Persoon en werk van de Heilige Geest (7)
Een vorige keer wees ik erop dat het niet de schuld van God is als men de genade verwerpt. Een ieder die door de Heere wordt geroepen wordt ernstig en welmenend geroepen. Wanneer Hij belooft door Zijn Geest het heil te schenken is dit een gewisse (vaste en zekere) belofte waaraan volstrekt niet getwijfeld behoeft te worden. De Heere is geen man dat Hij liegen zou. Wat uit Zijn mond uitgaat blijft vast en ongebroken!
Ook is het niet de schuld van Christus als men de genade verwerpt, c.q. van de hand wijst. Niemand kan ooit zeggen dat hem Christus niet is aangeboden. In het lezen van de Schrift, in het gepredikte Woord wordt Hij vele, vele malen aangeboden. Anders gezegd: Hij dient Zich èn in de lezing van de Schrift en in de prediking aan. Hij zegt: 'Wilt u Mij hebben'?
Hoe welmenend Christus Zich aanbiedt is met geen woorden uit te drukken. Deze aanbieding is zeer welmenend. Thomas Boston (een theoloog uit Engeland) heeft daarvan eens gezegd: 'Het hardste (d.i. het luidste) woord dat Christus tot een zondaar zegt is: 'Kom'. Wellicht zou men zo'n zin uit de mond van Boston niet verwacht hebben, maar hij staat dan toch maar zwart op wit te lezen.
Laten wij niet vergeten: wanneer Christus aan het kruis hangt, dan hangt Hij er met uitgestrekte armen als een belichaming van heel het Evangelie. Die uitgestrekte armen willen ons zeggen: 'Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen'.
Kort samengevat: Eenieder wordt welmenend, vriendelijk en serieus geroepen. Wie niet hoort d.i. gehoorzaamt is het eigen schuld.
Wie daarentegen tot Jezus komt en wie Hem omhelst in het geloof, heeft dit enkel en alleen te danken aan Gods genade. Achteraf zal men zeggen: 'Het is niet desgenen die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods.
Woord en Geest
Met grote klem wil ik er nog eens op wijzen dat men Woord en Geest niet van elkaar los moet maken. In de Schrift zelf vinden wij daarvoor geen enkele aanleiding. Terecht schrijft Calvijn dan ook: 'De Schrift duldt niet dat men Woord en Geest van elkaar scheidt, omdat zij steeds de dienst van mensen met de verborgen werking van de Heilige Geest verbindt. Wij hebben uit het gehoor van het Woord alleen geen nut zonder de genade van de Heilige Geest: de Geest wordt ons geschonken, die niet ons het Woord leert verachten, maar die het geloof in het Woord in ons verstand indruppelt en in onze harten inschrijft; . De Heilige Geest doet dus geloven onder en door het Woord. Met een bijzondere werking komt Hij door het Woord in ons hart.
Vanzelfsprekend is het ook voor Calvijn een vraag geweest hoe het toch komt dat de één voor het Woord buigt en de ander niet. Temeer klemde deze vraag voor hem, omdat zowel de één als de ander hetzelfde Woord hoorde. In zijn Institutie III. 1.4 en III.2.34 schrijft hij daarover als volgt: 'Het Woord van God is wel voor degenen aan wie het verkondigd wordt gelijk een zon, die allen bestraalt, maar zonder enige vrucht onder de blinden. Van nature zijn wij in dit opzicht allen blind en daarom kan het Woord van God niet tot ons hart doordringen, tenzij de Geest, de inwendige Leermeester, door Zijn verlichting de toegang daartoe baant. Hij alleen opent de ogen van onze geest en wordt daarom te recht de Sleutel genoemd, waarmee ons de Schatkamers van het Koninkrijk der hemelen geopend worden'.
Het zal duidelijk zijn dat Calvijn over dit alles nog veel meer geschreven heeft. Niet voor niets wordt hij de theoloog van de Heilige Geest genoemd. Wie daarom meer over dit alles wil lezen nemen de Institutie ter hand.
Verheerlijking van Christus
Ik meen er voldoende op gewezen te hebben dat één van de werken van de Heilige Geest de roeping is.
Van hoeveel belang echter de roeping is — en zij kan niet gemist worden; toch is het eigenlijke werk van de Geest méér. Zijn eigenlijke werk is: Christus verheerlijken! De Heilige Geest maakt door het Woord plaats in ons leven voor het vleesgeworden Woord. Hij doet dit niet slechts één keer, maar telkens weer. Rustig en kalm gaat de Geest daarin te werk. Terecht heeft A. A. van Ruler de opmerking gemaakt, dat de Geest een mens niet aanrandt. Telkens doet Hij op één facet van Christus en Zijn n werk het licht vallen. Heel het heil, alles or wat Christus verworven heeft wordt toegepast, maar dat gaat niet in één keer. Als een wijs Leermeester gaat de Geest daarin gefaseerd en gedoseerd te werk.
Maar hoe gefaseerd en hoe gedoseerd de Geest werkt, dit is zéker: Hij wekt een groot verlangen in de ziel naar Jezus toe; Hij trekt naar Jezus.
Wie dit ervaart (bevindt) dat de Geest op die wijze werkt in zijn leven, komt niet naar de kerk om zijn naam te horen noemen, maar die schaart zich onder het Woord om de naam van de Ander, Jezus, te horen.
't Is om die reden dat ik stel dat overal en altijd Christus móet worden verkondigd. Een kind móet kunnen zeggen: 'wat houdt die dominee veel van de Heere Jezus, want hij spreekt zoveel en zo goed en zo mooi over Hem.'
Het is althans geen best teken als een kind van twaalf jaar uit de kerk thuiskomt en als antwoord op de vraag van z'n vader waarover dominee heeft gepreekt, alleen dit zegt: 'Hij heeft over de zonde gepreekt'. Hiermee wil ik vanzelfsprekend niet beweren dat er niet heel concreet over de zonde gesproken moet worden. Als dan maar wel het spreken over de genade de overhand heeft. Immers, de genade is meer, veel meer dan onze zonden. Zou dit niet het geval zijn, zo zou Christus en Zijn werk in de prediking niet rijk uitgestald kunnen worden. Maar nu kan het, nu mag het, want er is om met een variant op een boekje van Bunyan te spreken: genade overvloeiende! Er kan beter teveel over Christus gepreekt worden dan te weinig. Alleen... kan er ooit teveel over Hem gezegd worden? En hoort iemand ooit teveel over Hem? Met name als het hart naar Hem uitgaat en de Geest naar Hem trekt?
Laat Christus maar rijk gepreekt worden. Onder andere in zijn drie ambten. Als Profeet wil Christus ons alles leren. Als Priester is Hij tot een verzoening voor al onze zonden gegeven. Als Koning is Hij er om ons te bevrijden en te beschermen.
Wat kan men ook in de prediking een troost en een bemoediging ondervinden als de Heilige Geest het licht laat vallen op de namen van de Zoon van God. De Geest van God laat immers de heerlijkheid van Christus oplichten in Zijn namen. Ik denk — om er een aantal te noemen — aan namen als 'de Zoon des mensen', 'de Leeuw uit de stam van Juda', 'het Lam Gods', 'de Goede Herder' etc.
Er is zoveel in Christus zelf alsmede in het heil dat Hij heeft verworven, dat het niet in één preek is uit te drukken. En wellicht zelfs niet in al de preken die gehouden zijn, of nog gehouden zullen worden. Wat zeker is: Christus en Zijn heil gaat ons verstand te boven. Maar ook dit is zeker: Wie door de Geest in het geloof ooit eens Christus heeft omhelsd, komt nooit weer van Hem los. Men is voorgoed verloren. Dat wil zeggen: men hééft zich verloren aan Hem. Ook móet gezegd worden, dat men op Hem nooit uitgekeken raakt. Het komt in het leven van iedere dag wel voor dat om een of andere oorzaak een man op z'n vrouw of omgekeerd een vrouw op haar man uitgekeken raakt. Dat zijn heel verdrietige zaken, die ook onder ons zich voordoen. Maar als de Heilige Geest ons Jezus Christus laat zien, telkens weer laat zien, raken wij op Hem nooit of te nimmer uitgekeken. Hij is ons een en al. Dat kan het zijn dat men met een B. Smytegelt zegt: 'Armen en benen kan ik missen, maar Jezus Christus kan ik niet missen.'
Toeëigening
Het valt niet te ontkennen, dat velen in onze gemeenten het moeilijk hebben met de toeëigening. Zij durven niet te zeggen dat zij het eigendom van Jezus Christus zijn. Zij tobben heel wat af, maar veel verder komen zij niet.
Het zal duidelijk zijn dat dit in de prediking en in het pastoraat alle aandacht verdient. Het vraagt van de ambtsdragers natuurlijk ook wijsheid om na te gaan of men werkelijk met de toeëigening en daarmee met de heilszekerheid 'zit'. Het zal niet vaak voorkomen, maar toch gebeurt het wel eens, dat men uit een zekere rechtzinnigheid zegt dat men het er zo moeilijk mee heeft. Iets dergelijks te zeggen staat of is dan interessant. Daaruit moet blijken dat men niet helemaal onverschillig tegenover God en Zijn dienst staat. Werkelijkheid en schijn liggen soms heel dichtbij elkaar. Om die reden heeft een ambtsdrager wijsheid van Boven nodig om dit te onderkennen. Want alle 'zware praat' is nog geen 'ware praat'. Maar er kan nog een andere oorzaak zijn dat mensen zeggen dat zij het moeilijk hebben met de toeëigening, terwijl zij — naar ik meen — daarvan zelfde oorzaak zijn. Wanneer er onbeleden zonden tegenover de Heere zijn, of als men in twist of wrok met de naaste leeft, kan de Heilige Geest Christus in het hart niet verheerlijken. Voor Christus en Zijn heil moet plaats zijn. En voor Hem en Zijn werk is er geen plaats als het tussen God en de naaste niet 'vlak' ligt.
Ik gaf slechts een enkel voorbeeld waarom er van toeëigening geen sprake kan zijn. Het zou met tientallen voorbeelden zijn uit te breiden. Kort samengevat stel ik: wat betreft de toeëigening kan de mens zelf de Geest in de weg staan. Nauwkeurig onderzoek is dienaangaande nodig.
Uit de aard der liefde neem ik aan — en zo ervaar ik dat zelf als ambtsdrager — zijn er toch velen die met de toeëigening werkelijk worstelen. Zij kennen hun schuld en zij durven niet te ontkennen dat er in hun leven nooit 'iets' zou zijn geweest, maar toch... zij durven niet met Van Alphen te zeggen: 'Ik zal mijn hand op Jezus leggen; amen op Zijn offer zeggen'. Meer dan eens hoorde ik iemand in alle oprechtheid zeggen: 'Het is geen kwestie van pakken, maar van krijgen door de Heilige Geest'. Ik denk dat dit juist gezegd is. De Geest reikt aan. De Geest deelt uit. Hij past toe. Hij doet in al de weldaden en schatten van Christus delen. Ja, Hij maakt Christus Zelf tot eigendom.
Nu is de vraag, hoe doet de Geest dit? Hoe eigent Hij toe? Het antwoord op deze vraag is uit de Schrift zelf te geven. In Johannes 16 : 14 lezen wij: Die zal Mij verheerlijken: want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen'. Het woord verkondigen kunnen wij ook vertalen met nader bekend maken.
In de toeëigening gaat het er zo aan toe, dat de Geest ons de Zoon van God (Christus) zo dichtbij brengt, dat wij niet meer om Hem heen kunnen. Maar let wel: ook niet meer om Hem heen willen. Het is niet zo dat wij Christus tegen onze zin en tegen onze wil in gaan toeëigenen. Wanneer Christus ons zó nabij wordt gebracht in de verkondiging, dat wij niet meer om Hem heen kunnen, willen wij niet anders dan Hem in het geloof omhelzen. Wij doen dit nog graag ook, omdat Hij alles voor ons is. Wat zéker is: de Heere heeft in de dag van Zijn heirkracht een gewillig volk. Maar ook dit is juist gesteld als er gezegd wordt, dat een mens wel móet geloven als Christus hem door de Geest zo nabij wordt gebracht. De Geest werkt dan ook onwederstandeiijk (onweerstaanbaar, niet te stuiten en niet tegen te houden).
Wanneer Christus en al Zijn schatten en weldaden worden verkondigd en de Geest richt ons oog (geloofsoog) op Hem en op wat Hij heeft verworven, komen wij er niet van los. (Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's