Hoe 'calvijns' waren de Calvinisten?
Wie een gangbare gedachte, door kenners en autoriteiten ondersteund, aan een kritisch onderzoek wil onderwerpen verdient het dat zijn studie met grote belangstelling zal worden gelezen. Immers, het heeft iets van een waagstuk. Kerkhistorici van naam en faam, die hun sporen in het Calvijnonderzoek hebben verdiend, worden niet zondermeer gevolgd. In zijn dissertatie onderneemt dr. H. A. Speelman de poging om Calvijns gedachten over de verhouding van Kerk en Staat op een nieuwe wijze tegen het licht te houden van de historische context. Hij komt daarbij uiteindelijk tot geheel andere conclusies dan de onderzoekers, die er altijd vanuit zijn gegaan dat Calvijn in Geneve voortdurend heeft gestreden voor het ideaal van een zelfstandige kerk, die onafhankelijk van de overheid haar beleid kon bepalen, in bijzonder inzake de kerkelijke tucht. Heeft Calvijn dit ideaal inderdaad nagestreefd, of was zijn werk om de Kerk in Geneve op reformatorische wijze gestalte te geven, met een belijdenis en kerkorde, en met een handhaven van de tucht, ten diepste uitoefening van zijn taak als 'overheidsdienaar' belast met de leiding van het kerkelijk leven? En zijn de geestelijke nazaten, in Frankrijk en Nederland, die stelden dat de kerk een eigen zelfstandige organisatie moest hebben ten opzichte van de overheid, in dezen principieel verwijderd van Calvijn? Op die vragen wil Speelman trachten een antwoord te geven. Hij doet dat op een verrassende manier en goed gedocumenteerd, maar uiteraard roepen ook zijn antwoorden weer vragen op.
Speelman begint zijn historisch onderzoek met een nauwkeurige weergave van de wijze waarop de Reformatie in de Zwitserse stad Bern, onder strakke leiding van de overheid gestalte kreeg. De predikanten waren min of meer overheidsambtenaren, die onder verantwoordelijkheid van de Raad van de stad gestalte moesten geven aan het godsdienstige leven. De tucht rond het avondmaal was voor de predikanten alleen een maatregel van pastorale aard, zonder recht van excommunicatie. Het zogenaamde 'Chorgericht' dat toezicht hield op zedelijke kwesties was hoofdzakelijk een overheidsaangelegenheid. De conclusie is dat in Bern tucht en avondmaal praktisch ontkoppeld waren.
Calvijns beginperiode in Geneve
Speelman ziet vervolgens veel overeenkomst tussen de wijze waarop de Reformatie in Geneve, onder leiding van Calvijn, gestalte werd gegeven met de situatie in Bern. Hij ziet Calvijn, anders dan gebruikelijk, als de reformator die uiterst loyaal aan de overheid de organisatiestructuur van het kerkelijk leven vorm heeft gegeven. Het 'Consistoire' dat in 1541 in Geneve werd ingesteld had eenzelfde functie als het 'Chorgericht' van Bern. De ambtsdragers moesten gekozen worden uit de raadsleden van de stad. Het conflict dat Calvijn in 1538 met de stadsraad kreeg zou niet te maken hebben gehad met het verlangen van Calvijn om aan de Kerk in zaken van tucht een zelfstandiger bevoegdheid te geven ten koste van de overheid. Veeleer zou het tegendeel het geval zijn geweest. Calvijn en Farèl zouden de weigering om het avondmaal te bedienen, met als gevolg dat zij uit de stad verdreven werden, bedoeld hebben als protest tegen de overheid, die haar roeping om het avondmaal heilig te houden niet goed verstond. Dat is een opvallend andere versie van de verbanning van Calvijn, dan gangbaar is. Toen Calvijn in 1541 terugkeerde gaf hij in de kerkorde een organisatiemodel waarbij heel de nieuwe kerkstructuur berustte in het ene, alles dragende, van God gegeven gezag van de overheid. Het is een helder exposé dat Speelman geeft, dat een aannemelijk karakter lijkt te hebben. Het blijft echter moeilijk om zekerheid te krijgen over wat Calvijn eigenlijk gewild heeft. Kan het ook zijn, dat het sterkere accent op het kerkelijk element ten diepste toch voortkwam uit een verlangen om een eigen zelfstandiger kerkorganisatie te realiseren - overigens in volkomen harmonie met de overheid? Heeft Calvijn de realiteit aanvaard, en is hij daarom niet verder gegaan dan mogelijk was in 1541, terwijl hij dat eigenlijk wel had gewild? Speelman trekt Geneve met Calvijn wel heel dicht naar Bern toe. Maar hoe vallen dan de spanningen te verklaren, waarvan in latere jaren sprake was tussen Bern en Geneve? Die hadden niet alleen te maken met de leer van de predestinatie, maar ook de positie van het Consistoire inzake van de tucht in Geneve, die volgens de overheid van Bern veel te zelfstandig was. De periode van 1541 tot 1559 komt in deze studie overigens niet aan de orde. Van de beginperiode wordt er direct overgestapt op het volgende hoofdstuk, waarin Calvijns denken over de zelfstandigheid van de kerk in verband wordt gebracht met de ontwikkelingen van de Gereformeerde Kerk in Frankrijk.
Een zelfstandige kerk?
Het hoofdstuk over de Franse Kerk van 1559 tot 1562 geeft een boeiend beeld van een cruciale en uitermate spannende periode in de geschiedenis van de calvinistische Reformatie in Frankrijk. Calvijn moest vanuit Geneve toezien, volgens Speelman met lede ogen, dat de ontwikkelingen in een stroomversnelling kwamen. De politieke crisis in Frankrijk na de dood van Henri II, die voornemens was een radicaal einde te maken aan de Reformatie in zijn koninkrijk, bracht mede een escalatie in de ontwikkeling van de organisatie van de explosief in aantal toegenomen calvinistische kerken. Een belangrijk moment daarin was de eerste landelijke synode die in Parijs werd gehouden in 1559. Het ging Calvijn allemaal veel te vlug, eigenlijk wilde hij dat het moment werd afgewacht waarop de Reformatie met steun van de Overheid in heel Frankrijk gestalte zou kunnen krijgen. De zelfstandige organisatie van een nieuwe gereformeerde Kerk, naast de oude kerk, zou een situatie betekenen waarin sprake was van twee kerken naast elkaar binnen één land. Het streven naar vrijheid via diplomatie, het trachten om voor de Reformatie een getolereerde positie te krijgen onder een overheid die toch de oude, niet-hervormde, kerk toege daan zou blijven, had met Calvijns sympathie. Maar ondanks dat zetten velen van zijn geestverwanten in Frankrijk zich toch daarvoor in, met als resultaat dat er in 1562 een tweede Franse Kerk ontstond naast de gevestigde kerk. Calvijn had gewenst dat men een 'ondergrondse' kerk was gebleven tot het moment waarop de Overheid voor de zaak van de Reformatie gewonnen zou zijn. Hij vertrouwde de koningin-regentes Catharine de Medici, die een tolerante positie innam, voor geen cent. Hij hoopte dat de Reformatie in geheel Frankrijk zou doorbreken als de protestant Antoine van Navarre zijn recht op de Franse troon zou laten gelden. Een kritische kanttekening terzijde: het is historisch gezien niet juist opgemerkt als Speelman stelt dat Calvijn vond dat Navarre koning van Frankrijk zou moeten worden. Dat zou een revolutionaire opvatting zijn geweest, ondenkbaar voor een juridisch zo conservatief man als Calvijn. Het was de bedoeling dat hij als eerste 'prins van den bloede' het regentschap over de minderjarige telg uit het huis van Valois op zich zou nemen. Calvijns kritische opstelling ten aanzien van de verzelfstandiging van de Kerk in Frankrijk zou ook de reden zijn geweest dat hij niet voor het godsdienstgesprek van Poissy zou zijn uitgenodigd, waar zijn 'alter ego' Beza zo'n belangrijke rol speelde. Tot zover Speelmans analyse, die aannemelijk overkomt. Er zijn echter een aantal gissingen en veronderstellingen die m.i. niet zonder meer hard gemaakt kunnen worden. Duidelijk is in ieder geval wel dat Calvijn vanuit Geneve de snelle voortgang van de Reformatie in Frankrijk met grote zorg heeft gevolgd, en dat hij in zijn brieven en raadgevingen voortdurend gewaarschuwd heeft om niet zo overhaast te werk te gaan. De vraag is echter of dat gegeven zo direct te maken had met Calvijns zorg inzake het gevaar van een te zelfstandige positie van de kerk ten opzichte van de overheid. Heeft Calvijn de situatie van de stadsreformatie, zoals hij die kende in Geneve, zo duidelijk als model gezien voor de reformatie van een heel koninkrijk? Alles was in de ontwikkelingen in Frankrijk zo totaal zonder precedent. Calvijn wilde het appèl op de overheid niet verliezen omdat het hem ging om de Reformatie van heel Frankrijk. Hij was bevreesd voor een overhaast succes dat in zijn tegendeel kon worden verkeerd. Dat deed hem vanuit Geneve voortdurend op de rem trappen. Maar de vraag of Calvijn met een overheid die de Reformatie positief gezind zou zijn, toch niet een voorstander geweest zou zijn van een grote zelfstandigheid van de Kerk, moet open blijven. Calvijns reserves waren wellicht meer ingegeven door een algemene vrees voor een geest van opstand, die de Reformatie en Frankrijk in chaos ten onder zou kunnen doen gaan.
Geneve of Frankrijk
In het vierde en laatste hoofdstuk wordt gesteld dat de Nederlandse calvinisten zich meer door het model van Frankrijk hebben laten leiden, dan door Calvijn inzake de vormgeving van het kerkelijk leven. Toen de periode van de vervolging voorbij was, waarin de kerken illegale gemeenten onder het kruis waren, vond de hervormingsgezinde Overheid dat zij de leiding van het godsdienstige leven wel op zich kon nemen. Een zelfstandige synodale kerkorganisatie was eigenlijk niet gewenst. De Kerk moest in een gereformeerde staat maar 'staatsorgaan' zijn. Men kon zich bij deze opvatting beroepen op de wijze waarop de verhouding Kerk en Overheid in Geneve geregeld was. De Gereformeerden wensten echter hun kerkelijke zelfstandigheid niet op te geven. Er ontstond zo een situatie waarin er een kerk bestond, die de enige erkende was van overheidswege, die bereid was met de Overheid samen te werken op vele terreinen, maar die zich de vrijheid behield om rond het avondmaal de tucht op grond van belijdenis te laten gelden. Het was een Kerk waarin allen het sacrament van de doop konden ontvangen, maar alleen de belijdende leden het avondmaal. Speelmans conclusie is dat het min of meer een Kerk was met een gemengd karakter. Enerzijds toch een kerk voor het volk, maar met trekken van een kerkelijke vereniging, waar men door toetreding lid van werd. De Kerk in Nederland had wat dit betreft meer op met haar voorbeeld in Frankrijk, dan met Calvijn, die een dergelijke vorm van zelfstandigheid niet zou hebben gewenst.
Tot zover deze boeiende studie. Het waardevolle is dat Speelman zijn thema geheel historisch heeft benaderd. We komen hier niet direct de Calvijn van de Institutie tegen. Maar het probleem is wel, dat bij de waarnemingen die worden gedaan, toch diverse interpretaties mogelijk blijven. De verklaring van Speelman maakt een consistente indruk. Toch blijven er te veel gissingen over om zonder meer te zeggen dat Calvijn ook voor andere historische situaties, waarvan hij de omtrekken zelf niet heeft gekend noch overzien, kan worden aangewend ais beslissende maatstaf Het blijft de vraag of Calvijn zich uiteindelijk toch niet meer had kunnen vinden in de wijze waarop de verhouding van kerk en staat in Frankrijk en de Nederlanden geregeld was, dan Speelman wel wil aannemen. Deze historische studie heeft overigens wel alles in zich om in de kerkelijke situatie waarin de nazaten van Calvijn heden verkeren aan het denken te zetten over begrippen als 'volkskerk', 'vaderlandse kerk' en 'belijdeniskerk'. In de tijd van een 'paarse regering' en op z'n best een neutrale overheid lijkt Calvijns beroep op de Christelijke Overheid oneindig ver weg. Wij weten er heden ten dage geen raad meer mee. Wat we van deze studie wellicht mee mogen nemen is het hartelijke besef, dat we als Kerk, ook al hebben wij een eigen zelfstandigheid, er niet zijn als vereniging voor eigen kring maar als Kerk van en voor heel het volk.
H. A. Speelman, Calvijn en de zelfstandigheid van de kerli, Kok, Kampen, 1994, 266 pag., /49, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's