De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Is er ook groei? (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Is er ook groei? (1)

9 minuten leestijd

Opschrift

Voor mij ligt het verzoek van de eindredacteur om een aantal artikelen te schrijven over de verschraling van het geestelijk leven.

Wanneer men als ambtsdrager op huisbezoek de ouderen hoort spreken, ontkomt men niet altijd aan de indruk dat er tijden zijn geweest waarin er van méér geestelijk leven gesproken kon worden dan in onze tijd.

Nu is het mij niet helemaal onbekend dat men met de verhalen van vroeger erg voorzichtig móet zijn.

Er zijn in de kerkgeschiedenis inderdaad perioden van geestelijke bloei aan te wijzen. Daarentegen zijn er ook tijden geweest waarvan men zich kan afvragen óf er nog wel sprake was van geestelijk leven. Van het echte bevindelijke geloofsleven was weinig meer te bespeuren.

Om die reden moeten wij maar voorzichtig zijn met het verheerlijken van het verleden. Ook tóen leefde men buiten het paradijs. Wanneer er van geestelijk leven sprake was, was dit alleen te danken aan de trouw des Heeren.

Uit het bovenstaande zal men begrijpen dat ik niet van plan ben het geestelijk leven van vroeger en nu te gaan vergelijken. Ik ga liever van het heden uit waarbij ik vanzelfsprekend de vraag stel, hoe komt het dat het geestelijk leven onder ons zo weinig opgewekt is en dat er zo weinig groei in wordt aangetroffen.

Als er over groei in het geestelijk leven wordt gesproken is dit meestentijd incidenteel. Dat evenwel een gehele gemeente groeit in het geloof, hoort men niet zoveel. Wat is daarvan toch de oorzaak? De kerken zijn doorgaans in onze gemeenten nog goed gevuld. Ook heeft men wel wat over voor het werk van de kerk. Men stelt een Bijbelse prediking zeer op prijs. En toch.... alles blijft even mat. In plaats van geestelijke groei in het geloof móet men spreken over schraalheid.

Nu zal men het wel met mij eens zijn dat het woord schraalheid een negatieve klank heeft. Ook al zal ik niet ontkennen dat dit inzake het geestelijk leven juist gesteld is, ga ik toch liever van iets uit dat positief klinkt.

In een gesprek met dr. W. H. Velema voor de radio viel mij op dat hij zei: 'wij hebben een positieve boodschap te brengen, omdat de inhoud van de boodschap positief is'. Ik ben ervan overtuigd dat hij gelijk heeft.

Er wordt in onze tijd zo negatief gesproken over de kerk, over de ambtsdragers, maar ook over het geestelijk leven dat men zich wel eens afvraagt, wat de uitstraling naar anderen daarvan zal zijn. Als er altijd maar negatief wordt gesproken over alles wat met de Heere en Zijn dienst heeft te maken, dan kunnen wij toch niet verwachten dat er aantrekkingskracht van zal uitgaan naar anderen?

Het opschrift van deze artikelen luidt dan ook: 'Is er ook groei? ' Dat klinkt anders dan een titel als: 'De schraalheid van het geestelijk leven'. Het gevaar bij laatsgenoemde titel is trouwens dat men alleen maar analyserend bezig is. Dat wil zeggen: het probleem wordt tot op het bot ontleed, maar er wordt geen weg gewezen, hoe het probleem opgelost zou kunnen worden.

Er wordt in onze tijd heel wat geanalyseerd zonder een uitweg te wijzen. Maar wie de Schrift laat spreken blijft niet in de analyse steken, maar probeert ook uit de Schrift een uitweg aan te wijzen.

Het gaat er dus niet om dat ik met deze artikelen in de schraalheid van het geestelijk leven blijf steken, maar ook wegen wijs naar groei in het geestelijk leven. Om dit laatste gaat het immers. Want wat niet groeit - en dit geldt ook voor het geloofsleven - sterft af.

De gemeente

Wanneer ik in het vervolg schrijf over de geestelijke groei, dan heb ik daarbij de gehele gemeente op het oog. Natuurlijk verlies ik daarbij niet de enkeling uit het oog.

Niettemin herhaal ik: het gaat om de gehele gemeente. Ik stel dit zelfs met enige nadruk. En wie mocht denken dat er een tegenstelling bestaat tussen gemeente en enkeling, doet er goed aan om met name de brieven van het Nieuwe Testament te lezen. Men zal er spoedig achterkomen, dat er in de brieven door de apostelen geen tegenstelling wordt gemaakt tussen gemeente en enkeling.

De gemeente wordt gevormd door de enkelingen. Maar in die gemeente blijven de enkelingen niet op zichzelf staan. Met elkaar vormen zij een gemeenschap. Dit laatste kan in onze tijd niet genoeg benadrukt worden.

Zowel in de maatschappij als in de kerk neemt de individualisering nog steeds toe. Déze individualisering (een ieder kotnt alleen op voor zichzelf) werkt in de hand dat men de gemeenschap uit het oog verliest. Alle nadruk valt op de enkeling.

Kerkelijk gezien wjl dit zeggen dat alle accent gelegd wordt op het zieleheil van de enkeling. Nu moet men mij goed begrijpen. Het heil van de enkeling is van groot belang. Zonder persoonlijk geloof zal men nooit voor de Heere kunnen verschijnen. Maar wie meent dat hij alleen in het geloof kan groeien zonder dat anderen daarbij een inbreng hebben, vergist zich schromelijk.

De verschraling van het geestelijk leven kon hiervan wel eens een oorzaak zijn dat men zo individualistisch is ingesteld dat men zich niet meer wil laten bevruchten door anderen. Dat men van de gemeenschap deel uitmaakt en daarvan leert, die visie is men kwijtgeraakt.

Vergeet het niet: het geestelijk leven groeit in de gemeente d.i. in de gemeenschap. Wie zich van de gemeente weinig óf niets aantrekt, moet ook maar niet verwachten dat er veel geestelijke groei zal zijn.

Men ziet: ik leg nogal nadruk op de gemeente. Alleen... hoe ziet die gemeente eruit?

De gemeente is géén club van gelijkgezinden. Het komt wel voor dat men de gemeente zo beschouwt, maar dat is dan niet de Bijbelse opvatting over de gemeente. De Schrift leert ons dat de gemeente bestaat uit zondaren die al hun heil van Jezus Christus verwachten. Die zondaren zijn het werkelijk niet altijd in alles met elkaar eens. Soms kunnen zij om futiliteiten elkaar danig in de haren zitten. Ook komt het wel voor dat zij liever de oren van elkaar wassen dan de voeten. Niettemin is het toch één gemeente. En als het gaat om de snijpunten van het geloof (ellende, verlossing en dankbaarheid) komen zij elkaar tegen en herkennen zij elkaar.

Nergens elders op aarde vindt men zo'n wonderlijk gezelschap als juist de gemeente des Heeren, maar omdat zij wonderlijk zijn samengebracht passen de leden van de gemeente zo goed bij elkaar. De gemeente is één in geloof En de groei van het geestelijk leven van de gemeente gaat niet zonder de groei van de enkeling.

Kan men echter ook zeggen dat de groei van het geestelijk leven van de enkeling afhangt van de groei van het geestelijk leven van de gemeente? Daarmee zou ik voorzichtig zijn om dit te zeggen.

Soms hoort men van een enkeling dat het geloof doorbreekt tot op Christus, en dat juist in een gemeente waarvan wordt gezegd dat het geestelijk leven er op een laag pitje staat.

Ook al moet er van het geestelijk leven in onze dagen gezegd worden dat het mat en schraal is, dat wil niet zeggen dat men niet hier en daar het werk Gods bespeurt. Het werk des Heeren gaat door en ook al ontbreekt soms de bevruchting van de gemeente, toch hoort men jongeren en ouderen zeggen in het geloof: 'Mijn Heere en mijn God'.

Is het geoorloofd?

In het bovenstaande vermeldde ik reeds dat de gemeente maar geen samenraapsel is. Hoe men het ookkeert of wendt: de gemeente is de gemeente des Heere. Men mag ook zeggen: zij is de gemeente van Jezus Christus.

Een vraag: mag men de gehele gemeente zo aanspreken? Is dit geoorloofd?

Het zal duidelijk zijn dat over deze aanspraak een zekere controverse of strijd is. Sommigen gebruiken haar per se niet en anderen opzettelijk juist wel. In beide gevallen is het een soort belijdenis. Men zegt daarmee, hoe men de gemeente ziet.

Wanneer men de aanspraak 'Gemeente des Heeren' niet gebruikt, wil men doorgaans daarmee uitdrukken dat men niet alle kerkgangers of doopleden of belijdende lidmaten voor wedergeboren houdt. Maar als deze aanspraak wel wordt gebruikt, komt het wel voor dat een voorganger daarmee wil uitdrukken dat hij al de aanwezigen voor ware gelovigen houdt.

Wie de prekenbundels van een eeuw geleden erop naslaat, komt erachter dat het met de aanspraak heel verschillend lag. Soms leest men boven een preek helemaal geen aanspraak, maar bij de meesten toch wel, ook al is het niet dat allen zeggen: 'Gemeente des Heeren'. Er waren er die hun gemeente aanspraken als: 'Hoorders', ook wel: 'Toehoorders'.

Ook in onze tijd vindt men in de prekenbundels heel verschillende aanspraken. Veel lijn is er niet in aan te brengen. Wel ziet men dat er andere aanspraken bij zijn gekomen. Bij het begin van de preek wordt de gemeente niet als gemeente óf gemeente des Heeren aangesproken, doch als: Medereizigers, op reis en weg naar een ontzaglijke eeuwigheid. In de Schrift zelf ben ik deze aanspraken zo niet tegengekomen. En hoewel ik versta dat men'in zo'n aanspraak de ernst van het leven wil leggen, toch zou ik hem nog niet zo snel gebruiken. De gemeente heeft recht om aangesproken te worden zoals ons in de Schrift staat aangegeven. Dat is: 'gemeente' of 'gemeente des Heeren'. Bij dit laatste doet men er goed aan om duidelijk uiteen te zetten wat men bedoelt om allerlei misverstanden te voorkomen. Als men onderscheidenlijk preekt, komt werkelijk wel naar voren wie zich als levend lidmaat van de gemeente des Heeren mag rekenen en wie niet.

Kort samengevat: de gemeente is de gemeente des Heeren! Zij is dit krachtens het Verbond. Het stempel daarvan is op het voorhoofd van de gemeente gedrukt. Helaas moet van die gemeente des Heeren wel gezegd worden dat het niet alles Israël is wat Israël heet. Ook zal niet een ieder van die gemeente het Koninkrijk van God beerven. Zelfs niet een ieder die zegt: Heere Heere. Helaas groeit er in de gemeente des Heeren ook onkruid. Maar dat houdt niet in dat wij de gemeente dan niet als gemeente des Heeren zouden mogen aanspreken.

De profeten hebben in het Oude Testament niet anders gedaan. Wanneer zij stonden voor de qahal Jahweh (vergadering, gemeente des HEEREN) dan spraken zij allen als zodanig aan. Zagen zij dan geen onkruid groeien? Meer dan ze lief was! Toch trokken zij het onkruid niet uit! Zij lieten dit aan de Heere over.

Zo hebben ook de ambtsdragers in het heden te doen. Zij behoeven niet te zuiveren. Zij behoeven niet te zeggen: 'die behoort bij de gemeente des Heeren en die niet'. De Heere maakt dat wel uit. Wie oordeelt is de Heere. Dat heeft Calvijn juist ingezien, doch daarover een volgend keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Is er ook groei? (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's