De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stemmen uit het verleden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stemmen uit het verleden.

Uit 'Om de Oude Kerk' Katwijk aan Zee

10 minuten leestijd

Wetende dat er onder ons gelukkig nog een hartelijke verbondenheid is met de voorge slachten en ook onder de jongeren de belang stelling voor het verleden leeft, dacht het o goed zo nu en dan op deze plaats iets te schrijven over de geschiedenis van het kerkelijk leven zoals dat gedurende de jaren der eeuwen plaatsvond op Katwijk aan Zee. Wij hopen er onze lezers een dienst mee te bewijzen.

Ds. Anthonie MacPherson Een vriend der waarheid

Nadat onze gemeente door het vertrek van ds. Isaak Cornells de Vijver op 28 mei 1855 wederom vacant geworden was, moest de kerkeraad omzien naar een nieuwe herder en leraar. Vijf maal ging de roep uit om over te komen en te helpen, onder andere naar ds. D. D. Beman Brouwer te Ede en ds. H. W. A. Verhoeff te Zuid-Beijerland. Doch steeds liep dit op niets uit, totdat eindelijk ds. Anthonie MacPherson, sedert 1853 predikant van het Friese Garijp en Suawoude, geen vrijmoedigheid vond te bedanken en liet weten over te komen naar Katwijk aan Zee. Op 18 november 1855 wordt hij verbonden aan zijn vierde gemeente met de woorden uit 2 Thess. 3 : 1 'Voorts broeders, bidt voor ons, opdat het Woord des Heeren zijn loop hebbe, en verheerlijkt worden, gelijk ook bij u.'

Ds. MacPherson is een predikant van onbesproken rechtzinnige signatuur. Een man die ademt in de sfeer van het Reveil. De talrijke meditaties van zijn hand, verschenen in de Evangelische Schatkamer en in het Weekblad van de Waarheidsvrienden, de vele leerredenen, afgedrukt in de series zgn. dubbeltjes-en stuiverspreken, die gedurende de vorige eeuw jaren achtereen werden uitgebracht door I. J. Malga in Nijkerk en G. van Peursem in Amsterdam, laten daar niet de minste onduidelijk over bestaan. In bewogenheid wordt gewezen op de diepe val waarin alle mensen verloren liggen, het oordeel dat wacht voor hen die buiten Christus sterven, maar als dan de Evangeliebazuin gaat klinken geeft ze geen onzuiver geluid. Een rijke Christus wordt verkondigd voor arme zondaren en geen ander fundament gelegd ­ dan hetgeen gelegd is, nl. Christus Jezus en ­ Dien gekruist. Zijn preken dragen beslist niet het stempel van de negentiende eeuw, ­ zwaarwichtig en moeizaam van compositie, het is alles even helder en fris, maar wars van alle modernisme. Dat komt ook zo krachtig naar voren in zijn korte verklaring van de Heidelbergse Catechismus die in 1861 in Franeker verscheen. Op heldere wijze wordt de zuivere leer der Schriften verdedigd, zoals die lange tijd bewaard bleef in de Hervormde Kerk, de rijkdom der genade en de volheid van het Evangelie. Grote teleurstelling klinkt over het Synodebesluit van 1858 om de vraag naar de wekelijkse prediking van de Catechismus te schrappen uit het reglement voor de kerkvisitatie. In het voorwoord van genoemd boekske, eigenlijk niet meer dan korte schetsen over iedere zondagsafdeling, wijst hij erop hoe de Heidelberger voor velen, al vanaf het uur van zijn geboorte, een steen des aanstoots was en een roots der ergernis, 'en dan vooral voor diegenen, die liever iets anders verkondigen dan Jezus Christus en Dien gekruist, en de eigen vrije wil des menschen tegenover de vrije genade Gods in Christus wilden ge­handhaafd zien'. De reglementenbundel van 1816 heeft zich bewezen als de oorzaak van verval en neergang van het kerkelijk leven. Zij heeft 'de deur voor allerlei wind van lering opengezet (...) en de kerk blootgesteld aan veel twist en verwarring (...) kan het dan iemand verwonderen dat de leer van onze Heidelbergse Catechismus weder evenals vroeger heftig wordt aangevallen en binnen de muren der kerk haar scherpste bestrijders ontmoet? ' Met mannen als A. P. A. DuCloux, W. Kraijenbelt, H. W. A. Verhoeff en anderen is MacPherson actief in het verzet tegen de leervrijheid zoals die officieel sedert 1816 gold in de kerk. Op diverse plaatsen in ons vaderland waren vanwege de ongebondenheid der leer, waardoor niet zelden Godslasterlijke stellingen van leerstoelen en kansels, door hoogleraren en predikanten werder verkondigd, verenigingen van waarheidsvrienden ontstaan. Vooral nadat ds. L. S. P. Meijboom, die het aanbidden van Jezus een vervloekte afgoderij en mensenverering achtte, het beroep naar Amsterdam had aangenomen, zeer tegen de zin van het kerkvolk, werd gevoeld de hoge noodzaak zich te organiseren. De vrienden zetten zich in voor 'het ongeschonden bewaren van de leer door de vaderen overgeleverd en om elke aanval daarop in de sterkte des Heeren met het zwaard des Geestes af te weren'. Mede door toedoen van MacPherson smelten diverse plaatselijke verenigingen in Zuid-Holland samen tot een provinciale vereniging, die uiteindelijk met uitzondering van die in Friesland zich organiseren in een 'Nederlandsche Vereeniging van Vrienden der Waarheid tot handhaving en verdediging van de leer en de rechten der Nederduitse Hervormde Kerk'.

Men vond elkaar in deze dagen al dan niet rondom de belijdenis der Kerk. Men was of rechtzinnig of vrijzinnig. Het ging nog volop over de hoofdzaken, de Godeverheerlijkende leer van de rechtvaardiging van de goddeloze door vrije genade alleen. Het is niet onmogelijk dat ook op Katwijk aan Zee ooit een vereniging van waarheidsvrienden bestond. Met zekerheid valt hierover thans niets te zeggen.

In ieder geval waakt men ook hier bij de belijdenis der kerk en wordt geen gelegenheid onbenut gelaten om bij het classicaal bestuur te protesteren tegen iedere afwijking van de Bijbelse leer en het niet optreden daartegen van de verantwoordelijke instanties. En dan gaat het voorwaar niet om kleine dingen, maar om hen 'die de Godheid van Christus loochenen, de leer der verzoening door het bloed des kruises, de persoon van de Heilige Geest en de leer der erfzonde'.

Een derde dienst

Op 21 mei 1856 besluit de kerkeraad tot het instellen van een derde godsdienstoefening op de rustdag. De catechiseermeester, Hendrikus Schram (sedert 1828 al in dienst; hij woonde aan de zuidzijde van de Louwestraat, lange tijd sprak men er van 'de Skrammepoort') krijgt opdracht om voortaan iedere zondagavond 'een of andere leerrede, uitgegeven door leraars die in de Hervormde Kerk dienen', de gemeente voor te lezen. Hij ontvangt voor zijn bewezen verrichtingen ƒ25, - per jaar. De derde godsdienstoefening slaat aan en blijkt in een grote behoefte te voorzien, terwijl het volk niet minder trouw op blijft komen om het Woord gepredikt door haar leraar MacPherson te horen. Er is sedert een aantal jaren een duidelijke opleving in de gemeente gaande. Wanneer het classicaal bestuur vragen stelt over reden van en gang van zaken bij deze derde dienst, antwoordt de kerkeraad dat zij zich in haar besluit heeft laten leiden door redenen van vooral plaatselijke aard. Men hoopt op deze wijze 'de dag des Heeren te bevorderen', en 'het menigvuldig bezoeken van herbergen en het lopen langs de straten' op zondag tegen te gaan, maar, ook hopen de broeders oefenaren van buiten de gemeente de wind uit de zeilen te nemen. Er is immers sedert 1838 een kleine afgescheiden gemeente, die in de dagen van MacPherson nauwelijks honderd leden telt, wel sedert het jaar waarover wij nu spreken, 1856, een eigen gebouw van samenkomst heeft, maar nog geen eigen vaste voorganger. Meer dan eens heeft de reder Nicolaas Haasnoot er een stichtelijk woord gesproken. Vanuit andere gemeenten is bekend dat ds. Mac­ Pherson wars was van alle verdeeldheid.

Vele zaken vragen de voortdurende aandacht van de kerkeraad, niet het minst de blijvende zorg voor de armen en het grote kwaad van het overdadig gebruik van geestrijk vocht. Derhalve wordt er vaak vergaderd.

Alcohol

De drankduivel vindt in de raad der kerk sedert de komst van ds. Hentzepeter in 1850, een geduchte bestrijder. Ook nu onder ds. MacPherson laat men het er niet bij zitten. Op 29 september 1856 wordt een brief geschreven aan het gemeentebestuur 'van de beide Katwijken'. Men heeft het niet begrepen op 'de vrije openstelling van kroegen, waardoor zo vele jonge menschen reeds vroegtijdig zich gewennen aan het overmatig gebruik van sterken drank, waardoor zelfs zoo vele gehuwden, vrouwen en kinderen vergetende, hunne zuur verdiende gelden doorbrengen en de hunnen in armoede dompelen'.

De brief die niet op 'gezegeld papier' geschreven is komt terug, maar wordt terstond opnieuw verzonden aan het burgerlijk bestuur, nu wel volgens de geldende wettelijke bepalingen, vergezeld van een apart briefje van ds. MacPherson voor de burgemeester, die er op gewezen wordt dat het hier om een algemeen belang gaat. Wanneer het misbruik van de sterke drank niet krachtig bestreden wordt ziet de kerkeraad 'in 't verschiet niets dan armoede en ellende daaruit geboren worden en de gevolgen voor de gemeente dat bij toeneming der daaruit vloeijende armoede, zoowel de algemene als de diaconie armenkas zeer zwaar zal worden gedrukt'.

Het kwam kennelijk méér dan slechts een enkele maal voor dat er te diep in het glaasje gekeken werd. De drinkgelegenheden moesten om half elf gesloten zijn, maar de kerkeraad zou zeer graag zien dat de overheid het sluitingstijdstip met een uur vervroegde, of tenminste zorg droeg voor stipte naleving van het sluitingstijdstip en in ieder geval er zorg voor te dragen dat 'op zon-en feestdagen, gedurende de openbare godsdienstoefeningen' alle taveernen 'zullen gesloten zijn'. Dit alles tot stichtelijke viering van de dag des Heeren. Wat de gemeenteraad heeft teruggeschreven konden we helaas niet achterhalen. Uit het notulenboek van de kerkeraad valt op te maken dat er antwoord kwam, maar kennelijk was de inhoud daarvan weinig bevredigend. Men besluit 'de zaak verder te laten rusten'.

De eigen mogelijkheden tot bestrijdng van het alcholisme worden zeker niet onbenut gelaten. De broeders herinneren elkaar in de eerste vergadering van het jaar 1857 bijeen, aan het besluit van 1853 tot 'volstrekte weigering van bedeeling aan allen die zich schuldig maken aan overmatig gebruik van sterken drank'.

Afscheid

Tijdens zijn Katwijkse ambtsbediening ontvangt ds. MacPherson verschillende beroepen, onder andere naar Voorthuizen op de Veluwe en tweemaal naar Huizen, het vissersdorp aan de Zuiderzee, waar hij van 1864 tot 1865 zal staan. Steeds bedankt hij tot opluchting en dankbaarheid van de gemeente. Als Huizen voor de tweede maal teleurgesteld wordt klinkt het spontaan uit de mond van het blijde kerkvolk die zondagmorgen: 'Dat 's Heeren zegen op u daal...'.

De vreugde is echter niet van lange duur. De roep vanuit het Friese Hantum op 5 april 1857 doet MacPherson besluiten terug te keren naar het Friese land, dichtbij Dokkum. In Boekzaal (der geleerde wereld en tijdschrift voor de protestantsche kerken in het Koninkrijk der Nederlanden) schrijft de kerkeraad: 'zwaar werden wij geschokt heden van Zijne Eerwaarde vernemende, dat hij geen vrijheid heeft om die beroeping af te slaan. De wil des Heeren gescheide!'

Het vertrek nadert met rasse schreden. Op 28 juni wordt de gemeente, die dan uit bijna 3700 zielen bestaat (waarvan 945 lidmaat zijn) weer officieel herderloos. Nadat dinsdags afscheid genomen was van de 'gasthuisluitjes' in een speciale dienst in het Gasthuis, beklimt ds. MacPherson zondags voor de laatste maal als predikant van Katwijk aan Zee de kansel van de Oude kerk. De afscheidspreek die in druk verscheen is helaas niet in ons bezit, maar we houden ons zeer aanbevolen voor het geval een lezer ons aan deze 'leerrede' zou kunnen helpen.

In 1862 wordt ds. MacPherson opnieuw beroepen te Katwijk aan Zee, er is dan inmiddels een tweede predikantsplaats gesticht, maar daarover later. Hij meende echter te moeten bedanken.

Tussen wieg en graf

MacPherson's wieg stond in het Brabantse Willemstad, een echte garnizoensplaats. In de 17de en 18de eeuw was het een bekende haven voor overbrenging van Engelse troepen. Het zou dus niet onmogelijk zijn dat vader MacPherson op deze wijze naar Nederland kwam. In ieder geval trad hij er in het huwelijk met Grietje Endepoel en staat hij bij de burgerlijke stand bekend als zijnde schoenmaker van beroep. Op 19 maart 1815 ziet hun zoon Anthonie het levenslicht. Op 30 september 1836 wordt de jonge MacPherson ingeschreven als student aan de Leidse faculteit der Godgeleerdheid en in 1842 beroepbaar gesteld. Naast Katwijk aan Zee diende hij nog 11 gemeenten, als laatste Schoonhoven. Hij was gehuwd met Katharina Sara van Hees uit Leiden (geb. 18-2-1812). Op 13 februari 1887 betrad hij voor de laatste maal de kansel. 'Na een langdurig, maar geduldig gedragen lijden', ging hij in de vroege morgen van de 5de mei van datzelfde jaar heen van de aarde, 72 jaar oud. Zijn aardse tabernakel was verbroken. Toen men zijn baar door de straten van Schoonhoven droeg waren volgens de Schoonhovensche Courant, 'de meeste woningen waarlangs de stoet zich bewoog gesloten, als zichtbaar teeken hoezeer de overledene in aller achting deelde'. In zijn laatste gemeente maakte MacPherson ook gedurende enige tijd deel uit van het classicaal bestuur van Gouda.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Stemmen uit het verleden.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's