Om de zondaren zalig te maken
Schuld en schuldbesef in de prediking (1)*
Zeg mij, hoe u denkt over zonde en ik zal u zeggen hoe u denkt over God, over Christus, over de Heilige Geest, over de wet van God, over het eeuwig Evangelie en over de waarheid.
Ik wil met deze zin slechts aangeven het belang van ons onderwerp: schuld en schuldbesef in de prediking. Bezinning op de verkondiging is altijd een aangelegen punt. Wie er zelf in staat, weet welke worstelingen dat met zich meebrengt. Er hangt ontzaglijk veel van af. Het heeft immers God behaagd door de dwaasheid van de prediking zondaren zalig te maken!
Daarbij stuiten wij bij ons onderwerp op de vraag naar de kenbron van de zonde, naar de weg waarop ze gekend wordt. Het is een vraag die voortdurend haar actuele betekenis heeft in prediking en pastoraat. Dat daarbij de verhouding Wet en Evangelie een kernprobleem, zo niet hèt kernprobleem van de theologie is, laat zich verstaan. Met ons onderwerp is dan ook de vraag naar de plaats van de wet in de prediking gegeven.
Een grondig werk
In 1888 hield Spurgeon een preek onder de titel: Gezaaid onder de doornen (Matth. 13). Hij vroeg daarin aan zijn hoorders:
Waarom zouden zoveel belijdende christenen zijn als die grond vol doornen? Het is omdat er processen in gang zijn gezet en tot ontwikkeling zijn gekomen, waardoor de dingen zijn veranderd. Het was de taak van de boeren de doornen eruit te trekken of ze ter plekke te verbranden. Jaren geleden, als mensen werden bekeerd, placht er zo iets te zijn als een overtuiging van zonde. De ploeg van Gods Woord en wet trok diepe sporen in de ziel. Ook brandde er een vuur met een buitengewone hitte: als mensen zonden zagen en de verschrikkelijke gevolgen ervan voelden, werd de liefde tot de zonde eruit gebrand. Maar nu worden we vergast op 'rapid salvations' (Spurgeon doelt daarmee op mensen die van het ene moment op het andere bekeerd worden). Wat dat betreft: ik geloof in plotselinge bekeringen. Ik ben blij als ik die waarneem. Maar ik ben nog meer verheugd, als ik een grondig werk van de genade zie, een diep gevoel van zonde bespeur en een daadwerkelijk gewond zijn door de wet. We zullen nooit bevrijd worden van doornen door ploegen die alleen maar de oppervlakte raken.'
Ik heb er geen enkele behoefte aan mee te doen met het koor van beroepsklagers, maar de vraag is gewettigd: Hoe zit het nu met de noties van schuld en schuldbesef, ook in de verkondiging? De gereformeerde positie was en zal altijd moeten zijn de boodschap van zonde en genade, oordeel en vrijspraak, wet en Evangelie. Komt die positie niet meer en meer onder druk te staan? Wij hebben ons in het verleden altijd verzet tegen een verkondiging die van wat dan ook maar uitging. De leer van de veronderstelde wedergeboorte — in het neo-calvinisme uitgedragen en geloofd — vond geen gehoor. Terecht. Maar moeten wij ons thans niet keren tegen een verondersteld geloven, waarbij de verkondiging niet meer het slagveld is van de levende ', God, maar de mededeling van de aangebrachte stand van zaken? Ik vraag me in toenemende mate af of de kerk niet bezig is zich te vertillen aan een volstrekt onmogelijke opgave: om rechtvaardigen te roepen tot bekering. Deze en andere vragen laten zich niet onderdrukken.
Allen afgeweken
Het moet voor ons dan ook vaststaan dat de bijbelse leer van de zonde fundamenteel, gróndleggend is voor de bijbelse leer van de verlossing in en door Jezus Christus.
Er kan geen enkel misverstand over bestaan dat het Gods oogmerk en bedoelen is, zondaren te redden. Al die zaken die wezenlijk zijn voor het heil, zoals Gods genadige verkiezing van eeuwigheid, de vleeswording van de Zoon van God, Zijn kruis, dood en opstanding. Zijn hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest, alsmede de toepassing van dat heil, veronderstellen de bijbelse leer van de zonde. Zondaren worden door Jezus Christus gered. Hij is genoemd een Vriend van tollenaren en zondaren (Mt. 11 : 19). Hij is niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars, tot bekering (Mt. 9:13). De Farizeeën die zich zozeer aan de Christus ergerden en zich contra Hem opstelden, kregen te horen: die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet nodig, maar die ziek zijn (Mt. 9 : 12). En om niet meer te noemen, uit Paulus' geïnspireerde pen vloeide het woord dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken (1 Tim. 1:15). Het christelijk geloof is de religie voor zondaren. Het kardinale daarbij is de vergeving van de zonden, wat naar het woord van een kerkvader de deur van de kerk is.
Als het dan daarom gaat, ligt aan de verkondiging ten grondslag de bijbelse notie dat alle mensen zondaren zijn. Al de geïnspireerde bijbelschrijvers leren de totale verdorvenheid van heel het menselijk geslacht. Toen Adam viel, nam hij in die val heel het menselijk geslacht mee. Het is de apostel Paulus die in de Romeinenbrief, hoog opgeeft van de genade van God in Christus. Als geen ander is hij doordrongen van Gods ontferming en barmhartigheid. Bij de inzet van zijn brief geeft hij aan dat hij zich het Evangelie van Christus niet schaamt; want het is een kracht van God tot zaligheid een ieder die gelooft. Daar zingt hij van de geloofsgerechtigheid. De rechtvaardige immers zal uit het geloof leven (Rom. 1:16, 17). Vanaf vs. 18 geeft de apostel dan in enkele hoofdstukken de bijbelse leer van de zonde. Hij bewijst daar dat alle mensen zondaars zijn. Dat geldt zowel heiden als jood. Alle heidenen zijn zondaars. Daarbij is niemand te verontschuldigen. Maar niet alleen de heidenen, ook de joden vallen onder dit oordeel. In het derde hoofdstuk van deze zelfde brief laat Paulus zien dat de joden er niet van uitgezonderd zijn. Al zijn hun de woorden Gods toebetrouwd (Rom. 3 : 2). Hij werpt de vraag op: wat dan? Zijn wij (joden) beter, uitnemender dan zij (de heidenen)? Ganselijk niet; want wij hebben tevoren beschuldigd beiden joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn, dat er niemand rechtvaardig is, niemand verstandig, allen zijn afgeweken, dat er niemand is die goed doet, tot niet één toe (Rom. 3 : 9, 20). Paulus trekt daar dan deze conclusie uit: wij weten nu, dat al wat de wet zegt, dat zij spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem (Rom. 3 : 19, 20).
Indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben
Het is van het grootste belang dit te weten. Dat alle mensen van nature dood zijn in de zonden en de misdaden, dat de toorn van God op hen rust. Dat ze schuldig staan voor God, vijanden zijn van God, van Christus en van hun eigen zaligheid. Nu is deze leer geen specialiteit van Paulus, de Heilige Geest bevestigt die op andere plaatsen in de Heilige Schrift. Want geen mens is er, die niet zondigt (1 Kon. 8 : 46). En ga niet met Uw knecht in het gericht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (Ps. 143 : 3). Voorwaar er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt (Pred. 7 : 20). Indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar en Zijn Woord is niet in ons (1 Joh. 1 : 8, 10). Wie durft het op te nemen tegen de wijze Salomo, die zei: die kan zeggen: k heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde (Spr. 20 : 9)? En dat ook het hart der mensen vol boosheid is en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna moeten zij naar de doden toe (Pred. 9 : 3)? Wie wil ontkennen wat de apostel van de liefde schrijft, dat de hele wereld in het boze ligt (1 Joh. 5 : 19)?
Deze gegevens zijn te duidelijk om misverstaan te worden: alle mensen zijn zondaren. En als het zo ligt, zullen deze noties hun plaats in de prediking moeten hebben. Daarbij moeten we vervolgens, tot een recht verstaan, weten wat het wezen van de zonde is. Dat moeten we weten, omdat wanneer we geen zonde zien in onszelf, we ook geen behoefte aan de Zaligmaker hebben. Wanneer we ons niet bewust zijn van het kwaad in ons hart, is er geen verlangen tot de verandering van onze verdorven natuur. Wie denkt dat de zonde een onschuldige zaak is, zal de gedachte koesteren dat een vlotte schuldbelijdenis afdoende of dat een uiterlijke reformatie ruimschoots voldoende is om vergeving te ontvangen en voor God te kunnen bestaan. Als God Zelf spreekt over het kwaad van de zonde, gebruikt Hij sterke taal: ontzet u hierover gij hemelen en zijt verschrikt, wordt zeer woest, spreekt de Heere. Want Mijn volk heeft twee boosheden begaan; Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken die geen water houden (Jer. 2 : 12, 13).Waarom laat de Heere deze woorden, die er niet om liegen, horen, anders dan dat Hij zwaar aan de zonde tilt? Zó zwaar neemt God dat op, dat Hij die, eer dat Hij ze ongestraft liet blijven, ze gestraft heeft aan Zijn eigen lieve Zoon met de bittere en smadelijke dood des kruises.
Wij beseffen nog op geen stukken na hoe groot, naar het woord van Anselmus, het gewicht van de zonde is. Maar laat het ons gezegd zijn: wanneer een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de goden, de rechters hem oordelen; maar wanneer een mens tegen de Heere zondigt, wie zal voor hem bidden, wie zal voor hem tussen treden (1 Sam. 2 : 25)? God is onze Maker, onze Schepper, onze Rechter. Hij is heilig en rechtvaardig en zeer te duchten. Wij zijn gehouden Hem lief te hebben, te vrezen, te eren en te gehoorzamen. Te zondigen tegen Hem is schaamteloos, ondankbaar, goddeloos èn stelt schuldig.
Verootmoedigend
Als het gaat om het wezen van de zonde, kunnen we veel leren van de namen die er in de Bijbel aan worden gegeven. Dan klinken deze woorden: hoogmoed, ongehoorzaamheid, overtreding, ongerechtigheid, dwaasheid, vermetelheid, boosheid van hart, opstand, kwaad, kwade vruchten, onreinheid, vuilheid, bederf, weerspannigheid, walgelijkheid, vloek.
Op dezelfde manier wordt er gesproken van mensen die zondige, goddeloze daden doen: boze werken, werken der duisternis, dode werken, werken van het vlees, werken van de duivel. De zondaar, de natuurlijke mens, die zonder God en zonder Christus leeft, wordt genoemd onrechtvaardig, onheilig, kwaaddoener, verleider, verachter, kind van de duisternis, kind van de duivel, kind van de hel, bederver, afgodendienaar, vijand van God, vijand van alle gerechtigheid, leugenaar, bedrieger, huichelaar.
Zoveel is hier wel duidelijk, valt het woord zonde, gaat er hoe dan ook een wereld open. Het is door de zonde dat het verstand van de mens dermate verduisterd is, dat hij niets kan zien van God in God, niets van heiligheid in heiligheid, niets van het goede in het goede of van kwaad in het kwade noch iets van de zonde in het zondige. Het is zelfs omgekeerd. Hij is zo verduisterd dat hij zichzelf voorhoudt dat hij het goede in het kwade, het kwade in het goede, het geluk in de zonde en in heiligheid ellende ziet.
Uit het niet beseffen van het gewicht van de zonde, waarmee vervlochten is het niet kennen van God en het niet verstaan van Zijn heilige wet, vloeit heel wat voort: het gering achten van het kwaad van de zonde en de schuld van de zonde; geestelijke hoogmoed, zelfbedrog en — wat het meest ernstig is — een niet waarderen van de allerkostbaarste gerechtigheid van Christus.
* Enigszins bewerkte weergave van de lezing gehouden op dinsdag 2 mei in een bijeenkomst van predikanten en studenten. Van het vermelden van aantekeningen is (terwille van de leesbaarheid) afgezien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1995
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1995
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's