Door de wet is de kennis der zonde
Schuld en schuldbesef in de prediking (3)*
We legden de vorige keer ons oor te luisteren bij een tweetal 20e-eeuwse invloedrijke theologen. Het ging om K. Barth en zijn 'Evangelie en wet' uit 1935 alsmede om H. Berkhof en zijn 'Crisis der middenorthodoxie', dat hij in 1950 publiceerde. We namen daar afstand van. In dit artikel komen we nog wat dichter bij huis en richten de blik op dr. W. J. Ouweneel en zijn nieuwste boek 'Godsverlichting'. Hij zegt hierin mooie dingen, die terzake zijn. Hij geeft stof tot nadenken èn roept tegenspraak op. Hierbij ga ik maar voorbij aan zijn bepaald forse uithalen naar de scholastiek, waarbij hij niet wordt gehinderd door ingetogenheid (hij wil de scholastiek meedogenloos aan de kaak stellen en uitroeien, ze moet ontmaskerd en veroordeeld worden); ik ga ook voorbij aan het feit dat naar zijn inzicht de belijdenisgeschriften slechts antwoorden geven op vragen van die tijd (dat is onjuist, want de belijdenisgeschriften stellen geen situatievragen, maar levensvragen en we kunnen niet dankbaar genoeg zijn voor de daar gegeven antwoorden!); ik ga ook voorbij aan de afwijzing van wat hij noemt de onbijbelse en desastreuze leer van de dubbele predestinatie (daar zit heel wat meer aan vast dan Ouweneel voor waar wil hebben).
Zondag 2 onder vuur
Waar het me om gaat is dat Ouweneel in zijn boek in het kader van de evangelieverkondiging en evangelisatie de vraag opwerpt van zondag 2 van de Heidelbergse Catechismus: Waaruit kent gij uw ellende? Van het antwoord op die vraag (uit de wet van God) neemt hij afstand. Hij doet dat om een drietal redenen. De eerste is dat het antwoord uitgaat van een vanzelfsprekendheid die in een tijd van Godsverduistering niet meer opgaat. Hij sluit hier aan bij dr. C. Graafland, die heeft opgemerkt dat dit antwoord eigenlijk alleen gegeven kan worden in een context, waarin het bestaan van God en zelfs van Zijn wet als algemeen geldig en aanvaard worden verondersteld. Maar dat is juist in onze tijd niet meer mogelijk, althans bij velen niet meer.
In de tweede plaats, zegt Ouweneel, veronderstelt dit antwoord van de catechismus het scholastische wet/Evangelie dualisme van Luther en Melanchton. Dit dualisme gaat zelf weer uit van het aangeboren Godsbesef, dat op zijn beurt nauw verband houdt met het vroegprotestantse dualisme van de algemene en bijzondere openbaring.
De derde reden die hij dan noemt is dat zelfs afgezien van de Godsverduistering en de lutherse scholastiek het antwoord niet klopt. Het is een schematische, om niet te zeggen methodistische benadering van de bekering en wedergeboorte, die in talloze gevallen het Evangelie nodeloos in de weg gestaan heeft. Sommige mensen die bekeerd worden, leren hun ellende misschien kennen uit de wet Gods, maar lang niet alle mensen die bekeerd worden, leren hun ellende op deze wijze kennen. Dat is zeker vandaag, in een tijd van Godsverberging, het geval, maar ook in de tijd van de Reformatie en 'zelfs' in de apostolische tijd was dat al zo. Het duidelijkste en treffendste voorbeeld vindt Ouweneel Saulus van Tarsus. Waaruit heeft hij zijn ellende leren kennen? Uit de wet Gods? Bepaald niet. Het was de openbaring van Christus, die hem tot kennis van eigen onwaardigheid bracht. De wet was in het geval van Paulus beslist geen tuchtmeester tot Christus.
Tot tegenspraak prikkelend
Wat betreft het eerste argument dat Ouweneel noemt, dat bij antwoord 3 van de Catechismus de vanzelfsprekendheid van het bestaan van God is verondersteld, klemt een tegenvraag. Zou hij zich een vorm van evangelieverkondiging of van evangelisatie kunnen voorstellen, die Gods bestaan niet veronderstelt? Ik kan mij dat niet voorstellen.
Natuurlijk pleit niemand voor onverstaanbaarheid. Alleen, de schriftuurlijke waarheid van de dingen die verkondigd (moeten) worden, staat of valt toch niet met het gegeven dat mensen het al of niet verstaan. Wel zullen we vandaag in tegenstelling tot vroeger in de verkondiging en in het evangelisatiewerk veel meer beginnen met het uitleggen van niet meer algemeen bekende grondwaarheden. Maar waar het om gaat, is dat de waarheid van een inzicht niet afhankelijk is van de hoeveelheid kennis die je kunt veronderstellen bij een toehoorder. Het punt is dat de mens - vroeger en nu - geen smaak heeft in de eeuwige en geestelijke dingen: zijn verstand is door de zonde verduisterd. Aan wie schrijft Paulus, om maar iets te noemen, zijn brief aan de Efeziërs? Aan hele 'gewone' mensen, waaronder slaven. Maar zij waren onderwezen door de Heilige Geest.
Wat betreft het tweede argument gaat Ouweneel in zijn kritiek van scholastiek en dualisme helaas voorbij aan de kernvraag. En dat is deze: of de catechismus zich misschien beroept of kan beroepen op gedeelten uit de Schrift. Het is terecht dat de catechismus zich beroept op o.a. Romeinen 3 : 20 en 7 : 7. Het is Paulus die daar schrijft dat door de wet de kennis der zonde is. Op dit punt had Ouweneel dus op z'n minst aan moeten tonen dat en waarom de catechismus deze teksten heeft misverstaan. Ik kan het niet anders zien of deze Schriftgegevens pleiten toch sterk voor antwoord 3. Daar komt dan nog wat bij. De vraag is gewettigd of de onderscheiding van wet en Evangelie wel een dualisme is. De tegenstelling tussen wet en Evangelie als tegenstelling tussen de werken en het geloof is goed paulinisch. Zo gezien raakt de kritiek op zondag 2 Paulus zelf.
Als het gaat om het derde argument (dat het antwoord niet klopt, dat het schematisch en methodistisch is) hoeven we niet te bestrijden dat een besef van de barmhartige goedheid en trouw van God in Christus nauw verbonden is met een besef van eigen onwaardigheid. Maar dat heeft Paulus er niet van weerhouden om te schrijven dat hij de zonde niet kende dan door de wet (Rom. 7 : 7). Ouweneel haalt als kroongetuige voor zijn gedachtengang diezelfde Paulus aan. De man die in verblinding de gemeente van de Heere Jezus vervolgde.
Hij werd inderdaad op de weg naar Damascus stil gezet door de verheerlijkte Christus. Maar wat gebeurt er dan bij die ontmoeting? Daar en dan vraagt Christus aan Paulus rekenschap van een overtreding: 'Wat vervolgt gij Mij'! Daarmee is dan tegelijk gezegd dat kennis van zonde , altijd veronderstelt de kennis van een norm, die overtreden is. Die norm is de wet.
Wij kunnen geen andere conclusie trekken dan dat Ouweneel geen steekhoudende argumenten levert, waarom van de catechismus afstand genomen zou moeten worden.
God laat Zijn wet scherp preken
Door de wèt is de kennis der zonde en niet uit of door het kruis. Wij voegen daar wel aan toe, dat juist in en door Christus en in Zijn kruis de geestelijke zin van de wet het diepst wordt ontdekt. Hieruit volgt dat de prediking van de wet in de dienst van het Evangelie niet kan worden gemist, integendeel. Die is zeer noodzakelijk.
De wet heeft zijn plaats zowel in het komen tot geloof als in het leven van het geloof (zondag 2 en zondag 44). Het is Kohlbrugge, die ons in meer dan één opzicht uit de droom kan helpen en ook vandaag een uitnemend medicijn is. Hij vraagt ergens: Wat is dus in weinige woorden uw leer van de wet? De wet is de zichtbare vertegenwoordigster van God op aarde. Alleen uit de wet der tien geboden kunnen we Zijn wil kennen en hebben daarnaar onze handel en wandel te richten. De wet moet derhalve hoog geëerd en gehandhaafd blijven in de gemeente. Daarom echter moeten wij, omdat wij mensen en zondaren zijn, algeheel afstand gedaan hebben van onze waan, als zouden wij ook maar één enig gebod van de wet kunnen vervullen en moeten we geheel in Christus gevonden worden, opdat de wet niet geschonden worde, maar in waarheid bij ons vervuld worde. Dan vraagt hij: Wat is wel de gevaarlijkste dwaling in verband met de wet? Dat de mens meent, als zou het er niet zo nauw op aankomen, en dat hij dan terwille van zijn buik en ijdel genot en om door de wereld te komen meent, van de wet zoveel te mogen afdoen of er aan toe te mogen voegen, als bij zijn omstandigheden past — waarbij hij zich dan vleit met het geloof, met de barmhartigheid Gods en met de verdienste van Christus.
Als dan de wet de zichtbare vertegenwoordigster van God op aarde is. God in Zijn openbaring met die wet op ons afkomt, dan doet Hij dat als de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Dan doet Hij dat in het kader van het genadeverbond: Ik ben de Heere uw God. Dan doet Hij dat niet om te verderven, maar om te behouden. In die zin is de verkondiging van de wet vrucht van de genade. Alleen, dat is dan nog geen genadeverkondiging. En heeft Barth ongelijk, volstrekt, dat de wet de vorm zou zijn waarin het Evangelie tot ons komt. En vervolgens kunnen we die verkondiging ook niet missen — en dit contra Ouweneel — want deze wetsprediking maakt ontvankelijk voor het Evangelie. God in Christus komt door Woord en Geest tot de zondaar, terwijl Christus omgeven is door een wolk van majesteit en heiligheid. D.i. Sinaï — de wet! Daardoor wordt die zondaar neergeworpen, verbrijzeld en tot boetvaardigheid gebracht. En dat is nodig.
Wees mij genadig o God
Nu bedoel ik dit niet in methodistische zin. Ook pleit ik niet voor een piëtistische 'Busskampf. Ik zeg dus niet dat de mens eerst voor God verbrijzeld moet worden voordat hij op Christus mag zien, tot Christus mag komen. Maar ik wil wel volhouden, dat voordat de mens verbrijzeld is, Christus door Hem niet gekend, niet gevreesd, niet geëerd, niet geacht wordt. Daarom is het de bediening van de Heilige Geest in de toepassing van het heil dat daarin wet èn Evangelie functioneren.
Wie zonder vooringenomenheid het oor te luisteren legt bij het hele Woord van God, hoort van alle kanten: Door de wet is de kennis der zonde. Waarbij de geestelijke diepten van de wet juist door Christus en door Zijn kruis het aangrijpendst worden ontdekt. Voor de verkondiging van het Evangelie als Evangelie is dit van het grootste belang.
Passen wij dan op voor het preken van de wet los van het Evangelie van de Heere Jezus Christus. We slingeren in de verkondiging niet met vloek en doem (in de waan scherp te zijn), terwijl het niet ontdekt en uitdrijft tot Christus. Dan kweken we óf een geslacht vrome Farizeeërs óf mensen worden wanhopig. We verkondigen de wet die ligt in de doorboorde handen van Christus. We preken ook geen Evangelie zonder wet. Dan hangt het Evangelie in de lucht. Het is de schoonheid van de gereformeerde religie om met twee woorden te spreken! De wet klaagt aan, jaagt op, werpt neer, doodt en verwondt. Maar kan het leven niet geven. Heeft geen kracht in de benen, zegt Luther. Het Evangelie redt, bevrijdt, geeft leven, geneest. Nog nooit is er iemand tot de Heere Jezus gevlucht, die niet zielsgraag van een zware last bevrijd wilde worden. De waarachtige bekering tot God zet in met de kennis van mijn schuld. Dat de Heilige Geest overtuigt, door het Woord en de wet van God. Dat Hij me confronteert met het onkreukbaar recht van de heilige God en al de eisen van de Goddelijke wet. Dan zullen we ps. 51 verstaan. Daar brengt de Heilige Geest elke boetvaardige smekeling. Want ik kèn mijn ongerechtigheden en mijn zonde is steeds voor mij. Wat doet hem zo bidden? Nathan de profeet was bij hem gekomen: Gij zijt die man! Dat was raak geweest. Het had hem gebroken. Bathseba, Uria. Gods heilige wet. Wij kunnen er niet dankbaar genoeg voor zijn als het in ons leven niet tot grote en uitbrekende zonden kwam. Als we ons dan toch maar bewust zijn dat de kiemen van elke zonde in ons aller hart zitten. In de diepte van Davids ziel is er de droefheid naar God, besef van de daadwerkelijke zonde, van de gruwelijkheid en het kwaad ervan. Dat was werkelijkheid en geen inbeelding: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad is in Uw ogen. Een boetvaardige smekeling, een tollenaar, die bidt: O God wees mij de zondaar genadig. Hij ging gerechtvaardigd in zijn huis.
Tenslotte
Een schriftuurlijk zicht op de verhouding wet en Evangelie, op de zonde is het beste tegengif tegen het vage, schimmige, mistige theologiseren dat in onze dagen zo pijnlijk nadrukkelijk aanwezig is. Een goed dienaar van Christus zal het Woord van de waarheid recht snijden. Daarbij zal hij onderscheiden tussen wet en Evangelie. Er staat heel wat op het spel. Preken wij het Evangelie zonder de wet, is het Evangelie geen goed nieuws voor verloren zondaars, maar zet mensen aan, binnen te gaan in het paradijs door de oude poort, die al eeuwen gesloten is en wordt bewaakt door engelen met het vlammende zwaard van de Goddelijke gerechtigheid. In het verkondigen van de Christus Gods en Zijn genade, kan dan ook het preken van de heilige wet van God in die geestelijke zin en betekenis, diepte en omvang niet gemist worden.
* Enigszins bewerkte weergave van de lezing gehouden op dinsdag 2 mei in een bijeenkomst van predikanten en studenten. Van het vermelden van aantekeningen is (terwille van de leesbaarheid) afgezien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1995
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1995
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's