Uit de pers
Agressie
Het zomernummer van Wetenschap, Cultuur & Samenleving (juli/augustus 1995), bevat een themakatern gewijd aan agressie 'biologisch, gedragswetenschappelijk en sociaal-cultureel beschouwd'. Koos Neuvel onderstreept in zijn (of haar? ) bijdrage het gegeven dat in onze samenleving op agressie een taboe rust en dat liefde wordt beschouwd ais een deugd. Toch is haat evenzeer een emotie als liefde, die een uitweg zoekt. Dat in onze tijd steeds vaker de klacht wordt gehoord dat de huidige samenleving ten prooi valt aan normvervaging en agressie is bekend en berust op feiten. We lezen geregeld dat de onderwereld afrekent met mensen die ze kwijt wil. Er zijn leraren die vechtcursussen volgen om zich agressieve leerlingen van het lijf te houden. Toch wordt deze klacht ook ingegeven door het moreel taboe op geweld dat in onze samenleving overheest, aldus Neuvel.
Toch bestaan er wel een paar vrijplaatsen waar de hang naar agressie ongegeneerd kan worden uitgeleefd: in de sport bijvoorbeeld en in de kunsten. Het zijn niet altijd de meest verheven kunstvormen die onderdak bieden aan het agressieve sentiment. Er is bijvoorbeeld het genre van de horrorfilm met al zijn extreme bloederigheid. En een van de belangrijkste haatculturen van deze eeuw was de punk (met het dadaïsme als illustere voorganger). In de jaren zeventig schudde punkmuziek de ingedutte popwereld meedogenloos door elkaar met muziek die krijste, kleren die vloekten, woorden die vuur spuwden. Alles aan punk straalde agressie uit. 'I am an antichrist', zong Johnny Rotten van de Sex Pistols, en wanneer hij met zijn ogen rolde, leek de duivel in hem inderdaad een waardige plaatsvervanger op aarde te hebben gevonden. Minstens zo demonisch en sarcastisch was de aanbeveling van de Dead Kennedys: 'Kill the poor'. Bij punk geen tedere liefdesliedjes, maar veel bikkelhard, politiek getint cynisme.
Nu was punk een liefhebberij van een klein groepje dwarse jongeren. Maar het talent voor agressie blijft niet tot hen beperkt. Ook 'normale' mensen bezitten die gave; sportliefhebbers vooral. Gewelddadige sporten als boksen en extremere varianten daarvan zijn weliswaar enigszins in diskrediet geraakt, ook meer vreedzame sporten lenen zich voor uitbarstingen van agressie. Het is bekend welke emoties een voetbalwedstrijd kan oproepen, zeker wanneer Nederlanders en Duitsers het tegen elkaar opnemen. Dan is een sportieve rivaal ineens weer een aartsvijand; iemand die het verdient om vernederd en in de pan gehakt.
We kennen het gevleugelde woord van een gerenommeerd voetbaltrainer: Voetbal is oorlog. Er zijn ook bepaalde uitingen van popmuziek waarin agressie zich laat horen en kennelijk een uitweg zoekt.
De schrijfster Karin Spaink laat een andere kant van agressie zien. Zij is verzot op death metal; een muzieksoort die erfgenaam is van de punk, maar dan nog harder en agressiever. Het is uitgesproken gore, smerige en morbide muziek die dood en verderf, satanisme en seriemoord tot onderwerp heeft. De voortgebrachte keelklanken kunnen onmogelijk als gezang betiteld worden, zelfs de aanduiding 'krijsen' lijkt in dit verband nog flatteus. Als het maar hard is; meedogenloos hard. Met zijn bombast en grote emoties is death metal, volgens Karin Spaink, de Wagner onder de popmuziek.
'Zulke gemene jongens, en toch zo ontwapenend', merkt Spaink op over death-metalmuzikanten. Gevaarlijk is die muziek niet, integendeel, het is eerder een soort plaatsvervangende agressie. Daardoor wordt het onnodig de woede nog op een ander te koelen of aan eigen angsten ten onder te gaan. In een essay schrijft Karin Spaink over death metal: 'Muziek zo hard dat je haar kunt voelen, muziek zo hard dat je niet hoeft te denken, muziek waarmee je de bliksem om de tuin kunt leiden. Grote gevoelens en verlangens smoren in gitaargeweld. (...) Woede en haat geven veel energie, mits men weet waarheen die te richten: met de muziek mee! En wij draaiden de geluidsknop nog wat verder open'.
'Misschien', schreef Camille Paglia, 'moeten we wel aanvaarden dat er een ethische kloof bestaat tussen fantasie en realiteit en dat we in de kunst de gruwelen, verkrachtingen en verminkingen tolereren die we in de samenleving niet zouden dulden.'
En zo is het waarschijnlijk altijd geweest. Wie de toneelstukken van Shakespeare kent, weet dat de toeschouwer soms blij mag zijn als er aan het eind van het verhaal nog een enkele levende is overgebleven. Grote kunst, dat zeker, maar ook moorddadig en bloeddorstig.
'I' m gonna kill that woman'. zong de oude blueszanger. Zijn bedoeling was zonder twijfel oprecht. Maar hij hoefde geen echt bloed te laten vloeien. Hij had haar al vermoord; in een lied.
De Bijbel laat ons de wortel zien van de haat: de breuk van de mens met God brengt Kaïn tot de moord op Abel. Neuvel citeert de uit Trinidad afkomstige schrijver V. S. Naipaul: 'Zo ontdekte ik als kind, een kind dat tobde over pijn en wreedheid, de christelijke leefregel: behandel anderen zoals je zou wensen dat anderen jou behandelen. Het hindoeïsme waarmee ik opgroeide kende zo'n troostrijk voorschrift niet en al heb ik nimmer enig religieus geloof bezeten, ik duizelde en duizel nog van die simpele gedachte, een zo volmaakt richtsnoer voor het menselijk gedrag'. Eerlijkheidshalve moeten we er wel bij zeggen dat helaas in de geschiedenis nogal wat christenen zich op dit punt nauwelijks onderscheiden hebben van anderen in zaken van agressie en uitingen van haat. Te denken valt bv. aan de kruistochten en aan de vele uitingen van grove en wrede haat jegens joden.
Bloed en buis
Koos Neuvel besteedt uiteraard ook aandacht aan geweld bij de media onder het opschrift 'Bloed op de buis'. De vraag die dan uiteraard gesteld wordt, is: leidt mediageweld tot meer agressie in de samenleving? Een kwestie die weer actueel is geworden door de videofilm 'Faces of Death', een collage echte en 'net echte' dodelijke ongevallen, moorden en executies; reality tv in de meest macabere vorm. Wetenschappers hebben zich indringend beziggehouden met de hier gestelde vraag. Het zwart-witte antwoord: natuurlijk leidt geweld in de media tot meer agressie, vraagt om nuancering. Mediageweld heeft niet op elk kind dezelfde invloed. 'Vooral kinderen die "van nature" al tamelijk agressief en niet al te intelligent zijn, hebben de grootste ontvankelijkheid voor mediageweld.' Geweldfilms dragen bij tot agressiever gedrag, maar dan wel bij kinderen die van zichzelf al agressief zijn. Meisjes zijn over het algemeen veel minder agressief dan jongens, zo wordt aangenomen. Ze willen meestal niet eens naar geweldfilms kijken.
Het grootste gevaar van een overdosis mediageweld ziet Van der Voort dan ook niet in de toename van agressie, maar eerder in een emotionele afstomping bij het zien daarvan. 'Dat gevolg is in wetenschappelijk onderzoek heel overtuigend aangetoond. We herkennen het in onszelf en het overkomt niet alleen kinderen maar ook volwassenen. Als je iets verschrikkelijks vele malen herhaald ziet, wordt het steeds minder erg. Een dagelijkse confrontatie met uitgemergelde Afrikaanse kindertjes met oedeembuiken mist dan op den duur iedere uitwerking. Het is van ons uit gezien misschien niet eens zo'n ongezonde reactie om daar niet dagelijks opnieuw ondersteboven van te zijn. Maar het leidt op den duur wèl tot onverschilligheid.'
Emotionele afstomping, vindt Van der Voort, is bij een videofilm als 'Faces of Death' dan ook een reëler gevaar dan agressieverhoging. Hij verwacht overigens dat over een poosje de belangstelling voor zulke films wel weer zal afnemen. Op een gegeven moment is het nieuwtje er gewoon af. Waar die fascinatie met echte gewelddadigheid in videofilms vandaan komt, weet Van der Voort echter ook niet precies. Hij denkt dat het vergelijkbaar is met het oploopje dat als vanzelf ontstaat op de plaats waar een ongeluk is gebeurd; of het gevoel van opwinding dat zich van bijna iedereen meester maakt wanneer er in de buurt brand uitbreekt. Veel mensen zijn nieuwsgierig, ze willen schokkende dingen zien. Allemaal heel begrijpelijk en heel menselijk.
Echt geweld op televisie roept meestal weerzin op. Over de wijze waarop kijjkers het echte geweld van 'Faces of Death' ervaren, is nog weinig bekend, maar het is niet waarschijnlijk dat ook hier weerzin het resultaat is. Waarom? Van der Voort: 'Het journaal confronteert de kijker met geweld zonder dat deze het zelf heeft opgezocht. Afhankelijk van de manier waarop dat geweld wordt gepresenteerd, kan het je raken en gevoelens van medelijden en afschuw oproepen. Wie een video huurt zoekt dat geweld wel op en heeft er blijkbaar aardigheid in. Dat vindt ik nogal een verschil. Je hebt ervoor betaald om het te mogen zien. Als je dit geweld zoekt en weet te vinden, heb je daarna steeds, iets sterkers nodig om dezelfde behoefte te bevredigen. Dat kan er gemakkelijk toe leiden dat je uiteindelijk nergens meer van opkijkt'.
Van der Voort ziet er weinig in om zulke films door de overheid te laten verbieden. 'Wanneer de overheid daartoe overgaat, duiken ze onder in het clandestiene circuit, en dat maakt ze alleen maar nóg interessanter. Maar als ouders zeggen dat die rotzooi - want ik vind het wel rotzooi, laat daarover vooral geen misverstand bestaan - het huis niet in komt, lijkt me dat heel verstandig. Dat zou ik ze zeker aanraden. Daarmee is het probleem overigens niet opgelost, want dan kunnen ze de film nog zien bij een vriendje. Maar je hebt wèl gedaan wat je kon.'
Intussen valt niet te ontkennen dat steeds meer mensen vrees kennen voor agressief gedrag om zich heen. Zeker in stedelijke gebieden voelen veel mensen zich niet echt veilig. Het kan dan wel zo zijn dat er op agressie in onze samenleving een taboe rust. Maar waar het peil van de beschaving daalt, komt dit taboe ook meer en meer ónder druk te staan.
Graft en agressie
Van prof. dr. A. Th. van Deursen, hoogleraar nieuwe geschiedenis aan de VU, verscheen vorig jaar een prachtig boek met als titel 'Een dorp in de polder' en met als ondertitel 'Graft in de zeventiende eeuw'. Er verschenen intussen al meerdere herdrukken van dit historische boek over een dorp dat indertijd even ten zuiden van Alkmaar lag. In 'In de Waagschaal' van 1 juli 1995 (nw. jrg. 24 nr. 9) besteedt ds. M. G. L. den Boer aandacht aan deze publikatie. Mij gaat het om een fragment uit deze bespreking waaruit blijkt dat agressie geen nieuw fenomeen is in de samenleving, ook al zijn we niet vooruitgegaan op dit punt.
Volgens Van Deursen waren de mensen van Graft en omgeving niet agressief in hun dagelijks gedrag en ook niet in hun wijze van geloven. Maar er waren uitzonderingen. Heyndrick Aelbertsz., een schoenmaker uit De Rijp, schreef een spotrefrein op wat hij de Geneefse inquisitie noemde, maar voor zijn aanklacht tegen gereformeerde vervolgzucht moest hij voorbeelden ontlenen aan Friese en Groningse plakkaten. Hij kreeg een boete van 25 Kennemer ponden, voor die tijd een milde straf en dat niet zozeer omdat hij de kerk had gelasterd als wel omdat zijn verdachtmakingen zich hadden uitgestrekt tot de Staten van Holland. Slechts één keer is een streng vonnis in de zeventiende eeuw op het Schermereiland geveld. Dit vonnis betrof de 42-jarige Jop Jansz. Samen met enkele vrienden had hij ten huize van Claes Sloten kerkje gespeeld. Het eerste vers van Psalm 100 was gezongen. Jop had als dominee gepreekt over Jacobus 4 vs 11, 'na sijn goet duncken recommanderende de armen', en Tamis Jansz. was met de collectezak rondgegaan. De dienst werd besloten met de doop van vier poppen. Daarna had men het 'collectegeld' in de kroeg omgezet in sterke drank. Jop Jansz. werd veroordeeld tot zes jaar verbanning. In zijn beoordelmg van het vonnis trekt Van Deursen een lijn naar het heden. 'De moderne mens zal de afstand in tijd tot de zeventiende-eeuwse Grafters zelden zo sterk voelen als bij het lezen van dit vonnis. Aanstoot geven aan de vromen is immers juist een standaardmotief in de hedendaagse cultuur...' (319) Een standaardmotief in de hedendaagse cultuur! Het aanstoot geven bemerken wij voor de radio en de t.v., in pers en boek. Van Deursen legt het verschil uit tussen de twee vonnissen. De beschuldiging van Heyndrick werd dikwijls in de polemiek van die tijd uitgesproken. 'Er waren genoeg rechters die het zelf zo zeiden.' Jop echter heeft iets anders gedaan. Hij maakte de hele eredienst belachelijk, in prediking, gemeentezang, sacramentsbediening en oefening van barmhartigheid. Er was geen sprake van zakelijke bestrijding, maar enkel van bespotting. Er was een grens overschreden en dat werd toen niet gepikt. Ik meen dat we het ook nu niet moeten pikken en dat we de intolerantie van bepaalde lieden aan de kaak moeten stellen.
Wie geïnteresseerd is geraakt in het boek van prof. Van Deursen: het is een uitgave van Bert Bakker te Amsterdam en zeer de moeite waard. Wellicht een vakantietip voor liefhebbers van historische lectuur. Om een door stress en drukte opgefokt en licht agressief geraakt gemoed tot kalmte te brengen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1995
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1995
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's