Uit de pers
Bijbel en gedicht
Via een recensie van Dirk Zwart in het Centraal Weekblad van 9 juni 1995 werd ik attent gemaakt op een boek dat Huub Oosterhuis samenstelde onder de titel 'En al mijn levensdagen stonden in Uw boek' (uitg. Kwadraat Educatief). Aan deze omvangrijke bloemlezing gaf Oosterhuis de ondertitel mee 'gedichten naar de Bijbel uit de twintigste eeuw'. Oosterhuis, studentenpastor in Amsterdam, verbonden aan het centrum voor religie en cultuur De Rode Hoed in deze stad en zelf bekend dichter, zegt dat hij 'de meest boeiende moderne gedichten over de bijbel' heeft bijeengebracht. Uit de bespreking van Dirk Zwart lichten we het volgende fragment:
In plaats van 'gelovige teksten' bijeen te garen, heeft Oosterhuis willen laten zien, hoezeer de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie verbonden is met en geworteld is in de bijbel. Hij heeft een boek willen maken, dat bruikbaar is 'zowel in literatuur-als in godsdienst-of filosofielessen, op scholen met of zonder de bijbel'. De bloemlezing bevat zodoende, naast poëzie van christen-dichters, nogal wat poëzie van dichters die 'in discussie (gaan), soms op de vuist, met de bijbel, en met de god van dat boek', zoals Oosterhuis formuleert. Er staan gedichten in, die ingaan tegen de bijbel, of die een afscheid van het geloof verwoorden, zoals 'Gedragen kleding (3)' van Jan Eijkelboom: 'Ik heb dat rare geloof/ als een jasje uitgedaan.' In dit gedicht wordt niet het geloof in God, maar juist het ontworstelen daaraan als een 'redding' ervaren: 'te nauwer nood gered'.
Commentaar
Interessant is, dat Oosterhuis al die — al of niet met de bijbelse inhoud instemmende — gedichten niet zomaar achter elkaar gezet heeft, maar heeft ondergebracht bij specifieke bijbelteksten, die in de linkermarge op volgorde zijn gezet. Zo begint de bloemlezing, die is verdeeld in tien grote hoofdstukken (van 'In den beginne' via onder meer 'Een joodse man' en 'Een sterk verhaal' — waarmee de opstanding van Christus wordt bedoeld — tot 'De jongste dag') met een fragment van Gerard Wijdeveld, waarbij in de kantlijn Genesis 1:1, 'in den beginne' staat genoteerd. Bij het daaropvolgende gedicht van Leo Vroman staat Genesis 1:1-2, 'In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg, duisternis lag op de vloed.' Enzovoort, de hele bijbel door. Talloze bijbelteksten krijgen zo hun poëtisch commentaar uit de twintigste-eeuwse, Nederlandse poëzie.
Vaak is het verband tussen bijbeltekst en gedicht overduidelijk. Een gedicht over Abraham of een gedicht waar Abraham in voorkomt, wordt ondergebracht bij een bijbeltekst over Abraham. Logisch. Maar wordt het niet wat willekeurig, als Oosterhuis gedichten over bepaalde dieren simpelweg gaat onderbrengen bij teksten over de schepping van dat soort dieren? Zo zijn 'De zalmen' van Ida Gerhardt en Vis' van Judith Herzberg, waarin op geen enkele manier een verbinding wordt gelegd tussen het dier en zijn Schepper, ondergebracht bij de tekst Genesis 1:21, '... en alle krioelende wezens, soort na soor^...'
Hadden hier ook niet talloze andere gedichten over vissen en andere krioelende wezens kunnen worden afgedrukt?
Een goed voorbeeld van de verregaande wijze waarop Oosterhuis verbindingen maakt tussen poëzie en bijbel is dit gedicht van Paul van Ostaijen:
Leg uw hoofd zo in mijn arm
dat van uw voorhoofd naar uw mond mijn blik schuive
over de kam van uw neus
Leg uw hoofd zo ik leg op uw mond mijn hand
wees rust
Is dit een gedicht 'naar de Bijbel? ' Waarbij dan? Volgens mij is dit niets meer of minder dan een liefdesgedicht. Oosterhuis brengt het onder bij de tekst Lucas 23 : 44-45, 'Het was middag —het zesde uur na zonsopgang. Duisternis viel over heel de aarde. Dit duurde tot aan het negende uur. De zon werd verduisterd.' Past dit gedicht bij Jezus' kruisiging op Golgotha? Hoe men deze vraag ook beantwoordt, had Van Ostaijens gedicht 'Golgota' hier sowieso niet veel beter kunnen staan?
Het gaat me hier verder niet om een beoordeling van deze bloemlezing. Ik vermeld dit als informatie aan belangstellenden voor poëzie, juist ook hedendaagse poëzie. Niet als zou dat allemaal zo christelijk zijn, maar meer om aan te geven hoe toch nog altijd de bijbel onderhuids een bepaalde rol lijkt te spelen.
In een gesprek van Jan Goossensen met samensteller Huub Oosterhuis in Hervormd Nederland van 17 juni 1995 geeft deze aan, wat zijn bedoeling is met deze uitgave.
Literatoren, leraren, theologen en uitgevers zien nut van een bloemlezing bijbelse poëzie wel in. Maar is er ook interesse van de kant van de lezers?
'Ik heb een vage hoop dat een bloemlezing als deze de belangstelling voor bijbelverhalen kan stimuleren. Er zijn gelukkig nog genoeg milieus, waar die interesse nog steeds wordt gevoed. Er zijn goede kinderbijbels, zij het dat velen van de jongere generatie ook die niet meer onder ogen krijgen. Het is mijn overtuiging, dat de bijbel tot de grote wereldliteratuur behoort. Lezen is altijd herkennen. In de bijbelverhalen herken je je eigen bestaan.'
Preekt u met deze bloemlezing hoofdzakelijk voor eigen parochie, of denkt u ook anderen te kunnen bereiken?
'Dat laatste hoop ik ook. Overal neem ik waar dat mensen, ook jongeren, geboeid raken door de zeggingskracht van de bijbelse verhalen. Ook mensen die vaag of modieus religieus zijn. Hun vragen worden soms vervuld als ze op een nieuwe, niet-fundamentalistische manier in contact komen met de bronnen van de joodse inspiratie. Ik maak dat zo vaak mee, dat ik nog steeds gemotiveerd ben liederen en boeken te maken. Ik doe dat nu vijfendertig jaar. Als ik niet meer gemotiveerd ben, houd ik er direct mee op.'
Poëzie is wel een moeilijk communicatiemiddel
'Poëzie is inderdaad een moeilijk artikel. Het is ook de meest intense taalvorm. Ik vind dat het een levensopdracht moet zijn om poëzie te leren lezen. Ieder blad moet gedichten afdrukken. In Hongarije en andere Oosteuropese landen zie je mensen in de bus gedichten lezen. Ook in de Afrikaanse en Aziatische cultuur staat poëzie dichter bij het leven dan hier Ik merk dat aan allochtone jongeren in Amsterdam. In De Rode Hoed werken we samen met vier grote middelbare scholen. Op dinsdagmiddag zitten hier dan zo'n tweehonderd kinderen tussen de vijftien en achttien gedichten voor te lezen die ze zelfgeschreven hebben. Dat is een geweldige ervaring. Een moslimmeisje — scholier — dat thuis een baby heeft, draagt een gedicht voor over liefde.'
Welke accenten hebt u gelegd in uw bloemlezing
'Aan de hand van bijbelteksten, die in de marge staan afgedrukt, heb ik een keuze gemaakt uit gedichten die herkenbaar op het thema slaan. De gedichten heb ik rond grote thema's gegroepeerd, die globaal de lijn van de bijbelverhalen aangeven. Om enkele te noemen: in den beginne, de tuin en de vloed, het huis van David, een joodse man, een sterk verhaal. De titel. En al mijn levensdagen stonden in Uw boek, is ontleend aan een vertaling van mijn hand van psalm 139.'
Heeft u voorkeur voor bepaalde dichters?
Van Jacob Israël de Haan heb ik veel opgenomen. Minder van Willem de Mérode; ik houd niet zo van zijn gedichten. Van Nel Benschop heb ik helaas niets kunnen vinden dat bruikbaar was. Ik heb ook gedichten geselecteerd van Muus Jacobse, een man die wel in het Liedboek voor de kerken voorkomt, maar die helaas uit de boekwinkels verdwenen is. Hij heeft prachtige poëzie geschreven. (...)
Verwacht u dat van deze bloemlezing een stimulans voor de poëzie uitgaat?
'Gedichten moet je voorlezen. Dat geeft altijd veel vrolijkheid. Ik heb indertijd Poëzie Hardop opgericht, bijeenkomsten waar gedichten werden voorgedragen. Vergeet niet dat voorlezen bij kinderen het voorstadium is van zelf lezen. Dat heb ik met Poëzie Hardop ook gemerkt: men ging vervolgens zelf gedichten lezen. De tijd breekt aan dat het voorlezen wordt herontdekt. Ik heb de uitgever al gezegd, dat ik bereid ben met mijn bundel scholen langs te gaan. Overal worden voorleesfestivals gehouden. Als Mozart nog steeds vertolkt wordt, waarom dan niet, laten we zeggen, Lucebert? het Gedichten hebben stemmen nodig.'
Al eerder stond in Hervormd Nederland (27 mei 1995) een gesprek te lezen met de dichter-historicus Jan Willem Schulte Nordholt. Hij vertaalde Engelstalige gedichten waarin geprobeerd wordt 'het raadsel mens' tot een oplossing te brengen ('De stille, droeve mensenmelodie/The still sad music of humanity' uitg. De Prom).
De titel van deze bundel De stille droeve mensenmelodie, is ontleend aan een gedicht van de romantische Engelse dichter William Wordsworth. Waarom koos u juist voor deze regel?
'In de eerste plaats omdat het een mooie regel is. Maar ook, omdat ik mijn hele leven al bezig ben met de vraag wat mensen nou eigenlijk zijn. Dat vond ik bij Wordsworth prachtig uitgedrukt. Hij wandelde in een schitterend dal in Wales en zag in de natuur de ruïne van een abdij. Hij besefte daar hoe vergankelijk alles is, terwijl de natuur maar blijft voortgaan. Hij besefte ook hoezeer het menselijk tekort altijd en overal aanwezig is. Over het menselijk tekort gaan vrijwel alle gedichten, maar zeker de gedichten in deze bundel.'
De titel zegt aan de ene kant iets over de samenhang tussen de gedichten. Maar hij zegt ook iets over u zelf: u heeft hem gekozen. Wat spreekt u zo aan in dit thema?
Van jongsaf aan heb ik me een beetje beklemd gevoeld door wat la condition humaine wordt genoemd, terwijl ik eigenlijk een vrolijke en optimistische aard heb, vermoed ik. Daarnaast heb ik altijd beseft dat we maar mensen zijn. Onze machteloosheid heeft me altijd getrokken. Als jongen las ik die beroemde regel van Pascal: Jezus Christus zal in doodstrijd zijn tot het einde der wereld. Dat vond ik zo treffend. Ik begreep toen, dat het hele christendom daarover gaat: over onze onmacht. En over het vermoeden dat er misschien iets is dat ons daar bovenuit helpt.'
Dat droevige klinkt door in de mensenmelodie?
'Jazeker. De dichters die ik heb vertaald, hebben zich in het algemeen niet beziggehouden met het schrijven van cabaretliederen.'
U bent historicus, Amerika-kenner, dichter en ve taler, maar ook een gelovig man. U maakte 79 be werkingen voor het Liedboek voorde kerken. In de ze bundel zit opnieuw veel religieuze symboliek. I dat een bewuste keuze?
'Ja. Wat ik geloof en betwijfel — die twee dingen horen altijd bij elkaar — staat in deze bundel. Ik zou niet kunnen leven zonder de taal waarin ik ben opgevoed. Maar ik kan er ook niet mee leven, dat is het probleem. Daarom lees ik poëzie.'
Wat hebben poëzie en godsdienst dan met elkaar te maken?
'Voor mij zijn dingen pas waar wanneer ze op een samengebalde, kernachtige doordringende manier worden gezegd, dus in goede poëzie. Ze zouden dan eigenlijk ook gezongen moeten worden. Soms kom ik nog wel eens in de kerk, maar dan kan ik de preek meestal wel missen. Als er een lied wordt gezongen dat me lief is, ben ik getroffen en betrokken. Dat zeg ik ook ergens in een gedicht: slechts mijn zingen geeft me de zekerheid dat Hij er is.'
De bundel, aldus het gesprek, eindigt met een lied over vogels van Wallace Stevens en daarin klinkt een moderne toonzetting van de eeuwenoude, droeve mensenmelodie.
Aantekeningen over poëzie
Er verschijnen gelukkig ook boeken met toelichtingen bij gedichten. Uiteraard blijft dat altijd het resultaat van een persoonlijk lezen en beleven van de ter hand genomen poëzie. Interpretatie van een gedicht heeft iets subjectiefs. Een ander kan er soms iets heel anders in horen. Eén van degenen, die vandaag over poëzie publiceert, is Wiel Kusters, zelf ook dichter en schrijver van literaire kritieken in o.a. NRC-Handelsblad. Onlangs verscheen zijn 'Ik graaf, jij graaft.. Aantekeningen over poëzie'. In het reformatorisch opinieblad Koers van 7 juni 1995 heeft Tjerk de Reus een gesprek met hem. Erboven staat een uitspraak van Kusters uit het hier geciteerde gesprek 'Poëzie is als dikke soep'. Voor veel mensen ligt hier een stuk weerzin om aan het lezen van echte poëzie te beginnen: je komt er niet doorheen, je dringt er niet in door.
Na kennis genomen te hebben van dit boek dat zoveel aandacht voor poëzie opeist, dient zich een vraag aan: wat kan poëzie eigenlijk voor je betekenen? Wat levert het je op?
'In antwoord daarop moet ik meteen een groot woord gebruiken: het woord "houvast". Voor mij is poëzie een houvast. Niet in die zin dat mijn hele bestaan ervan afhangt, want ik heb mensen om mij heen van wie ik houd en misschien vormen die wel m'n allereerste houvast. Maar poëzie is iets wat al heel snel daarna komt. Toen ik gedichten begon te schrijven, heb ik voor het eerst gemerkt dat poëzie iets is waardoor je de wereld om je heen kunt verduidelijken en dichterbij halen. Maar net zo goed geldt dit voor het lezen vari gedichten.
"Wel is er een bepaalde "bewustzijnstoestand" voor nodig, om goed poëzie te kunnen lezen. Of het gedicht voor je op de bladzijde open is of juist potdicht, hangt samen met je eigen open of dicht-zijn. Dat geldt trouwens niet alleen voor poëzie, dat geldt ook voor proza of een stukje uit het Johannes-Evangelie, of voor een overpeinzing van Augustinus of wat dan ook.' 'De ervaring datje op een gegeven moment toegang hebt tot het vers, hangt enorm vast aan de taal en aan het wonder dat we die hebben. Het hangt samen met fascinatie voor de taal, waarmee op een bepaalde manier de kern van je mens-zijn gegeven is. Juist omdat de taal zo verweven is met het feit dat we mensen zijn, vinden we daar ook ons houvast in. Zoals we om onze ruggegraat heen gebouwd zijn en daarop vast zitten, ons daarop vastgehecht hebben, zo zijn we ook vergroeid aan die ruggegraat van taal.'
Op de vaak geringe toegankelijkheid van veel moderne poëzie wijst Tjerk de Reus ook in een vraag die hij daarover aan Wiel Kusters stelt. Deze merkt dan het volgende op:
'Het is erg jammer dat dat zo is. Maar als je niet in de gelegenheid bent om na je middelbareschooltijd op een bepaalde manier met poëzie bezig te blijven, dan kan het kinderachtig lijken en moeilijk leesbaar zijn. Velen denken: "versjes! wat moet ik daarmee? Ik snap er niks van". Maar ik denk dat als je moeite blijft doen en echt wil, dat je thuis kunt raken in de wereld van de poëzie.'
'Je kunt ontdekken dat dichters geen onzin schrijven. Ze schrijven niet zomaar iets op. Het zijn vaak heel doorwrochte, geconcentreerde denkbeelden. Dikke soep, geconcentreerde soep eigenlijk. Dat kan best moeilijk slikken zijn.'
Moeilijk
'De "moeilijkheid" heeft dus vaak als oorzaak iets onvolgroeids in de lezer. De andere kant van het verhaal is echter dat de poëzie zelf moeilijker is geworden. Veel mensen, vaak ouderen, hebben wel met plezier vooroorlogse dichters als Slauerhoff en Nijhoff gelezen, maar daarna zijn ze de draad kwijtgeraakt' 'Poëzie moet de oorzaak daarvan ook bij zichzelf zoeken. Poëzie is Iets zelfstandigs geworden. Tot ver in de negentiende eeuw hoorden wetenschap, godsdienst en kunst bij elkaar. In de loop van de tijd zijn het echter allemaal afzonderlijke domeinen geworden. Vanaf het moment dat dat gebeurt en dus de samenhang verdwijnt begint het ook allemaal een beetje in zichzelf te tollen. Dat geldt ook voor de theologie. Het geldt voor veel dingen. Maar bij kunst merken we dat misschien het duidelijkst'.
Christelijke poëzie
Getuigenispoëzie, zoals die van de miljoenendichteres Nel Benschop, heeft een duidelijke boodschap en is daardoor voor veel mensen wel bevattelijk. Kan een boodschap samengaan met poëzie?
'Ja, waarom zou dat elkaar niet verdragen, een boodschap en poëzie. Maar als die boodschap ééndimensionaal is, dat wil zeggen zó op te lepelen vanuit het gedicht waarna het gedicht leeg is, dan sterft het gedicht aan zijn boodschap. Die boodschap is dan ook niet heel erg rijk. Iemand kan er voor dat moment iets aan hebben, maar als je het tot je genomen hebt, dan is het op. Dat gevaar dreigt al gauw bij poëzie die expliciet de geloofsleer volgt.' 'Er is heel veel religieuze poëzie mogelijk en ook christelijke, zonder dat die expliciet over geloofszaken behoeft te gaan. Ik denk dat dat eigenlijk de kunst is. Daarmee is niet gezegd, dat dat andere niet zou mogen bestaan, maar ik denk dat er christelijke poëzie mogelijk is — en zelfs op zijn best mogelijk is! — zonder dat ze een soort verkondiging is. Christelijke poëzie moet niet vervallen tot luchtfietserij en zweverigheid en het verlangen naar een soort pure spiritualiteit'
'Genegenheid en respect voor de dingen en tegelijkertijd er een beetje doorheen kijken. Daar gaat het om.'
En met die laatste opmerkingen van Kusters zijn we weer terug bij de invalshoek van Oosterhuis voor zijn bloemlezing. We laten het verder aan uzelf over aan wie u de voorkeur geeft: Nel Benschop of Ida Gerhard, om slechts twee namen te noemen.
P.S. Hervormd Nederland is elke week in de kiosk verkrijgbaar.
Koers, adres: Roskammersteeg 4, 6741 BV Lunteren, tel. 08388-4900.
Centraal Weekblad, adres: Postbus 690, 8901 BL Leeuwarden, tel. 058-987561.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's