De ogen de spiegels?
Waar de meeste mensen blind voor zijn, is dat ze dit zijn. En dat is niet alleen geestelijk maar ook natuurlijk zo. Over het laatste wil ik het hoofdzakelijk hebben.
We kennen allen het spreekwoord: 'De ogen zijn de spiegels van de ziel'. Daar zijn we het allen over eens (geweest). En dan denken we aan de gemiddelde medemens die we kennen en die niet zo veel van ons verschilt. We menen dan de goede of minder goede en de kwade of minder kwade eigenschappen van die persoon uit diens blikken te kunnen afleiden. We vormen ons oordeel omdat we denken dat zijn of haar ogen die informatie verschaffen.
We konden ons niet erger vergissen. In de eerste plaats al omdat we maar een klein gedeelte van de ogen van die ander kunnen zien, namelijk de gekleurde iris met in het midden de pupil, en links en rechts de boemerangvormige stukjes wit, die lang niet zo heel wit zijn.
Konden we wel de hele oogbollen zien, dan zouden we nog minder basis hebben voor onze psychologische analyse en onze ogen in afkeer afwenden van die naakte starende bollen. Het is eenvoudig niet waar dat onze ogen alleen de spiegels zijn van onze ziel. Op zichzelf zeggen die twee bollen daar niets van. Hoogstens vertellen ze iets van hun vorm, kleur en lichamelijke conditie. Overigens konden het evengoed de ogen van een varken of een ander gewerveld dier zijn.
Wetenschap
Het voorgaande wil natuurlijk niet zeggen dat onze ogen geen wonderbaarlijke instrumenten zijn. Evolutionisten hebben eenvoudig geen benen om op te staan als ze willen volhouden dat alles zich heel langzaam maar heel doelbewust heeft ont wikkeld — doelbewust dan vanuit het organisme zelf, doch in afhankelijkheid van de chemische omstandigheden.
De wetenschap heeft het verbazend ver gebracht met alles tot in het kleinste onderdeel uit te pluizen, en daar kunnen we dankbaar voor zijn. Die heeft veel weetgieriger in het boek der Natuur gevorst dan wij die er nauwelijks toe komen om er halfslachtig in te bladeren, al belijden we dan dat God gekend kan worden uit de Natuur en uit de Schrift.
Ons gezichtsvermogen is wel zo iets wonderbaarlijks, dat we tot geen andere conclusie kunnen komen dan dat we dit aan een onbegrensd intelligent Wezen te danken hebben. Zo belijden we dat immers: 'Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde'. En dat is maar geen goedkope uitvlucht omdat we geen betere verklaring hebben voor de kosmos, maar een kinderlijk zeker weten dat we uit liefdevolle Vaderhanden zijn voortgekomen. En men zou verwachten dat onze knappe wetenschappers de eersten zouden zijn dit blij en verrast te beamen telkens als ze weer iets nieuws ontdekken.
Sommigen onder ons 'zien er kwaad in' dat de wetenschap al maar dieper in de geheimen van de kosmos graaft, bang dat dit hun geloof zal ondermijnen. Misschien is hun geloof dan geen waar geloof. Wat mij betreft, maakt elke nieuwe ontdekking God groter in mijn ogen. Uiteindelijk is Hij het die al deze dingen in de schepping heeft gelegd, en zijn dit verdere openbaringen van Zijn almacht. De enige gegronde vrees die we hier kunnen hebben, is dat het gevallen mensdom al die nieuwe ontdekkingen tot zijn eigen verderf en ondergang kan en zal aanwenden, als God dat niet verhoedt.
Aspecten
Er is geen beginnen aan om alle aspecten van ons gezichtsvermogen op te sommen — hoe de werking is van al die stoffelijke atomen waaruit het bestaat, of hoe onze hersenen die levende "beelden' herkennen. Onze oogbollen zijn slechts de poort waardoor die beelden binnentreden via de lenzen, die dan 'vertaald' (moeten) worden door bepaalde hersencellen. Het hele 'systeem' lijkt veel op de werking van een Polaroid camera.
De oogbollen zelf zijn tamelijk passief en neutraal. Wat men er ook van kan zeggen, zij zijn geen spiegels van de ziel. Daarvoor hebben ze het beweeglijke spierstelsel van de omringende gelaatsdelen nodig; de oogleden, de wimpers, de wenkbrauwen en vooral de uitdrukking op en van het voorhoofd, de wangen, de neus en de mond. Onwillekeurig 'vertalen' die wat de lenzen opvangen. Het is zelfs zo dat we daar weinig of geen controle over hebben. Als we met iemand spreken en hem of haar 'recht in de ogen zien', kijken we vooral ook naar de gelaatstrekken en geven daar veel meer acht op dan op de oogbollen of de woorden die de sprekende mond ons toevoegt. Daarom zou het veel juister zijn om te zeggen: Het gelaat is de spiegel van de ziel Wan dit verraadt, door minuscule beweginkjes, of we de waarheid spreken of niet; dus of we geen huichelaar zijn of wel.
Dat wil ondertussen niet zeggen dat onze ogen niet een van de grootste gaven van de goede hand van onze Schepper zijn. Want zij stellen ons in verbinding met de wereld rondom ons. Stel je voor dat we 'zo blind als de mollen' waren en nooit blauwe luchten en veelkleurige bloemen en de liefde op het gelaat van onze beminden konden zien. Wat zouden we dan arm zijn! Er zijn zulke mensen die, zonder hun schuld, zo door het leven moeten gaan. Geen wonder dat hun gelaat, behalve een trek van berusting, ook steeds een vragende uitdrukking vertoont. Laten we toch vaak voor blinde (en dove) mensen bidden!
De dieren
Maar wij zijn niet de enige schepsels die met de gave van het gezicht zijn bedeeld. De meeste "beesten' die we kennen, hebben eveneens ogen, sommige zelfs betere en meerdere dan wij (zoals fruitvliegen en libellen). Hoe beschouwen die de wereld waarin ze leven? Wie kan dat zeggen? Wij hebben niet het vermogen om in hun levenswereld te blikken. Die gave zijn we verloren. Maar we weten wel dat de meeste dieren pijn (kunnen) lijden. Daarom zucht immers het ganse schepsel en wacht op onze en derhalve ook z'n eigen verlossing. Laten wij nooit de schuld op ons laden het 'redeloze' schepsel onnodige pijn te berokkenen!
De meeste dieren die we allen min of meer van nabij kennen, zullen wel honden en katten en koeien en paarden zijn. Dus weten we heel zeker dat die ook kunnen zien. Maar hoe zien, en bezien die de wereld rondom hen? En hoe beschouwen ze ons? Vragen ze zich dat ooit af? Heeft de wereldbekende christen-apologeet, C. S. Lewis, gelijk dat dieren ons waarschijnlijk als een soort goden (of duivels) beschouwen? Dat zal er dan wel van afhangen hoe wij ze behandelen. Is het niet onze schuld dat vele diersoorten binnen mensenheugenis zijn uitgeroeid, zoals de dodo (Mauritius) en de trekduif (Amerika) en honderden minder spectaculaire diersoorten meer? En zullen weldra leeuwen, olifanten, giraffen en zebra's, en de klievers van zeeën en luchten ons enkel nog aanstaren uit verbleekte foto's en verkleurende films, daar zelfs de laatste exemplaren die we kunstmatig in het leven hebben gehouden in dierentuinen ons door onze schuld zijn ontvallen? Dan zullen we hen nooit meer in de mysterieuze en vragende ogen kunnen kijken en hier dus ook nooit te weten komen waarom wij een poosje dit aardse bestaan met hen hebben moeten delen. Van één ding kunnen we echter zeker zijn: er gaat geen enkel dier naar de hel. Die is alleen de verzamelplaats van duivelen en verloren mensen.
Fascinerend
Ogen hebben me van kindsbeen af gefascineerd. Eerst ongetwijfeld die van mijn ouders en broers en zusters. Later ook die van onze 'oranje' katten (zachtmoedige dieren met een smetteloze vacht van sneeuwwitte, gitzwarte en oranjebruine vlekken), en nog later die van koeien en paarden. Van grote honden was ik erg bang, omdat ik er eens door een was gebeten, maar ik wilde er wel dolgraag een (kleinere) hebben. Dit bleef een onvervulde wens, omdat m'n vader bang was dat de buren daar overlast van zouden hebben. Die wens werd pas vervuld toen. ik zelf het hoofd van een gezin werd in 1948. We hebben zo'n 40 jaar de ene hond na de andere gehad en hebben ervaren dat zo'n dier inderdaad de beste en trouwste vriend is die een mens kan hebben.
Er zijn natuurlijk ook dieren die best 'mooie' ogen kunnen hebben, maar waar we een ingeboren vrees of afkeer van hebben (krokodillen, slangen, allerlei 'schadelijk en vergiftig gedierte'). Spreekt zelfs de bijbel niét van 'hatelijk gevogelte'? Maar hij spreekt ook van de schoonheid van duivenogen. Daar kan ik van meespreken. Ik heb jarenlang ook duiven gehouden.
De mooiste dierenogen waarin ik ooit van vlakbij heb gekeken waren die van een enorm grote tijger, een jaar of drie geleden. Kay en ik behoorden tot een groep bejaarden die wekelijks lessen in tekenen en schilderen volgden. De onderwijzeres wilde ons ook 'naar de natuur' leren schetsen, dus ook dieren. Ze had een afspraak gemaakt met een boerderij voor een bepaalde dag, en wij er heen met een kleine bus, een afstand van zo'n 30 km.
Maar het ging daar niet om koeien of paarden (ik geloof dat die er niet eens waren), maar om grote en kleinere roofdieren, die men daar het allerminst zou hebben verwacht: verscheidene leeuwen, luipaarden, jaguars en inheemse poema's en zwarte beren; wolven, hyena's, jakhalzen en vossen en wat al niet meer. De eigenaars hadden vergunning van de Staat voor het houden, voorttelen en handelen in elk soort dier dat er zich bevond.
Het was een bitter koude dag in maart en bijna alle dieren zaten binnen in hokken in enkele grote schuren, en sommige zelfs in kamers van het huis. Al die dieren werden hoofdzakelijk verzorgd door de boerin en een ongetrouwde dochter. Die twee geleidden ons rond en verstrekten ons de nodige inlichtingen. Zij gingen gewoon de hokken binnen en omarmden die 'wilde' dieren alsof het tamme huisdieren waren. Voor hen waren ze dat ook. Maar wij bleven ver uit hun buurt. En door het halfduister in de schuren en de snerpende kou de wind buiten, kwam er van 'schetsen' niets, ook al omdat de grond onder het korte gras doorweekt was en we daar tot over de schoenen inzakten.
Tijger
Maar juist daar bevond zich de enorm grote tijger die ik reeds vanaf een afstand had gezien. Het moet vast een Siberische tijger zijn geweest. Ik had naar hem gekeken en hij naar mij, toen we naar de schuren gingen, en nu we terugkwamen ook weer. Ik werd er eenvoudig naar toegetrokken, ondanks kou en modder.
Z'n kooi had de vorm van een reusachtige ronde kanariekooi, maar dan van dikke stalen verticale spijlen en horizontale dwarsbanden, met aan de buitenkant tot halverwege een 'bekleding' van harmonikagaas. Dit alles lag verankerd in een bodem van beton van 15 cm dik en 4 m wijd.
Ik baggerde er dus heen, opgewonden maar ook onzeker. Doch het enorme beest scheen ook blij te zijn. Hij keek me gestadig naar de ogen en liep heen en weer alsof hij me opwachtte. Halverwege begon ik reeds tegen hem te praten: 'Ben jij zo'n machtig, prachtig, lief beest? En ben jij blij om mij te zien? Nou, ik ben ook blij jou te zien hoor. Ik zou m'n armen wel om je prachtige, machtige hals willen slaan!' Ik weet niet eens of ik Nederlands of Engels tegen hem praatte. Dat doet er ook niet toe. Hij verstond me toch — niet de woorden maar de toon.
Al zou ik dat gedurfd hebben, van omhelzen kon echter geen sprake zijn. De dunne muur van spijlen en vlechtwerk hield ons doelmatig gescheiden. Ging dat ook door dat machtige hoofd van roodkoperen-en zwarte strepen en witte vlekken? Dan wist hij daar raad op. Opeens ging hij op de achterpoten staan en leunde met de brede grote voorvoeten op de metalen dwarsband, net waar het gaas ophield. Ik kon nu de hele witte buik zien. Het grote hoofd stak een eind boven het mijne uit, al hield hij het iets voorover gebogen om me in de ogen te kunnen blijven kijken.
Z'n mond stond halfopen en vertoonde de twee witte dolken van oogtanden naast de rode tong. En toch bleef dat majestueuze gezicht op dat van een lieve poes lijken. Een enkele keer sloot hij even de gouden ogen als om me te verzekeren dat alles goed en veilig en heilig was tussen ons. En voor ik het wist, legde ik een kleine mensenhand bovenop de reusachtige linkervoet.
Langzaam kwam het grote hoofd naar beneden, keek even naar de kleine hand op de grote voet, en likte die hand. Meteen legde ik m'n linkerhand op zijn rechtervoet, en nu likte hij ook deze. Wel hielden de tralies ons nog gescheiden, maar onwillekeurig strekten m'n armen en handen zich uit en grepen en graaiden in de dikke vacht om hals en nek, terwijl ik almaar zachtjes koerde: 'Lieëf, lieëf bieëst! Prachtigmoeai schepsel! Me bin toch nog nie op de nieuwe aerde...? ' Geen Nederlands. Geen Engels. Zeeuws! — de taal die ik als jongetje van m'n moeder had geleerd.
M'n gedachten registreerden echter niet het woord 'jongetje' maar het muzikale Zuidbevelandse woord 'jonksje' — en ik hoorde het m'n moeder zeggen. Maar dat riep tegelijkertijd de woorden 'klein jongsken' van Jesaja op, en ik hoorde daarin de stem van God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde.
Merkwaardig genoeg voelde ik me hier, ondanks m'n leeftijd en lengte van 180 cm, tegenover dit reusachtige dier weer een jongetje, maar geen bang en bevend jonksje, omdat de liefde alle vrees uitbant. Ik was me bewust van een mysterieuze verwantschap waarvoor ik geen naam wist. Ook de tijger trachtte dit te communiceren door zachte vocale geluiden te maken, al kon ik die beter in de tippen van m'n vingers voelen dan horen. Ze herinnerden me aan over elkaar rollende ronde stenen in een waterstroom. Dat moet zijn vorm van tevreden 'spinnen' zijn geweest.
Oud en nieuw
Hoe lang of kort die wederzijdse liefdebetuiging heeft geduurd, zou ik niet kunnen zeggen. Maar de dingen van déze aarde herinnerden er ons aan dat de nieuwe nog niet was gekomen. De chauffeur van het busje toeterde drie keer, en even later kwam Kay uit de boerenwoning en riep m'n naam. Evenals de meeste anderen had ze toevlucht gezocht in de warme keuken.
Het was tijd om naar huis te gaan en afscheid van m'n nieuwe vriend te nemen. Maar hoe moest ik daar aan beginnen?
Ik trok m'n armen terug maar omklemde met de handen de dwarsband en stak m'n gezicht tussen twee spijlen. Meteen keken nu de honinggele ogen van vlakbij in mijn hemelsblauwe. Zijn grote brede donkere ruwe neus drukte met de rose onderkant tegen de mijne. Hij gaf me nog één lik. En ik drukte een kus op die rose tip. Zonder één keer om te kijken, liep ik naar de bus.
Thuisgekomen, opende ik m'n geliefde originele Statenbijbel van 1662 bij Jesaja 11 : 6 op de vloer en ging er op m'n buik voor liggen. 'Ende de wolf sal met het lam verkeeren/ ende de luypaert by den geytenbock nederliggen: ende de jonge leeuw/ ende het mestvee t'samen/ ende een kleyn jonghsken salse drijven:
'Ja ick kome haestelick. Amen. Ja komt Heere Jesu.'
Eens zal alle oog Hem zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1995
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1995
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's