Nog eens: de Gereformeerde formeerde Bond en de trend van de tijd
Voortgezet gesprek met dr. ir. J. van der Graaf
In de Waarheidsvriend van 15 juni jl. reageerde ik op het door dr. J. van der Graaf op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond gehouden referaat over 'Kerkelijke schaalvergroting en de vraag naar kleinschaligheid'. Ik sprak er mijn verbazing over uit dat de algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond zich voor zijn afwijzing van het Samen op Weg-proces beriep op de 'trend van de tijd': de ook door (godsdienst)sociologen aangewezen algemene 'roep om kleinschaligheid'. Mijn vraag was: sinds wanneer laat de Gereformeerde Bond zijn opstelling bepalen door de 'trend van de tijd Waar blijven nu de grote, principiële bedenkingen tegen Samen op Weg, zoals de Bond die vroeger naar voren bracht?
In zijn antwoord, in hetzelfde nummer, betoogt dr. Van der Graaf dat het een misverstand is, te menen dat die principiële bedenkingen niet meer zouden gelden. Hij stelt dat er een samenhang is tussen die principiële bezwaren en de in zijn referaat besproken kwestie van de klein-, c.q. grootschaligheid. De (in de Hervormde Kerk al spoedig na de oorlog gegroeide) grootschaligheid had, zo betoogt hij, direct te maken met de nadruk die werd gelegd op het apostolaat van de kerk, ten koste van de aandacht voor het belijden. Wie het apostolaat vooropstelt heeft nu eenmaal een grootschalig instituut, een kolossaal apparaat, nodig. Het belijden is daarentegen een zaak die de gemeente na aan het hart ligt. Daarvoor is een grootschalig kerkelijk instituut overbodig. Kort (en in mijn eigen woorden) samengevat: zoals grootschaligheid keerzijde en kenmerk is van een kerk waarin alle kaarten op het apostolaat worden gezet, zo is kleinschaligheid keerzijde en kenmerk van een kerk waarin het belijden voorop staat.
Een te gemakkelijk verwijt inzake 'grootschaligheid'
Dit antwoord maakt wel iets, maar nog niet alles duidelijk. De redenering is mij te gemakkelijk, te stereotiep. Veruit de grootste organen van onze kerk, het meest bijdragend tot de 'grootschaligheid' van de Hervormde Kerk, zijn die van zending en diaconaat. Dr. Van der Graaf wil toch niet zeggen dat de kerk op die terreinen geen taak heeft? Dat deze organen er zijn heeft met de kijk op de verhouding tussen apostolaat en belijden helemaal niets te maken. Ze zijn de voortzetting van instanties die er al lang waren vóórdat de 'apostolaire' kerkorde van 1951 een feit werd.
Het apostolaire van de kerkorde heeft er trouwens wel toe bijgedragen dat de vroegere, particuliere zendingscorporaties (afgezien dan van de GZB) hun gezamenlijke arbeid onder de verantwoordelijkheid van de kerk hebben gebracht. Ik neem aan dat dr. Van der Graaf dit op zichzelf als een goede ontwikkeling beschouwt. En ik heb ook het idee dat hij geen bezwaren heeft tegen bijvoorbeeld het bestaan van raden op het terrein van het pastoraat, of de theologie, of de verhouding tussen kerk en Israël, of de catechese. Dan hebben we al een heel groot deel van het 'grootschalige' apparaat gehad. Bij bepaalde organen kan ik mij voorstellen dat dr. Van der Graaf kritische vraagtekens plaatst: de ROS, het instituut Kerk en Wereld. Maar juist die organen dragen bepaald niet bij aan een hervormde 'grootschaligheid'. Daarvoor zijn ze te klein, of staan ze te veel aan de kerkelijke marge.
Over 'Samen op Weg' hebben we het in dit verband dan nog niet. Komt dat wèl, alsnog, ter sprake, dan zou op te merken zijn dat in het (als werktekening door de gezamenlijke synode, ook de onze, aanvaarde) rapport 'Mensen en Structuren' althans een poging wordt gedaan, de (vaak zo genoemde) 'radenrepubliek' van onze kerk terug te brengen tot een overzichtelijk geheel van drie landelijke organen. Ook zou er op te wijzen zijn dat in dit rapport gepoogd wordt het accent te verleggen van het landelijke, synodale, naar het regionale niveau. Het bovenplaatselijke werk komt, bij verwerkelijking van 'Mensen en Structuren', dus dichter bij de gemeente, en zal, zo is de bedoeling, ook nadrukkelijk worden toegesneden op wat de gemeenten zelf als voor hen belangrijk aangeven.
Goed, op 'Mensen en Structuren' is kritiek mogelijk. Die kritiek is er, en moet serieus worden genomen. Maar het lijkt me niet correct, de plannen van tafel te vegen onder het (algemene, niet eens geconcretiseerde) motto 'grootschalig'. Het verwijt inzake 'grootschaligheid' is op de Samen op Weg-plannen minder van toepassing dan op de Hervormde Kerk zelf. En ook wat de Hervormde Kerk betreft is het veel minder van toepassing dan dr. Van der Graaf doet voorkomen.
Waarom nu deze oneigenlijke bezwaren tegen SoW?
Ik blijf dus de indruk houden dat dr. Van der Graaf, zowel in zijn referaat als in zijn antwoord op mijn reactie daarop, met oneigenlijke bezwaren tegen Samen op Weg komt. Dit zijn voor hem - en voor de Gereformeerde Bond - vast en zeker niet de kernkwesties. Ik voel mij op het verkeerde been gezet. Graag wil ik discussiëren, maar dan over de wezenlijke punten.
Ik blijf het ook merkwaardig vinden dat dr. Van der Graaf zich in zijn referaat zo uitdrukkelijk beroept op de 'trend van de tijd'. Jawel, ook het moderamen van de synode heeft, in zijn nota 'Samen op Weg: een schets van de stand van zaken', op die bestaande trend gewezen. Maar dat was puur beschrijvend, toelichtend. Heel wat anders dus dan wanneer men zich op deze trend beroept om daarmee een eigen beoordeling te beargumenteren. Dat laatste deed en doet dr. Van der Graaf Nogmaals, ik begrijp dat van hem niet. Het lijkt mij een overbodige verzwakking van de zaak die juist hij, juist de Gereformeerde Bond, meent te moeten voorstaan.
Dr. Van der Graaf zegt: de trend van de tijd is voor ons geen norm, maar waarschuwing. Wat is hier precies het verschil? Als , iets als 'waarschuwing' wordt opgevat, betekent dat immers dat daarmee gerekend, , dus ook daarnaar gehandeld moet worden? ! De vraag is nu juist: op grond waarvan juist deze 'trend van de tijd' als zodanig, als 'waarschuwing', wordt geïnterpreteerd.
Het is het goede recht van dr. Van der Graaf, te zeggen (zoals hij in zijn antwoord aan mij deed) 'dat SoW principieel niet moet'. Maar bij een dergelijke stellingname is dan ook het verwijzen naar bepaalde 'tekenen der tijden' als extra argumentatie volstrekt overbodig. Sterker: een dergelijke extra argumentatie zaait twijfel over de hardheid van de bedoelde 'principes'. Zijn die dan toch niet zo principieel als altijd werd gezegd?
Wie van oordeel is 'dat SoW principieel niet moet' doet er goed aan, uit te leggen waaróm niet. Dan is er tenminste een gesprek mogelijk. Ik heb het onbehagelijke gevoel dat dat gesprek door mijn gesprekspartner uit de weg wordt gegaan.
Dr. K Blei is secretaris-generaal van de Nederlandse Hervormde Kerk.
Naschrift
Vakantie van ondergetekende is er de oorzaak van dat het bovenstaande, van dr. K. Blei wordt geplaatst met enkele weken tussenpoze na het eerste artikel.
Ik reageer op bovenstaand 'voortgezet gesprek van dr. K. Blei in een naschrift, in een vijftal punten.
1. Nergens heb ik gezegd of geschreven, dat het belijden een zaak is, die (slechts) de gemeente na aan het hart ligt en het apostolaat een zaak van de kerk zou zijn. Het gaat om een belijdende kerk, die tegelijk belijdend en missionair is, waarbij het missionaire vanuit het belijden opkomt. Maar dat tweeledige karakter van de kerk zal in en vanuit de gemeente gestalte moeten krijgen. De 'grootschalige' kerk en de 'kleinschalige' gemeente moeten op elkaar zijn afgestemd. De kerk mag daarbij niet tegen de gemeente en het 'apostolaat' niet tegen het belijden worden uitgespeeld.
2. Als wij in de loop der jaren reeksen van geschriften en artikelen hebben geschreven, waarin het om het waarheidsgehalte van he kerkelijk belijden en het kerkelijk apostolaat gaat, wordt de zaak (door dr. Blei) wel heel erg scheef getrokken, wanneer nu ons wordt verweten, dat zorg om de gemeente de waarheidsvraag naar achter zou dringen.
Hebben wij nog niet genóég gezegd over het belijdend karakter van de Kerkorde van de 'Verenigde Protestantse Kerk in Nederland hebben we nog niet genóég gezegd over het feit, dat de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk elkaar vandaag slechts vinden kunnen, omdat de Gereformeerde Kerken goeddeels een middenorthodox karakter hebben gekregen, met ook sterk vrijzinnige stromingen? Dé middenorthodoxie krijgt in SoW een schaalvergroting, waardoor het gereformeerd belijdend karakter in SoW sterk wordt verschraald en verdund. Bovendien doet het vreemd aan wanneer dr. Blei de waarheidsvraag bij de G.B. lijkt te leggen, alsof niet de héle kerk die waarheidsvraag ernstig zou moeten nemen.
3. Wij zijn zeker overtuigd van de noodzaak van bovenplaatselijke organen voor zending en diakonaat. Het gaat ons echter ook dan om het belijdend karakter van deze organen en om de vraag óf en hóé ze vanuit een belijdende gemeente opkomen.
4. Nadat wij vorig jaar in deze periode 'Mensen en structuren' scherp onder kritiek hadden gesteld, is er een hevige discussie over losgebrand, die alles te maken had met het belijdend karakter van de kerk, met onlosmakelijk daarmee verbonden de kwestie van de verhouding van de bovenplaatselijke organen tot de gemeente en de eigenlijke taken van de kerk. Dat raakte de 'grootschaligheid die in SoW gehandhaafd blijft, de afkalving van de kerken ten spijt.
Het is toch niet voor niets dat juist 'Mensen en structuren' de kritiek opriep, het bovenplaatselijk instituut vooruitliep op de gemeente?
5. En dan nog eens de 'kleinschaligheid' op zich. We bedoelden kleinschaligheid niet als principe. Maar het mag ons een zorg zijn, dat de liefde voor de kerk in de gemeenten en onder de leden der gemeenten bewaard blijft.
Binnen vele gemeenten leeft sterke liefde voor 'de vaderlandse kerk' vanwege haar oorsprong, haar geschiedenis, haar gereformeerd belijden; om de trouw Gods in de geslachten bovenal. Die liefde staat in SoW op het spel. SoW zou daarom de secularisatie wel eens verder kunnen bevorderen, wanneer namelijk gemeenten, alléén al door toenemende controversen, de terugslag er van ondervinden, zodat mensen afhaken of elders hun heil zoeken. In dit laatste ligt een waarschuwing in 'de trend van de tijd', die we op zich niet positief hebben beoordeeld. We behoeven echter toch ook niet blind te zijn voor de werkelijkheid? Belijden heeft toch ook alles met beleid te maken?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1995
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1995
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's