Persoon en het werk van de Heilige Geest (6)
Een vorig keer schreef ik iets over de betrokkenheid van de Heilige Geest bij de roeping.
Van de roeping mag men zeggen dat zij één van de werkingen van de Heüige Geest is. Op die wijze wordt Christus en al Zijn weldaden deelachtig gemaakt.
De roeping behoort tot de orde van het heil. Zij is één van de schakels die ons aan Christus verbinden en die Christus aan ons verbinden.
Al de schakels van de keten van het heil vinden wij beschreven in Romeinen 8 : 30: En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.'
't Moet gezegd worden dat God op verschillende manieren roept. Hij kan ons roepen door middel van de schepping. Ook is er de stem van God in de geschiedenis, met name in de leiding die Hij met de volkeren inhoudt. Voorts spreekt Hij tot ons in het geweten. Dit laatste zal bij de één met meer stemverheffing zijn dan bij de ander. Het geweten van de één is niet het geweten van de ander. Er zit in tederheid en nauwgezetheid daarvan nog wel enig verschil.
Déze roeping door middel van de schepping (natuur), geschiedenis en geweten wordt wel genoemd de zakelijke roeping (vocatio realis). Hoewel zij niet zalig maakt, is op grond daarvan toch niemand te verontschuldigen. Niemand kan zeggen: 'Ik ben niet geroepen'.
Het zal ons bekend zijn dat artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis onder andere zegt dat wij God door twee middelen kennen. Als eerste middel wordt dan genoemd: de schepping, onderhouding en regering van de wereld. Daaruit kunnen wij opmaken de eeuwige kracht van God en Zijn Goddelijkheid. Van dat alles wordt ons gezegd dat zij genoegzaam zijn om ons te overtuigen en ons alle onschuld te benemen.
Wij zullen het er wel over eens zijn dat wij deze 'zakelijke roeping' niet moeten kleineren. Ook moeten wij niet als Karl Barth doen die het eerste gedeelte van artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis 't liefst maar wilde schrappen, omdat het totaal geen waarde had.
Duidelijk is er — in wat erin dit eerste gedeelte van artikel 2 staat — sprake van roeping, zelfs in navolging van de Schrift (denk maar aan Romeinen 1), doch deze roeping bindt ons niet aan Christus en Christus niet aan ons. Anders gezegd: zij leert ons door Christus niet God als Vader aanspreken, bewonderen en aanbidden.
De roeping die dit alles wel in zich heeft en waarvan de Heilige Geest zich bedient is de zogenaamde 'vocatio verbalis': de roeping van het Woord. Anders vertaald: de roeping door het Woord. Hoewel zij de zakelijke roeping niet uitsluit, gaat het toch ten diepste om de roeping door het Woord. Ofschoon ik direct aanteken — om alle misverstand te voorkomen — dat de zakelijke roeping kan leiden tot de roeping door het Woord.
Als een bril
De roeping door het Woord is zoals Calvijn dit uitdrukt als een bril. De dingen die wij vanwege de donkerheid van ons oog niet kunnen zien, worden met verlichte ogen des verstands gezien. De Schrift werkt als een bril! Wat wij niet konden lezen dan alleen bij vage schemering, komt dan ineens helder voor ons te staan.
W. L. Tukker schrijft in 'De orde van het heil' (pag. 28): 'Met de Bijbel gaan wij èn de natuur verstaan, èn de geschiedenis verstaan, en dan wordt ook ineens de spraak in ons geweten scherp gesteld door de Wet, door het Woord van God'.
Wil het Woord als een bril in ons leven werken, zo is het van uitermate groot belang dat het Woord wordt gelezen en dat het wordt gepredikt. Alleen op die manier kan er sprake zijn van een roeping door het Woord.
Als ik stel dat het Woord gepredikt dient te worden, wil ik daarmee zeggen: Wet en Evangelie, Evangelie en Wet. De klokken van het Evangelie moeten in iedere preek vernomen worden, maar die van de Wet mogen daarbij niet achtergesteld worden of helemaal niet gehoord worden.
Wat de volgorde 'Wet en Evangelie' betreft, moeten wij voorzichtig zijn. Nu eens zal in de prediking de Wet voorop gaan en dan weer het Evangelie. Dat hangt in sterke mate af van de keuze van de tekst en van de context. Maar in welke volgorde ook: in de prediking hebben zij beide een plaats. Wel maak ik daarbij nog deze opmerking, dat de Heilige Geest er geen 'hutspot' van maakt. Wat ik daarmee bedoel? De Geest Gods vermengt het Evangelie niet met de Wet en de Wet niet met het Evangelie. Hij laat krachtig en scherp de Wet preken, opdat er plaats komt voor het Evangelie.
Wellicht dat zelfs dit mag worden neergeschreven — zonder al te dogmatisch te zijn — dat de Geest in de prediking de Wet hanteert om zo ruim plaats te maken voor het Evangelie. Want dit zal waar zijn: niet de Wet behoudt ons, maar het Evangelie maakt ons zalig.
Nog niet zo lang geleden las ik een doctoraalscriptie over ds. J. P. Paauwe. Opnieuw trof mij zijn aversie tegen de kerk als instituut. Bij alle misverstand van zijn kant dienaangaande had hij echter een ding goed ' verstaan, dat het Evangelie alleen ons redt. Meer dan eens sprak hij — en zo heb ik hem ook wel horen spreken — over het voorbereidende werk van de Geest door de Wet in het leven van ons mensen. Maar nooit ofte nimmer maakte hij er een grond van. Hij gaf in z'n prediking zijn hoorders ook geen kans om er een grond van te maken. Want zodra deze gedachte bij de hoorder zou kunnen gaan leven, haalde hij direct Johannes 3 aan, waarin onder andere staat geschreven dat wie in de Zoon gelooft, het eeuwige leven heeft, rriaar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien doch de toorn Gods blijft op hem!
Bij wat ik hierboven geschreven heb over de Wet, blijft onverlet dat in de heiliging van het leven de Wet van eminent belang is. De Wet doet daarin de heiligmaking de heiligmaking zijn.
Sommigen wel, anderen niet
Waar het Woord van God uitgaat, is er de roeping van God. Ja, de roeping gaat uit tot allen die onder het Evangelie leven. Niemand is ervan uitgesloten. Nooit behoeft iemand, die op zondag in de kerk onder de Evangelieprediking zit, te denken: 'God roept mij niet. Hij zal mij wel niet bedoelen.'
Een ieder wordt welmenend en ernstig geroepen. Het Evangelie met daarin de volle Christus wordt aan de voeten van een ieder die de prediking hoort, neergelegd (Erskine). Bloedserieus (gefundeerd in het bloed van het Lam) zegt de Heere tot iedere hoorder: 'Wanneer u Mijn Zoon wilt ontvangen tot uw Heere en Heiland, kunt u Hem van Mij ontvangen. Gratis, om niet.'
Nogmaals: royaal, ruim en mild mag de Christus niet alleen maar worden voorgesteld doch aangeboden. Geen enkele prediker behoeft daarin krampachtig te werk te gaan of in de prediking met een minimaal aanbod voor de dag te komen. Schrijf ik te veel dat wij als dienaren des Woords de Heilige Geest als Persoon bedroeven doch wellicht ook in Zijn arbeid tegenstaan als de Zoon van God niet ruim en ruimschoots wordt aangeboden?
Hoe het ook zij, er staat geschreven: 'predikt het Evangelie aan alle creaturen'. Dat houdt in dat men als een heraut van de allerhoogste Koning het geluid van de Evangeliebazuin helder en krachtig mag laten horen.
Toch valt het niet te ontkennen, dat sommigen gehoor geven aan het Evangelie en anderen niet. Hoe ernstig, welmenend en liefelijk de boodschap van het Evangelie tot sommigen komt, doch het heeft geen effect op hun hart en leven. Zij blijven de Heere en Zijn Woord ongehoorzaam. In hun binnenste veranderen zij niet. De Zaligmaker wordt niet hun één en al. Als de enige troost in het leven en in het sterven doet Hij hun niets.
De voorbeelden van sommigen wel, anderen niet komen wij in de Schrift reeds tegen. Abel en Kaïn leefden beiden onder het Woord. Abel bezat het geloof. Kaïn daarentegen niet. In het gezich van Noach treft men hetzelfde aan. Allen onder het Woord, maar men gaat uit elkaar aan het Woord Gods, aan het Woord der zaligheid.
Ik geef nog een voorbeeld. Ik denk aan Ezau en Jakob. Van Ezau lezen wij dat hij geen plaats des berouws heeft gevonden. Ook is ons van hem bekend dat hij als oudste zoon de beloften Gods gedragen heeft, maar dat hij deze belofte verkocht heeft voor een schotel linzenmoes. Jakob daarentegen heeft met de beloften geworsteld en hij heeft het bij Pniël mogen zeggen: 'Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest.'
Wat wij in de Schrift lezen, kunnen wij ook in de kerkgeschiedenis lezen. Trouwens, het is in onze tijd ook volop op te merken. Ik geef een voorbeeld uit het pastoraat.
Van jongsaf zijn alle kinderen van een gezin trouw naar de kerk gegaan. Allen hebben onder één en hetzelfcie Evangelie gezeten. Allen zijn welmenend geroepen. En dan ziet men het voor ogen dat twee van de zes kinderen de Heere van harte liefhebben en door de Heilige Geest de Zaligmaker als hun Heere en Heiland hebben leren omhelzen en dat er bij de anderen geen enkel spoor van nieuw leven is te ontwaren. Soms moet zelfs helaas opgemerkt worden dat die kinderen de wereld zijn ingegaan en daar een puur 'werelds' leven leiden alsof zij nooit onder het Evangelie hebben gezeten en nooit welmenend en bloedserieus zijn geroepen.
De oorzaak
Wat is toch de oorzaak van sommigen wel, anderen niet. Hoe komt het dat de één zegt met heel z'n hart: 'Ik zal U al mijn liefde waardig schatten, omdat Gij mijn rechterhand wilde vatten', terwijl de ander zich bij de los-van-God-beweging aansluit?
Op deze vragen is geen ander antwoord te geven dan dat wij hier te doen hebben met de Soevereiniteit van God. Buiten deze Soevereiniteit om kan de Heilige Geest niet werken. Het kan om deze reden niet, omdat Hij deel uitmaakt van de Soevereiniteit Gods. En zoals ik reeds eerder in een artikel heb aangehaald is er in de drieënige God geen 'tegenover'. Drie is Een én Een is Drie!
De Soevereiniteit Gods is dus de diepste oorzaak dat de één gehoorzaamt, de ander daarentegen zich van de roepstem Gods afwendt.
Ik kan het ook nog anders zeggen. De roeping die uitgaat is één. De uitstraling daarvan, het effect is verschillend. De één raakt erdoor ondersteboven, de ander blijft een stenen hart behouden. Het is niet verkeerd om hierover een uitwendige en inwendige roeping te spreken, als men dan maar niet de één boven de ander stelt. Want de inwendige roeping is altijd een gevolg van de uitwendige roeping door de Heilige Geest. Nogmaals: het is wellicht beter te spreken over één roeping met verschillende uitwerking.
Dat wil iintussen niet zeggen dat als de roeping géén effect heeft, deze roeping geen zeer ernstige roeping van God zou zijn.
Dat is zij wel. Onze Dordtse Leerregels doen daarover geen onduidelijke uitspraken als zij onder andere ons voorhouden dat de Heere roept met name in de prediking van het Woord tot zaligheid, tot het komen tot Jezus Christus. God roept door de Heilige Geest om ons door de Heilige Geest te laten bearbeiden tot zaligheid. Er staat zo mooi in de Leerregels geschreven: 'Die God roept, die roept Hij ernstig en die Hij roept, die roept Hij om tot Hem te komen'. Om door de Geest Jezus te omhelzen, doch daarover een volgend keer!
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's