Met het Woord in de wereld (2)
In de vorige bijdrage zagen we hoe Tom Wright de roeping van de kerk in onze tijd in het licht van de belijdenis van de Drieënige God stelt. Vanuit Pasen en Pinksteren valt er licht over de weg.
Vernieuwingsbewegingen
De schrijver volstaat niet met een analyse van de cultuur. Hij is er diep van overtuigd, dat de kerken open hebben te staan voor allerlei bewegingen die een bijbelse vernieuwing bepleiten. Het zijn evenzovele signalen waaraan we niet dan tot onze schade kunnen voorbijgaan.
Allereerst wijst hij er op, hoe er bij velen een nieuwe belangstelling is voor liturgie, lofprijzing, gebed en spiritualiteit. Vervolgens bespeurt hij onder christenen een groeiend verlangen naar eenheid. In de derde plaats is er in de Engelstalige wereld een nieuwe impuls te bespeuren ten aanzien van de roeping van de kerk tot sociale gerechtigheid. In de vierde plaats noemt hij de bezinning op de dienst der genezing en de pastorale aandacht voor innerlijke genezing. Aandacht voor theologische bezinning en in het bijzonder nieuwe vormen van bijbelstudie, alsmede betrokkenheid van gemeenteleden bij het werk in de gemeente, de herontdekking van het 'vergeten ambt' zijn eveneens factoren waar we in ons denken over de vernieuwing van de kerk in een missionaire situatie niet aan voorbij mogen zien.
Tenslotte wijst de schrijver op de charismatische vernieuwing. Wright is niet blind voor schaduwkanten en ontsporingen in deze beweging, maar hij onderkent ook tal van positieve elementen die nieuwe impulsen heeft gegeven in het denken over Göd en zijn wereld, over het werk van de Heilige Geest.
Binnen het lichaam van Christus zullen we zijns inziens met vreugde de verscheidenheid aan geloofsbeleving en de verschillende initiatieven op elkaar moeten betrekken in een gezamenlijke inzet voor vernieuwd gemeenteleven. Wij hebben elkaar daarin nodig en moeten het eigene niet verabsoluteren.
Betekenis voor ons
Wij bedenken, dat de schrijver zijn boek geschreven heeft in de situatie van de Anglicaanse kerk, waar de evangelicale beweging sterk toeneemt. Uit verslagen van en gesprekken met studenten die een stageperiode hebben doorgebracht in evangelicale of charismatisch gerichte gemeenten binnen de Anglicaanse kerk komt steeds weer naar voren hoe juist in deze gemeenten er sprake van een opleving van het gemeenteleven, met name ook naar de zijde van jeugdwerk, diaconaal-sociale en missionaire activiteiten, waarbij eredienst, gebed en bijbelstudie brandpunten zijn van dit gemeenteleven.
Natuurlijk besef ik, dat er verschillen zijn in structuur, liturgie, geloofsbeleving en theologie tussen een Anglicaanse parochie en een Hervormd-Gereformeerde gemeente in ons land.
Maar dat betekent niet, dat wij in onze situatie voorbij zouden kunnen gaan aan wat daar gebeurt en wat deze Anglicaanse pastor en theoloog ons te zeggen heeft. Al was het alleen maar omdat in dit boek iemand aan het woord is, die vanuit een diepe verworteling in het bijbels getuigenis aangeeft dat God ook in deze tijd van secularisatie en nieuw heidendom doorwerkt met zijn Woord en met zijn Geest.
De vraag is dan wel of wij bereid zijn op een positief-kritische manier te luisteren naar de vernieuwingsbewegingen die de schrijver aanwijst. Ik gebruik met opzet de woorden positief-kritisch. Vernieuwing is een woord dat invulling behoeft. Niet elke vernieuwing is automatisch een bijbelse vernieuwing. Wat we in de kerkgeschiedenis steeds zien, bespeuren we ook in onze tijd: waar God zijn kerk bouwt, bouwt Satan zijn kapel. Niet elk eenheidsstreven is bijbels bezien legitiem, niet elk pleidooi voor liturgische vernieuwing of charismatisch leven kan de toets van de bijbelse kritiek doorstaan. De auteur is daar niet blind voor. Hij wijst op het gevaar dat vernieuwingsbewegingen in korte tijd kunnen leiden tot groepsvorming, tot verabsolutering van eigen standpunten en dat een groep snel kan verworden tot een partij.
Traditie en vernieuwing
In het spanningsveld tussen traditie en vernieuwing staan we altijd weer voor de vraag, hoe we binnen onze gereformeerde traditie vernieuwend bezig kunnen zijn. Een kerk, die gereformeerd is, moet altijd weer gereformeerd worden. De vraag is of wij verlegen zijn om dat vernieuwende werk van Gods Geest, zodat we niet zweren bij onze tradities, maar voluit ruimte geven aan de Schrift, en dan de gehele Schrift. We moeten ons ook als Hervormd-Gereformeerden de oproep van Wright aantrekken: 'Laten wij God erkennen als soeverein over al onze tradities, inclusief degenen die beweren, dat de bijbel hun toebehoort. Laten wij de Geest alle ruimte geven om te werken in onze kerken en open blijven voor de mogelijkheid om nieuwe dingen te leren uit onverwachte hoeken' (blz. 166).
Al lezend dacht ik bij mijzelf: Misschien moetje in de Anglicaanse traditie staan om zo open en ontwapenend verschillende tendensen in één kerk te kunnen integreren. Wie de uitzendingen van Songs of Praise van de BBC wel eens beluistert, zal meermalen met verwondering hebben kunnen constateren hoe ongedwongen bijvoorbeeld klassieke kerkliederen en eigentijdse geestelijke liederen naast elkaar gezongen worden en hoe er ruimte is voor verschillende muzikale vormen. Daar zouden we als Hervormd-Gereformeerden nog wel wat van kunnen leren, gelet op de krampachtigheid waarmee men onder ons vaak het eigene koestert en alles wat maar enigermate anders is zonder meer verwerpt.
Noodzaak van bezinning
Ook wie misschien wat kritischer dan Wright aankijkt tegen allerlei ontwikkelingen binnen de evangelische en charismatische beweging, zal toch om de vraag niet heen kunnen wat de Heilige Geest ons via deze bewegmgen te zeggen heeft ten aanzien van de zo broodnodige geestelijke vernieuwing van ons kerkelijke leven. Daarom alleen al zou ik met klem willen aanbevelen dit boek van Wright binnen kerkeraden en gemeenten tot onderwerp van gesprek te maken.
Wij leven binnen onze kerk vaak van elkaars eenzijdigheden. Enerzijds zien we een vorm van aanpassing en uitholling van het bijbels geluid, die leidt tot onzekerheid en verwarring. Maar van de weeromstuit verschansen anderen zich in de burcht van tradities en lopen zo het risico te verstarren. Wat zou het een zegen zijn, als een positief-kritische bestudering van dit boek ons zou helpen boven dit onzalige düemma uit te komen, als een aandachtig luisteren naar de gehele Schrift ook binnen onze gemeenten zou leiden tot geestelijke vernieuwing, zodat we met het Woord in de tijd staan.
Het zou toch van weinig wijsheid getuigen als we zouden menen, dat we als orthodoxe mensen die Schrift en belijdenis hooghouden, dit geluid zouden kunnen negeren. Al was het alleen maar omdat ook in onze gemeenten het proces van de secularisatie doorgaat, tradities afbrokkelen en de onzekerheid toeneemt, zij het ook dat we die soms bemantelen onder stoere parolen.
Maar vooral zou ik dit boek van Wright in de bezinning op de vernieuwing en de opbouw van de gemeente een plaats willen geven, omdat er velen zijn die hunkeren naar een werkelijke vernieuwing van het kerkelijk leven, waarbij het Woord onder de stolp van onze tradities vandaan komt en echt opengaat in zijn actuele betekenis voor onze tijd. Ook in het gesprek tussen evangelischen en gereformeerden zou dit boek een nuttige functie kunnen vervullen.
Nieuwe heiligdommen bouwen
In dit verband wijs ik er nogmaals op, dat vernieuwing van de binnenkant van het gemeenteleven in dit boek in een missionair kader staat. Hoe kan de kerk weer een richtinggevend woord spreken in onze ontkerstenende samenleving en in getuigenis en dienst tot zegen van de wereld zijn?
Daarbij gaat het de schrijver vooral om de onttroning van de afgoden die in de samenleving van vandaag - en als kerkmensen zitten we daar middenin - zo'n rol spelen. Gods heerschappij gaat immers over alle dingen. Dat theocratische thema moet toch met name leerlingen van Calvijn wel aanspreken. Wat is kerstening anders dan antwoord geven aan de machten, het onderkennen van de demonie die onze samenleving en het mens-zijn vergiftigt?
De schrijver stelt dit thema aan de orde in een tweetal hoofdstukken die de titel dragen: Nieuwe heiligdommen voor de ware God. Hij herinnert aan de vroeg-christelijke gewoonte kerken te bouwen op de ruïnes van heidense tempels. Waarom deed men dat? Om zo concreet te laten zien, dat niet Mithras of Mars regeren, maar dat de aarde van de Heere der Heeren is.
Het heidendom geeft een karikatuur van de goede, door God gegeven orde. De christelijke gemeente zal naar wegen hebben te zoeken deze karikatuur openlijk te weerstaan. Wright bedoelt dat niet triomfantalistisch, gelet op zijn kritische noot bij de 'marsen voor Jezus', die we de laatste jaren kennen.
Als ik hem goed begrijp, gaat het meer om een andere wijze van leven in de navolging van Christus, om de confrontatie van allerlei vormen van heidendom met het evangelie. Zo zoekt hij een weg te wijzen tussen wereldaanvaarding en wereldmijding door, namelijk de weg van de heiliging ook in het publieke leven.
Zeven terreinen
Hij wijst zeven terreinen aan waarop nieuwe heiligdommen gebouwd moeten worden, zeven gebieden die nu veelal beheerst worden door de goden van de tijd, die je kunt benoemen met oude namen: Mars, de god van het geweld. Mammon, de god van het kapitaal, die velen tot slaven degradeert en de wereld verdeelt in bezitters en nietbezitters. Aphrodite, de godin van de erotische liefde, de verseksualisering van het leven, Gaia, de godin van de aarde, de vergoddelijking van het milieu en de aarde, Bacchus en de graangoden, wier aanhangers van eten en drinken hun godsdienst maken. Tenslotte noemt de schrijver het afgodisch vertrouwen op het verstand en de wetenschap.
Tegenover al deze vormen van afgoderij dienen christenen in gebed en beraad te zoeken naar wegen om daadwerkelijk te laten zien wat God bedoelt met ons leven.
Wie mocht denken, dat de auteur een negatieve levenshouding aanprijst, vergist zich. Telkens beklemtoont Wright dat we deze afgoderij pas dan echt weerstaan, als we een nieuw heiligdom oprichten, als we bijvoorbeeld in onze verseksualiseerde cultuur laten zien wat de wezenlijke inhoud van liefde en huwelijk is of als we tegenover de afgoderij met Moeder Aarde laten zien dat de zorg voor Gods schepping ons wat waard is uit liefde voor de Schepper. Anders gezegd: het gaat de schrijver om een beleefd belijden in de concrete leefwereld van elke dag.
Wright bepleit dan ook een missionaire aanpak, die evangelisatie en sociale actie met elkaar verbindt. Al te dikwijls vervallen we in het onvruchtbare dilemma: of de hemel en de ziel, óf de aarde, of bekering van mensen of verandering van de leefwereld. Wright laat zien hoe het evangelie van het Koninkrijk en de prediking van de rechtvaardiging dit soort schadelijke tegenstellingen doorbreekt. Het kruis predikt de verzoening van de zondaar met God, maar ook de overwinning op de machten. En wie Christus kent, staat met al wat hij heeft en is. Hem ter beschikking.
Nog niet
Ik volsta met deze beknopte weergave, in de hoop dat ik u nieuwsgierig heb gemaakt naar dit boek. Er zijn stellig vragen te stellen aan de schrijver. Ik noem er één. De auteur is gegrepen door de nieuwtestamentische prediking dat de gekruisigde en opgestane Jezus de Heere is. Dat is ongetwijfeld een kemmoment. Christus heeft overwonnen en de machten ontwapend. Maar Hij heerst niettemin temidden van zijn vijanden. In het Nieuwe Testament wordt altijd met twee woorden gesproken: Het koninkrijk is er en het is er ook nog niet.
Het is goed om het evangelie van het kruis in het licht van Pasen te stellen. Maar Filippenzen 3 leert ons, dat Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ook de gemeenschap aan zijn lijden betekent. De gemeente verkeert in de vreemdelingschap en deelt in het lijden aan de tijd. Ze is kerk onder het kruis. Deze notie wordt mijns inziens wat onderbelicht. En daardoor straalt dit boek hier en daar een optimisme uit, dat me doet vragen: wordt de secularisatie in zijn afbrekende tendensen voldoende diep gepeild?
Ik heb me afgevraagd of dat misschien samenhangt met de positie van de schrijver als Anglicaans theoloog. In de nieuwtestamentische wetenschap van de jaren '50 en '60 waren Engelse theologen toch nogal geporteerd voor de gedachte van de gerealiseerde eschatologie, dat wil zeggen: zij legden sterke nadruk op de presentie van het heil in Christus in Woord en sacrament, in het geheel van de kerk en verwaarloosden de notie van het 'nog niet'.
Ik zeg er dan wel bij, dat ook het accent op de gebrokenheid eenzijdig en soms verlammend kan werken. En tegenover theologische visies, die toch eigenlijk geen raad weten met de werkelijkheid van Pasen, is het betoog van de schrijver van grote kracht. Het toont ons de rijke perspectieven van het opstandingsgebeuren. Daarom is mijn kritische vraag niet bedoeld om de betekenis van dit boek te verkleinen. Daarvoor biedt de schrijver te veel wat onze aandacht verdient. Soms moet je misschien wel eens een eenzijdig accent leggen om gehoord te worden.
De dankbaarheid overheerst dus voor wat ons in dit spiritueel geschreven boek geboden wordt. Het laat ons zien waar het voor de christelijke gemeente werkelijk op aankomt. En het doet dat in een pastorale toonzetting. Het is bovenal een bemoedigend boek, dat tegenover allerlei vormen van pessimisme en doemdenken ons bepaalt bij de werkelijkheid van de levende God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Een God, die leven schept in de dood en sterker is dan alle machten. En die daarom in onze ontkerstende wereld de enige hoop is. Vanwege dit getuigenis wens ik dit boek ook onder ons een ruime lezerskring toe.
Naar aanleiding van Tom Wright, Nieuwe Taken voor de kerk van nu, vertaald uit het Engels door Jan Maarten Goedhart. Met een ten geleide van dr. A. Vos, 248 blz., prijs ƒ32, 50, Boekencentrum Zoetermeer 1995.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's