Globaal bekeken
Ter gelegenheid van 'Vier eeuwen hervormde gemeente van Huizen' werd een gedenkboek uitgegeven (drukkerij J. Bout en Zn.). Daaruit nemen we over wat dr. A. van Brummelen schrijft onder het kopje 'Een karakteristiek met het oog op Huizen'.
1. Men kan zeggen, dat in de regel de doperse geest verschijnt, wanneer tegenover de verstening en de ongeestelijkheid van het kerkelijk instituut een meer geestelijke beweging opkomt, die de Schrift omhoog heft, maar zich nu inbeeldt, dat zij, door de Geest geleid en met behulp van de Schrift, van de grond af aan de religie zal kunnen gaan opbouwen, doorsnijdende de band met de ontwikkeling der dingen in de vorige eeuwen en verstoken van de voorlichting van een grondige theologie. Vormendienst heeft alle geestelijke gloed verdoofd; theologische wetenschap is ontaard in dorre scholastiek. Daartegen verheffen zich de dopersen. Maar de doperse geest zoekt nu niet verlevendiging binnen het bestek der gemeenten en de ambten, maar in conventikels, gezelschappen en kringen. Deze zijn erin Huizen vele geweest, maar zij hebben niet alle tot zegen gearbeid. Integendeel, er heeft zich zo hier en daar een elitair bewustzijn gevormd, dat ging heersen in de gemeente. leder moest gemeten worden naar een bepaalde maatstaf. De gemeente-theologie richtte zich niet naar de officiële prediking in vele gevallen, maar naar de opzienbarend bekeerden.
2. In verband met het vorige punt tekenen wij nu een andere lijn. De deelachtingmakende werking van de Geest ligt naar Gods Woord in de hartelijke oefening der gemeenschap met het lichaam van Christus, in de kerkdienst, in het gebruik van de sacramenten en vele andere instellingen. Nu zijn de geestelijke dingen daarin niet vanzelf ingesloten, het is geen automatisme. De Heere paart naar Zijn vrijmacht er het leven aan. De dopersen daarentegen achten dat al maar uitwendige vormen. Een geestelijk mens hecht daar niet zo aan. Het inwendige licht en de inwendige drijving en kracht van de Geest - dat is het één en al. Intussen - dit loopt er op uit, dat men met dat inwendig licht over de Schrift heenging. Men gaat leven op invallende gedachten, op voorkomende beloften die alle verband met de behoeften, waarin wij verkeren, hebben verloren. Daarbij stellen de dopersen de kennis van God en Zijn dienst in het gevoel en voordat u het weet slaat nu het primaat van het gevoel om in een mateloos ontketenen en loslaten van het vlees. Grondige kennis wordt van weinig waarde geacht. Men leeft veel meer bij extra-ordinair te binnen schietende woorden dan bij de organische ontvouwing van Gods Woord in een belijdenis.
3. De dopersen verachten alle dingen die tot het natuurlijke leven behoren. Zij zijn spiritualisten. Zij scheiden natuur en genade. Het geschapen leven, het burgerlijk terrein, de overheid, het beroepsleven - ach, men vervult wel zijn taak omdat het nu eenmaal moet. Maar het is geen Goddelijke roeping om het openbare leven te heiligen. Dat God ook in de historie werkt zagen de dopersen niet. Het gaat alleen maar om het nieuwe rijk Gods. Zo valt het ons in de gemeente op, hoe weinig historiebesef er is. Er heerst daarentegen een ondernemingslust van buitengewoon formaat, een vemieuwingslust - die weleens te zeer de band met de historie loslaat. Alsof alleen het nieuwe de oplossing is van alle vragen en de geschiedenis ons niet óók rijke lessen leert.
4. De dopersen miskennen de waarde van het burgerlijke leven. Zij mijden het geheel óf zij leggen er revolutionair beslag op, om het naar hun wil dwingend geestelijk te vernieuwen. Daaruit vloeit een zeker dualisme voort. De wereld is toch niets - waarom dan niet strijden voor een nieuwe wereld? Het is geen wonder, dat het vroeg-socialisme in Huizen reeds gehoor vond. Dat ook een zeker materialisme argeloos daarin meekwam en een progressieve trek reeds spoedig overheerste.
6. Wij kunnen bepaald niet spreken van een orthodox-verstarde gemeente. Er woelt altijd wel iets. Naar ons oordeel overweegt een zekere individualistische collectiviteit het gemeentebeeld. Naarmate de eeuwen voortwentelen naar de jongste dag zullen wij waakzaam moeten blijven. Het eigenlijke gevaar schuilt in een zekere zelfgenoegzaamheid. Dat was de dopersen eigen.
De taak voor de toekomst kan niet zijn verstarring, evenmin vervaging, maar blijven op het ene fundament, dat gelegd is.
Uit hetzelfde gedenkboek een greep uit de collage van kerkbodestukjes uit de loop van de tijd:
• Een ouderling-chirurgein in 1706
'We hebben reeds enige malen als ouderling genoemd mr Lucas de Swart of mr Lucas Klaassen Swart. Hij was chirurgijn te dezer plaatse. Stel u van zulk een chirurgijn niet al te veel voor, waarde lezer. Een chirug of chirurgijn was gewoon een wondheelmeester, die tegelijk het eerzaam baantje van barbier uitoefende. Men behoeft dus niet aan te nemen, dat hij een man van diepgaande studie en grote belezenheid, een man van extra-ordinaire gaven was. In den goeden ouden tijd ging het heel wat eenvoudiger en primitiever toe dan thans, zoals ook hieruit blijkt'
• Een oppasser In 1786
'Zoo er menschen met kinderen in de kerk koomen, welke door hun schrijen den predikant of gemeente mogten hinderlijk zijn, zal hij zig in stilte bij de zulke vervoegen en hun verzoeken of desnoods ordonneeren, om met zulke kinderen uyt de kerk te gaan, en zoo iemand zig over zulke of 't bovenstaande tegen voornoemden Jan Lambertsz. Vos mogt koomen te verrichten, zal hij zulks hebben aan te geeven aan de regeering.'
Kerkblad 02-04-'38 • Een ernstig woord van het kerkbestuur
'Ten slotte nog een ernstig woord aan sommige kerkbezoekers. Bij het Kerkbestuur komen nog telkens opmerkingen in, dat er kerkgangers zijn, die financieel zeker in staat zijn, plaatsen te huren, doch zulks niet willen doen, maar geregeld van vrije plaatsen gebruik maken. Dat zulks stootend is, vooral voor hen, die met groote moeite hun plaatsenhuur kunnen voldoen, begrijpt ieder weldenkende. Die werkelijk onmachtig zijn, eene plaats te huren, hoezeer hij of zij het zou willen, zeker gaarne zal hun een plaats worden toegewezen, want het bedehuis moet voor ieder toegankelijk zijn. Maar, dat zij, die best een plaats kunnen huren, het niet doen en zich onttrekken aan die redelijke verplichting, anderen voor de last laten zitten en ten slotte ook voor hen laten betalen, is droevig. Waarom helpen zij ook niet mede? Kunnen zij aldus een zegen verwachten? Ze moeten maar eens lezen, wat de profeet Haggai schrijft in hfdst 1:3 v.v. Moge deze aanstoot nu ook weggenomen worden. Want er is nog zooveel goeds in onze Gemeente. De Heere bouwe Zelf maar ook in onze Gemeente Zijn geestelijk huis.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's