calvijn kende het werk van Gods Geest uit eigen ervaring. Voor hem is een waar(achtig) geloof meer een zaak van het hart dan van het hoofd. In de Institutie omschrijft hij het geloof met deze woorden: 'Wij noemen het een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons, gegrond op de waarheid van de vrije beloften in Christus, die geopenbaard is aan ons verstand, maar ook verzegeld aan ons hart door de Heilige Geest.'

Het zal ons wel zijn opgevallen uit de zin die ik neerschreef dat bevinding of ervaring voor de reformator uit Geneve niet een zelfstandige bron van kennis is. Zij is in geen geval los te denken van de Schrift. Altijd is de bevindig of ervaring verbonden met de Schrift. Op het Woord zal men telkens moeten terugvallen. Met name dient dit te gebeuren als er allerlei tegenstrijdige gevoelens en ervaringen ontstaan. Het getuigenis van de Schrift is dan beslissend. Calvijn zegt dan zo mooi dat wij niet te rade moeten gaan bij mensen, ook niet bij vrome mensen (kinderen Gods), maar dat wij ons oor te luisteren moeten leggen aan het Woord. Mensen, óók vrome mensen, kunnen dwalen. Het Woord daarentegen biedt onbedriegelijke zekerheid, omdat het Woord een schepping van de Heilige Geest is.

Dat Calvijn naast een bekwaam theoloog ook een pastor bij uitnemendheid is geweest, blijkt uit de brieven die hij her en der heeft rondgestuurd. In één van die brieven schrijft hij dat het kan voorkomen dat wij niets meer voelen en dat iedere bevinding of ervaring is verdwenen. In zo'n toestand, zegt Calvijn, blijft ons niets over dan te vertrouwen op de 'naakte beloften' van het Woord. Immers, die 'naakte beloften' zijn het werk van Gods Geest!

Wezelse Artikelen

Bij Calvijn zal men het woord 'bevinding' zelden of nooit tegenkomen. Hij spreekt meer over de experientia (ervaring) van het geloof. Die ervaring is voor hem heel belangrijk. Toch speelt deze ervaring bij hem een ondergeschikte rol. Of het ook met zijn ingetogenheid heeft te maken, is mij niet bekend, maar als Calvijn over de ervaring van het geloof spreekt, heerst die ervaring nooit over het geloof. Van een overheersende rol is geen sprake. Zij is ondergeschikt aan het geloof.

Dit wordt anders in de tijd na de reformatie, ongeveer na 1565.

In plaats van ervaring gaat men meer spreken over 'bevinding'. Ook zien wij geleidelijk aan een toenemende nadruk op de persoonlijke 'bevinding'.

Van deze persoonlijke "bevinding' is al het een en ander te lezen in de zogenaamde Wezelse Artikelen. Op het Convent van Wezel in 1568 werden deze artikelen aangenomen. Zoals bekend was het Convent van Wezel de eerste bredere vergadering van de jonge gereformeerde kerken in ons land. In die Wezelse Artikelen staat onder andere geschreven, hoe predikanten de bedie­ning van het Woord zullen uitrichten. Grote nadruk zullen zij in de prediking moeten leggen op geloof en bekering. Deze twee (geloof en bekering) zijn de voornaamste stukken van het Evangelie. De omschrijving van deze twee stukken is zeer kort. Van het eerste stuk wordt gezegd, dat in de prediking de kennis van Christus voor ogen gesteld moet worden. En wat het tweede stuk betreft zal vooral de levendmaking = heiligmaking aan de orde moeten komen. Dat wil zeggen: de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Bij deze laatste zin ontkom ik evenwel niet helemaal aan de indruk dat er meer nadruk gelegd móest worden op de afsterving van de oude mens dan de opstanding van de nieuwe mens. Naar mijn bescheiden mening gaat het één niet zonder het ander.

Waarom schrijf ik eigenlijk dat in de prediking — als daarin gesproken wordt over de heiligmaking — toch meer het accent zou vallen op de afsterving van de oude mens? Omdat de uitleg in de Wezelse Artikelen daartoe aanleiding geeft. Voor de predikant is er namelijk de volgende uitleg bij: 'Hij (de predikant) zal trachten, zoveel dit in zijn vermogen zal staan, alle schuilhoeken en verborgen omhulsels van het menselijk hart bloot te leggen, zowel door de verkeerde meningen en ketterijen als door de slechte zeden te bestraffen. Ook zal hij niet alleen de grove schelmstukken en openbare schanddaden vervolgen, maar evenzo trachten de verborgen geveinsdheid der zielen uit te kleden en het broeinest van goddeloosheid en hovaardigheid én ondankbaarheid, dat zelfs bij de allerbesten schuilt, in het licht te stellen en op de geschiktst mogelijke wijze uit te roeien.'

Nadere Reformatie

Aan het einde van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw zijn er in de kerk leidinggevende figuren die van mening zijn dat de Reformatie nog niet af is. Er zijn nog twee zaken die bijzondere aandacht verdienen: het zedelijk handelen èn het innerlijke leven.

Wie de geschriften van de 'oud-vaders' erop naslaat, zal steeds opnieuw ontdekken hun grote zorg voor de levensheiliging èn voor de werking van de Heilige Geest in het hart. Deze beweging, die wij de Nadere Reformatie noemen, heeft niet alleen gevolgen gehad voor het kerk-en gemeentezijn, maar de periode waarin zij is ontstaan is ook van invloed geweest voor het geheel van de samenleving.

W. van 't Spijker heeft erop gewezen dat dit de periode is waarin de 'individualiteit' zich in de Westerse wereld aankondigt. De mens ziet zich niet meer als een deel van het geheel, maar als een zelfstandig individu. Aan dit laatste is ook de gelovige niet ontkomen. Ook al werd er gezegd 'Zoete banden die mij binden aan het lieve volk van God', toch werd de gemeenschapszin minder. Zeker werd deze minder naar het geheel van de gemeente toe, maar ook in de gezelschappen was de ware gemeenschapszin soms ver te zoeken, wanneer één of twee het daarin voor het zeggen hadden. Ik denk niet ver bezijden de waarheid te zijn als ik stel dat de invloeden van de Nadere Reformatie nog altijd in onze gemeenten te vinden zijn. Echt gemeentezijn moeten wij nog altijd leren. De vraag hóe wij dit kunnen leren en hóe wij dit gestalte kunnen geven, is van uitermate groot belang, omdat in het bijzonder bij de jongeren een vraag is en een zoeken is naar gemeenschap.

Dat het niet alleen maar gaat om het individu, maar ook om het collectivum, is een uitgemaakte zaak.

Wat kan er in een gemeente veel van elkaar worden geleerd. Hoe laat trouwens de apostel Paulus ons duidelijk horen dat wij elkaar in de gemeente niet kunnen missen. De één kan de ander daarin tot veel nut zijn.

En om in het kader van deze reeks te blijven, stel ik dat de Geest óók de Geest van samenbinding is.

De Geest doet een individu nooit op zichzelf staan. Hij stelt hem/haar altijd in de gemeenschap. Kortom: de Geest Gods bindt samen. En als dit nu niet gebeurt? Dan kan men zich afvragen of men de Heilige Geest soms bedroeft! Want het is de Geest Gods een zeer aangelegen zaak om bij elkaar te brengen wat bij elkaar behoort.

Gevaren

Ik denk niet dat men van de Nadere Reformatie mag zeggen, dat zij van nul en generlei waarde is geweest. Wat zij beoogde, was in de Schrift terug te vinden. Terecht werd er gesteld dat men geen oppervlakkig en werelds leven kan leiden als men de gereformeerde, d.i. de Bijbelse religie had aangenomen.

Ook was het niet verkeerd om te stellen dat het geloof niet alleen maar een zaak van het hoofd, doch vooral van het hart is. Dat daarbij de Heilige Geest en Zijn werk een grote plaats inneemt, is evident.

Bij al het goede dat de Nadere Reformatie heeft voortgebracht, gebiedt de eerlijkheid mij wel te zeggen dat zij niet altijd aan bepaalde gevaren is ontkomen. Ik denk nu aan wat dr. Brienen in z'n proefschrift de classificatie-methode heeft genoemd. In de prediking werd niet alleen onderscheid aangebracht in bekeerden en onbekeerden, maar die nog weer in allerlei subgroepen. Er waren bekeerden, bekommerden en onbekeerden in allerlei soorten en maten. Uitvoerig werd aan hen allen in de preek aandacht besteed. Positief was daarin de ernst alsmede de pastorale aandacht.

De predikanten hadden oog en hart voor het eeuwig welzijn van een ieder. Helaas gingen zij in hun onderscheiding veel te ver. Het leidde ertoe dat jongeren en ouderen hoe langer hoe meer zich 'naar binnen' keerden en voortdurend bezig waren met zelfonderzoek.

't Is juist als men stelt dat zelfonderzoek nooit verkeerd kan zijn. Wij lezen in de Schrift, dat men zich zal onderzoeken óf men in het geloof is.

Toch kan het zelfonderzoek, wellicht beter gezegd: de zelfontleding, óók te ver gaan. Voordat men het weet, komt de grond voor de zekerheid in de mens zelf te liggen, in wat hij is en bij zichzelf waarneemt, in plaats van in de beloften van God.

De zekerheid ligt nooit in iets van onszelf! Zij ligt alleen in het geïnspireerde Woord des Heeren. Anders gezegd: de zekerheid van het heil ligt buiten ons in Christus. Een lied zegt: 'Ik heb de vaste grond gevonden waarin mijn anker eeuwig hecht'. Christus... Christus alleen!

Een kenmerkenprediking, zoals die ons bekend is uit de Nadere Reformatie, kan een aantal gevaren in zich bergen. Toch kan men van de weeromstuit in een ander uiterste vervallen. En dat gevaar is niet minder groot.

Het komt helaas wel voor in tegenstelling tot de prediking van de Nadere Reformatie, dat iedere onderscheiding is verdwenen. Alles is Israël wat Israël heet. Dat Israël bestaat uit tweeërlei Verbondskinderen, wordt niet meer vernomen.

Ik denk dat het al een hele verandering te zien en te horen zou geven, als de Wezelse Artikelen inzake die twee stukken, geloof en bekering, ter harte genomen zouden worden. En dat in Bijbelse zin! (Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 mei 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Persoon en werk van de Heilige Geest (3)

Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 mei 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's