De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

6 minuten leestijd

Frits de Lange, Wachten op het verlossen de woord. Dietrich Bonhöffer en het spreken over God, 199 blz., ƒ 39, 50, Ten Have, Baarn, 1995.

De auteur, docent ethiek aan de RU te Groningen en de TU te Kampen, heeft ons met dit boek zeer verplicht. Uiterst nauwkeurig gaat hij na wat Bonhöffer precies heeft bedoeld met zijn pleidooi om in a-religieuze taal over God te spreken. Duidelijk is dat Bonhöffer de grenzen van de taal heeft gezien: de kerkelijke taal, zelfs het menselijke woord, heeft zijn beperkingen in een a-theïstisch tijdvak.

Het opmerkelijke van dit boek is daarin gelegen dat de schrijver ook de achtergrond en de persoon van Bonhöffer zelf in zijn onderzoek betrekt, zijn afkeer van stichtelijkheid, zijn tact, vaak uitgedrukt in zwijgen, zijn liefde voor eenvoud en echtheid, eigen aan het milieu waaruit hij voortkwam. En bovenal zijn inzet voor een daadwerkelijke gehoorzaamheid, een daadwerkelijkheid in al zijn welsprekendheid.

De schrijver brengt ook regelmatig de lutherse achtergrond van Bonhöffer in rekening, de centrale plaats van de prediking als het scheppende Woord van God, iets waarvan Bonhöffers gedachten over het religieloos spreken der kerk nooit los zijn te maken. En diens accent op de incarnatie: in de vleeswording is het Woord niet alleen vlees geworden, maar ook taal. Maar er zijn niet veel gegevens over hoe Bonhöffer zich dit concreet heeft voorgesteld, en, naar ons oordeel, ligt de reden daartoe diep: Bonhöffer is ten diepste óók de tot piëtisme geneigde lutheraan en zijn moderne gedachten staan daarmee op spanning. Over dit laatste vinden we echter niet zoveel in dit boek, hoezeer de schrijver er ook, terecht, op wijst dat Bonhöffer zelf aan de uitvoerbaarheid van zijn eigen program heeft getwijfeld. De schrijver is ter zake wanneer hij analyseert hoezeer Bonhöffer tweeërlei religiebegrip door elkaar gebruikt. Enerzijds religie waarin God als de 'gatenvuller', de randfiguur, optreedt, iets waartegen hij moreel en religieus verontwaardigd protesteert; anderzijds religie als een cultuurhistorisch neutraal gegeven, religie zoals deze nu eenmaal onder mensen voorkomt. Terecht is daarom de schrijver ook van oordeel dat iedere speculatie over hoe Bonhöffers theologie zich verder zou hebben ontwikkeld, zinloos is.

Misschien, zo denken wij, kan men evengoed aan de andere kant beginnen: niet bij de Bonhöffer die de religie-loosheid bepleitte, maar bij de diep-religieuze lutheraan die Bonhöffer óók was, om van daaruit zijn bewogen pleidooi voor religie-loosheid, als gestalte van diepste solidariteit, te doorlichten. Tot het aantonen van een eenheid tussen deze beide zal het o.i. nooit komen.

.G. van den Brink en M. Sarot (red.) Hoe is uw naam? Opstellen over de eigenschappen van God. 190 blz., ƒ 34, 50, Kok, Kampen, 1995

Dit boek bevat een bundel opstellen van wijsgerig-theologisch karakter die zich alle bezighouden met de eigenschappen van God. Het karakter van deze bundel wordt direct al aan het begin door de beide redacteurs verduidelijkt: men wil de in de theologie, met name de in de dogmatiek, gebruikte termen in de Godsleer op duidelijkheid en consistentie — de vastheid in het gebruik ervan — toetsen door ze te analyseren. Deze wijsgerige manier van theologie bedrijven heeft oude papieren en kan zichzelf al op Augustinus terugleiden, via de middeleeuwse scholastiek. Men wil echter niet het verleden herhalen, maar vanuit het belijden der kerk de begrippen aanreiken die voor de eigen tijd van nut kunnen zijn. Het boek is vrucht van de arbeid van prof dr. V. Brümmer uit wie de wel zo genoemde 'Utrechtse School' is voortgekomen en die wij hier, samen met een aantal leerlingen, ook zelf onder de auteurs aantreffen.

De doelstelling is om, vanuit de aanvaarding van de openbaring, op zowel zinvolle als eigentijdse wijze begripsmatig over God te spreken. Via het verstand zoekt de liefde God te 'begrijpen' voor zover hij Zich heeft geopenbaard. Men zoekt dus geen speculatie, maar men wil de God Die zich historisch heeft geopenbaard, in begrippen 'natekenen'. Heden komen immers dingen in de Godsleer centraal te staan die dit vroeger op een andere wijze of helemaal niét stonden: de vraag naar Gods liefde (V. Brümmer), naar zijn onveranderlijkheid (L. J. van den Brom), naar zijn eenvoud (G. Immink), naar zijn vermogen tot lijden (M. Sarot), naar zijn almacht (G. van den Brink) en naar zijn alwetendheid (E. Dekker).

Het is niet echt mogelijk deze bundel bijdragegewijs te bespreken, mede omdat soms heel duidelijk blijkt dat de auteurs niet in dezelfde richting denken, hoezeer ook iedere bijdrage doortrokken is van respect voor de klassieke traditie. Soms wil men deze ook herzien en daarbinnen eigen en nieuwe momenten aanbrengen. Nu kan dit op zichzelf ook winst betekenen, want de traditie is zich bij tijden sterk bewust geweest van de voorlopigheid en gebrekkigheid van al ons spreken over God, over wat ons verstand 'te boven' gaat.

Veel in deze bundel is uitermate verhelderend. Inzonderheid wanneer men zelf worstelt — of ten onrechte niét — met gangbare vertekeningen van Gods eigenschappen als: zijn almacht, de onderlinge verhouding van zijn deugden, zijn onveranderbaarheid enz. Anderzijds worden echter ook telkens vragen opgeroepen. Zo bij de stelling van Brümmer dat uit Gods liefde logischerwijs volgt dat Hij zonder onze wederliefde niet zijn kan (hier zit toch Gods wil óók tussen? ), of bij die van Sarot dat Gods verdriet insluit dat hij ook emotioneel kan lijden, of wanneer Van de Brom zijn voorkeur op tafel legt voor de schepping als zelfbeperking (een o.i. platonische gedachte die altijd tot een soort 'goddelijke kern' binnen de schepping heeft geleid die er dan aan het eind van de geschiedenis uitkomt). Tegelijkertijd moeten we toegeven dat daar waar voor ons de vragen zitten ook juist het meest direct wordt ingegaan op eigentijds én veronachtzaamde of vertekende thema's. God is geen (Griekse) onaandoenlijke albeweger (Brümmer), en Hij openbaart zich wel degelijk in zijn verdriet (Sarot), en als Christus in het vlees komt schuilt daarin eveneens wel degelijk iets van zelfbeperking (Van de Brom).

Het boek is niet zo toegankelijk als het zichzelf presenteert, maar het kan helpen anders te denken, vooral wanneer men vastgeklonken zit aan een al te naïeve en westers-abstracte manier van over God spreken en prediken waarmee men niet alleen Hem maar ook zichzelf en de gemeente kwaad doet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's