Profetie en canon
Het laatste woord
Het is niet moeilijk om vanuit de Schrift zelf aan te tonen, dat zij de enige regel is voor geloof en leven. Het beginsel van het 'sola scriptura' mag klassiek heten: de Schrift alleen. Het is de apostel Paulus, die aan zijn geestelijke zoon Timotheüs schrijft: En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof hetwelk in Christus Jezus is'. Hij voegt daar veelbetekenend aan toe: Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust (2 Tim. 3 : 15 en 16)'. De Heilige Schrift vervat de wil van God volkómen. Alles wat wij schuldig zijn te geloven, wordt daarin genoegzaam geleerd (NBG art. 7). Dit zal ons uitgangspunt moeten zijn bij alle bezinning op de themata die zich aan ons voordoen, ook vandaag. De Schrift alleen is bron en norm. Op dit punt heeft de Reformatie haar positie duidelijk gemaakt èn naar de kant van Rome (geen aanvulling van de Schrift door menselijke tradities) èn naar de kant van het doperdom (geen aanvulling in de vorm van nieuwe openbaringen). In dit spoor heeft het gereformeerd protestantisme zich altijd begeven. Zie ik het goed, dan is de mogelijkheid van nieuwe openbaringen altijd afgewezen. Is dit artikel toegesneden op 'profetie en canon', op de achtergrond speelt uiteraard mee de vraag of alle gaven van de Heilige Geest die in de tijd van de apostelen voorkwamen, in principe ook nu nog kunnen voorkomen. Daar gaan we dan eerst maar op in.
Apostelen
Het schijnt een sterk argument te zijn — en heel voor de hand liggend. Waarom zouden die gaven van de Geest nu niet meer voorkomen? Er wordt toch duidelijk over gesproken in de Bijbel? En waar lezen we van het ophouden ervan? Stemmen klinken in verwijtende zin: al eeuwen een blinde vlek. Juist in een tijd van neergang die wij onmiskenbaar toch beleven, hebben we deze gaven dan ook hard nodig. Wil de kerk weer bloeien, zal ze hier weer oog voor moeten hebben. Om beter te kunnen getuigen en evangeliseren, zou ze zich meer open moeten stellen voor de gaven van de Geest. Is dat zo?
Ik ga in het bestek van dit artikel voorbij aan de vraag waarom juist in deze tijd de discussie inzake de gaven van de Geest in onze kring is opgekomen. Wel merk ik in het voorbijgaan op dat we geweldig moeten oppassen, wanneer wij aan de tijd van de apostelen hetzelfde gewicht toekennen als aan elke andere tijd in de geschiedenis. Hoe dan ook is die apostolische periode een unieke.
Zullen dan al de gaven van de Geest ook vandaag nog voor (kunnen) komen, stuiten we al direct op de moeilijkheid van het apostolaat. Ik doel op het ambt van apostel. Dat kan niet anders dan tijdelijk zijn geweest. De opvolger van Judas moest een getuige zijn van de opstanding van Christus (Hand. 1 : 22). Paulus verbond zijn apostelschap met hetzelfde feit (1 Kor. 15 : 8, 9). Wanneer in Galatië zijn apostolisch gezag wordt ondermijnd, dan cirkelt het om het verwijt dat hij nooit Christus had gezien. Dus had hij zijn evangelie uit de tweede hand. Daar protesteert Paulus krachtig tegen: Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus (Gal. 1 : 12)'. Het apostelschap is onherhaalbaar. Bovendien hebben de apostelen nooit opvolgers benoemd. Ze waren om zo te zeggen 'grondleggend'. De kerk is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten (Ef 2 : 20). Daarbij denken we niet aan oudtestamentische profeten, maar aan profeten die in de dagen van de apostelen voorkwamen. Dat grondleggende wordt bevestigd door Openb. 21 : 14 'En de muur der stad had twaalf fundamenten en in dezelve de namen van de twaalf apostelen van het Lam'. Het fundament is gelegd, eens en voor al. De houding die wij in moeten nemen is niet die van verder ontwikkelen en toevoegen, maar van bewaren. Zo schrijft Paulus aan de Thessalonicensen: Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onze zendbrief (2 Thess. 2 : 15). Ook Timotheüs wordt door Paulus aangespoord het hem toebetrouwde pand te bewaren (1 Tim. 6 : 20). En, om niet meer te noemen. Judas vermaant in zijn korte, scherpe maar hemelse brief om te strijden voor het geloof dat eenmaal de heiligen overgeleverd is (Judas 3). Het apostelschap diende tot het leggen van het fundament van de nieuwtestamentische gemeente en was tijdelijk.
...en profeten
Naar mijn overtuiging moeten we op dezelfde manier stellen dat de gave van de profetie is opgehouden. Welke argumenten kunnen daarvoor aangedragen worden? Allereerst merken we op dat profetie niet alleen een nieuwtestamentisch fenomeen is. De wortels ervan liggen diep in het Oude Testament (Mozes). Daarbij verstaan we onder profetie het ontvangen en doorgeven van geïnspireerde woorden van de Heere. De climax van de geschiedenis van het koningschap, van het priesterschap èn van de profetie in Israël vinden we in Christus. Hij is dè Koning, dè Priester, dè Profeet. Trefzeker verwoordt de onvolprezen Heidelberger dat Jezus Christus gezalfd is tot onze hoogste Profeet en Leraar, die ons de verborgen raad en wil van God tot onze verlossing volkómen heeft geopenbaard (zondag 12). Of om het te zeggen met de woorden van de Schrift zelf: God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon' (Hebr. 1:1).
Wij menen dan dat profetie in bijbels licht het resultaat is van het ervaren van een openbaring van Godswege. Profetie is niet de interpretatie die mensen geven aan de geschiedenis. Het is niet de zin die mensen aan bepaalde (ingrijpende) gebeurtenissen toekennen. Profetie heeft het karakter van openbaring. En juist vanwege dat openbaringskarakter, was profetie nauw verbonden met het ontstaan en de ontwikkeling van de canon. In de vroege kerk (nog voordat het Nieuwe Testament compleet was) gaven profeten geïnspireerde boodschappen door. Dat was nodig om de christenen te onderwijzen inzake aangelegenheden en vragen die nog niet in de Schrift aan de orde waren gesteld. Daarbij valt het ons op, dat toen de Ie Korinthebrief werd geschreven, er nog maar weinig van het Nieuwe Testament voorhanden was. Wordt hierin breed over de Profetie gehandeld (de hoofdstukken 12-14), het stemt tot nadenken dat het in de laatste brieven van Paulus niet wordt genoemd. Wij denken hierbij aan de pastorale brieven. We zouden in dit verband ook nog kunnen wijzen op latere documenten als 1 Johannes. Dat zou erop kunnen duiden dat de dienst van de profeten al beëindigd was voordat de canon was afgesloten.
Dit brengt ons intussen opnieuw bij Ef 2 : 20, dat de kerk is gebouwd op het fundament van apostelen èn profeten. Dat zijn de twee voertuigen van de Goddelijke openbaring. Een gebouw kan slechts één fundament hebben. En dat fundament moet goed zijn en stevig, stabiel en compleet voordat het gebouw wordt opgetrokken. Daarom is ook deze gave beperkt tot de apostolische tijd.
Niets toevoegen
Daarom waag ik de stelling, dat wanneer we van mening zijn dat ook vandaag de gave van de profetie nog steeds nodig is, wij dan zeggen dat de Schrift niet af is. Of dat wij aan de Schrift niet genoeg hebben. We zitten dan zo maar op het spoor dat hierdoor gewetens gebonden kunnen worden door die zgn. nieuwe openbaringen. En is dat in wezen iets anders dan een terugleiden in het diensthuis van het gebonden worden door pauselijke decreten? Immers de profeet die profeteert is de mond van God. Het klinkt toch: Alzo zegt de Heere! En dan is de conclusie onontkoombaar dat iedere echte profetische openbaring net zo waarachtig, betrouwbaar en onfeilbaar moet zijn als de Schrift'zelf Bovendien wordt hierdoor het gezag van de Heilige Schrift — ik zeg niet ter discussie gesteld, maar toch aangetast.
We hebben op dit punt uiterst waakzaam te zijn, omdat zo nadrukkelijk de waarschuwingen klinken met betrelddng tot de valse profeten. In tegenstelling tot de door God geroepen profeten, die dus spreken vanuit het aaii het geopenbaarde Woord van God, zijn er de valse profeten die uit hun eigen hart spreken. Naar hen moest Israël niet horen: zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des Heeren mond' (Jer. 23 : 16). Elke vorm van nietbijbels profeteren wordt in ronde bewoordingen afgewezen en ernstig bestraft. In plaats van aandacht te geven aan die valse profeten (of dromendromers) moet Israël Gods geboden onderhouden, die Hij hun heeft gegeven door Zijn profeten (Deut. 13 : 4).
En de waarschuwing van de Heere Jezus Zelf is te duidelijk om misverstaan te worden: Zie toe dat niemand u verleide... En vele valse profeten zullen opstaan en zullen er velen verleiden' (Mattheüs 24 : 4, 11). We hebben sinds de afsluiting van de canon geen nieuwe openbaringen nodig. De Heilige Schrift is genoegzaam. Het biedt, naar 2 Timotheüs 3 : 16 en 17, alles wat we voor 'alle goed werk' nodig hebben. Het is een eminentie en hoogst belangrijke waarheid dat dat Gods Openbaring af is èn compleet! De canon van de Heilige Schrift is afgesloten. De laatste woorden van de Openbaring van Johannes zijn overduidelijk: Want ik betuig aan een ieder, die de woorden van de profetie van dit boek hoort: indien iemand tot deze dingen toe doet. God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven 2ijn. En indien iemand afdoet van de woorden van het boek van deze profetie. God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens en uit de heilige stad en uit hetgeen in dit boek geschreven is' (Openb. 22 : 18, 19).
Tenslotte
Het is vandaag onze roeping acht te geven op het profetische Woord dat zeer vast is (2 Petrus 1 : 20). De Schrift is volkomen. De boodschap die de kerk van Christus heeft te vertolken ligt hoe dan ook vast in de Schrift. Het is een lamp voor onze voet en een licht op ons pad (Ps. 119 : 105). In de Schrift heeft God Zich helder en klaar geopenbaard. Het probleem is ons verduisterde verstand. We hebben de verlichting door de Heilige Geest nodig om de Schriften te verstaan. We hoeven daarbij de hulp niet in te roepen van nieuwe openbaringen. Het is de roeping van de kerk, ook aan het einde van de 20e eeuw het Woord van God te verkondigen. Zij heeft het haar toevertrouwde pand ook aan de moderne mens te brengen en zich van die hoofdbaan van de verkondiging niet te laten afbrengen. Het is ook vandaag het Woord van God dat de levensvraag oproept en — de Heere zij ervoor gedankt — ook beantwoordt. Het is het Woord van God dat licht verspreidt, het juiste licht, op de situatie van die mens en op al zijn noden, zorgen en vragen. De ware godsdienst behoort te steunen op de vastheid van het Woord van God.
De vermaning van de schrijver van de Hebreeënbrief is hoogst actueel: Daarom moeten wij ons temeer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien' (Hebr. 2 : 1).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's