Uit de pers
Oud en der dagen zat
Wie bij de Statenvertaling is opgegroeid, kent deze standaarduitdrukking. Van Abraham, Izak, David en Job staat het geschreven. Als kind dacht ik altijd dat die mannen het leven zat waren. Maar ja, dat kon toch eigenlijk niet. Want bekeerde mensen waren het leven dat God hun gaf nooit zat. Dat zou toch zondig zijn. En ja, zat in de zin van dronken dat kon helemaal niet. Dat was alleen maar die beruchte dronkelap bij ons op het dorp die elke zaterdagavond laveloos het dorpscafé werd uitgeslingerd. Gelukkig werd het me in liefde uitgelegd: zat wil eigenlijk letterlijk zeggen 'vol'. Hun dagen waren vol namelijk bij God en daarom ook voor hen zelf Van DaIe geeft aan dat de uitdrukking 'oud en der dagen zat' zoiets betekent als: er meer dan genoeg van hebben. Ik moest daar aan denken toen ik in 'In de Waagschaal' van 5 augustus 1995 een bijdrage las van ds. W. J. Lamfers over 'Om de kwaliteit van het leven'. Hij citeert steeds enkele regels uit een boekje 'Ontferm U' van Laura Reedijk-Boersma die jarenlang pastor was van verschillende bejaarden-en verzorgingshuizen in Zeist. In genoemd geschrift verwoordt ze de gevoelens van mensen die oud en ziek zijn èn van hen die daar veelal machteloos omheen staan.
'Een klacht van een bewoner van een verpleeghuis: "...Maar het ergste, Heer, het allerergste is de muziek. Met twintig mensen in één ruimte overdag is erg maar die muziek de hele dag is erger. Ik kan er niet meer tegen, Heer. Eén uur per dag een kamer voor mij alleen is dat te veel gevraagd? " De terreur van Hilversum 3 is in heel wat tehuizen niet om te harden. Alsof die "muziek" overeenkomt met de smaak van de bewoners. Alsof iedereen die godvergeten herrie kan verdragen. De meesten schijnt die almaar doorgaande muziek echter doodgewoon te vinden. Naar de mening van de bewoners wordt niet gevraagd. Een alternatieve vorm van de dictatuur van het proletariaat, maar dan uit Hilversum. Walgelijk. Niemand doet hier iets aan... Alleen kijkcijfers tellen, mensen achter die cijfers niet. Hebben bewoners van een verpleeghuis dan geen rechten? Nee, helaas hebben zij te weinig rechten. Zij blijken zelfs geen recht te hebben op een bed op de plaats waar zij dat wensen. Wanneer iemand geruime tijd op een bepaalde plaats ligt en een eigen hoekje heeft gecreëerd mag die persoon niet protesteren wanneer daar verandering in komt en zodoende de toch al weinige privacy wordt geschonden. Wanneer er wordt beslist dat men moet verkassen of dat op het toch al volle kamertje nog een bed wordt geplaatst is wie protesteert lastig, kan wie protest aantekent zich op geen enkel grondrecht beroepen... Alleen het tehuis beslist hier over. Niet samen met de patiënt.
In de bajes heeft men nog een eigen cel en dus privacy. De discussies over of men wel twee gedetineerden op één cel mag plaatsen zijn niet van de lucht. Bewoners van verpleeghuizen verkeren in slechtere situaties maar over hen worden amper openbare debatten gevoerd. Zij hebben totaal geen privacy, zelfs geen recht op een eigen hoekje met hun eigen bed en hun eigen t.v. en hun eigen prikbord met kaarten en foto's. Maar om hen lijkt niemand zich te bekommeren. Zij zijn tenslotte geen doelgroep die het goed doet in de publiciteit, mensen waar men mee kan scoren. Wie oud is is tenslotte af geschreven in een maatschappij die bol staat van hol vitalisme en jeugdig élan. Staat die jeugd en die reclamemaker die de jeugd lanceert er dan nooit bij stil dat men zelf ook eens oud wordt? ? ? Hoe het dan moet. Hoe men zelf oud zou willen zijn. Of heb je dan niks meer te willen? Aan de fundamentele vragen die bewoners van verpleegtehuizen ons stellen leeft de maatschappij echter voorbij...
Ook de kerk, die toch de nodige expertise heeft opgebouwd op dit gebied, zwengelt de discussie over deze legitieme vragen merkwaardig genoeg niet aan. De kerk behandelt deze bewoners wel uit diakonaal oogpunt, waardoor mensen object dreigen te worden in plaats van mondig subject, maar niet vanuit het oogpunt van recht en gerechtigheid. Alsof het samengaan van diakonaat en de roep om recht en gerechtigheid niet ook voor deze mensen geldt.'
In deze hete zomerdagen is de sterfte onder de oudere medemens ook hoger dan normaal. Wie weleens in een verzorgingshuis komt op bezoek bij familieleden of kennissen kan het enigszins begrijpen. Wat een hitte en in veel gevallen zonder 'airco'. In een dagblad loosde iemand uit de wereld van de ouderenzorg zijn grieven: als bij de overheid een plan tot verbouw of nieuwbouw van een verzorgings-of verpleeghuis wordt ingediend, is het eerste wat geschrapt wordt de airconditioning. Hij merkt cynisch op: je schrapt toch ook de cv. niet en zouden de gebouwen van de Tweede Kamer ook zonder airco zijn? Ds. Lamfers constateert dat de bezuiniging juist in de ouderenzorg een symptoom is van onze wegwerpmaatschappij.
"'Waarom leef ik zo lang? Zou wel iemand begrijpen wat een hels karwei het is te leven, als je zo oud geworden bent? " "O Heer, mijn levenshuis wordt afgebroken, en steen voor steen. Ik weet niet of ik dat nog langer kan verdragen."
Dat men moeite heeft met het oud worden hangt mijn inziens nog meer met psychische factoren samen dan met lichamelijke factoren. De totale vereenzaming doordat alle generatiegenoten weggevallen zijn, de moeite met de kwalen breken de wil om te leven af. Nooit meer liefdevol maar alleen als behandelingsobject aangeraakt worden leidt naast daling van de lichaamstemperatuur tot een dodelijke verkilling en een geheel in zichzelf gekeerd raken. De kerk weet dat het "cor curvum in se" (Luther) mensonwaardig is, een mens tekort doet. Passende aandacht zou gemis kunnen vergoeilijken, openheid kunnen behouden. Maar juist die broodnodige aandacht is er niet voor deze mensen. Oude mensen worden nog steeds te veel bezien onder het oogpunt van: ze zijn zo lief Het is zulk dankbaar werk. Maar voor het helse karwei dagelijks een keihard gevecht te moeten voeren om te overleven in plaats van te leven is amper aandacht. Ondanks alle gepraat over de kwaliteit van het leven.
"Was hij maar gestorven. Ik durf het bijna niet te denken."
Zowel patiënten als partners zeggen het nogal eens: "was ik maar dood". Niemand uitgezonderd. Ook mensen van wie men zou denken dat zij dat wel nooit zullen zeggen uiten zulke gevoelens. Bepaalde vormen van vroomheid of moraal blijken ook hier geen rem te zijn. Mensen voelen zich veroordeeld tot het leven en kunnen de strijd om te moeten overleven niet langer aan. Hoe gaan wij hiermee om? Waarom durven we hier amper met elkaar over te praten, over vragen die iedereen stelt? Levensvragen naar de zin van het leven en de kwaliteit van het leven. Juist in de gemeente van de Opgestane zou het gesprek hierover toch een plaats moeten kunnen vinden? Of zijn we ook in de gemeente van de Levende reeds als de dood voor de dood en daarmee als de dood voor het ouder worden en de oudere medemens? '
Hoe vaak heb ik het mijn oudere medemens al horen verzuchten: oud worden willen we allemaal, maar oud-zijn valt niet echt mee. Het betekent veelal ziek-zijn, afhankelijk zijn van anderen, bij alles geholpen moeten worden, soms als een zielig klein kind te worden aangesproken en behandeld. Tegelijk moet ik wel erkennen altijd weer onder de indruk te komen van de geweldige inzet onder hen die onze oudere en vaak gebrekkige medemens dagelijks en soms ook 's nachts verzorgen en verplegen.
Wat glans houdt in het sterven
Dat is een regel uit Lied 453 uit het Liedboek voor de Kerken, geschreven door Ernst Moritz Amdt en vertaald door de op 16 augustus jl. overleden dichter en historicus prof dr. J. W. Schulte Nordholt. 'Ik weet wat niet vergaat / Wat stand houdt als tot scherven / de wereld zal vergaan / wat glans houdt in het sterven /en eeuwig zal bestaan.' Schulte Nordholt was bekend als Amerikanist. Hij schreef o.a. studies over Lincoln en Woodrow Wilson, beiden president van Amerika. Zij boeken over de geschiedenis van de negers in Amerika zijn bekend geraakt onder veelzeggende aan de bijbel ontleende opschriften 'Het volk dat in duisternis wandelt' en 'In de schaduw van een groot licht'. Hij was ook dichter: zijn Verzamelde Gedichten werden in 1989 bij de Prom uitgegeven. Niet in het minst is hij bekend als één van de psalmberijmers van de Nieuwe Psalmberijming èn als dichter en vertaler van het geestelijk lied waarvan vele resultaten terug te vinden zijn in het Liedboek voor de Kerken dat in 1973 voor het eerst verscheen. Over de tijd dat daaraan gewerkt werd, schreef hij onlangs nog in 'In de Waagschaal'(12iuli 1995) onderde titel 'Miskotte in ons midden'. De dogmaticus Miskotte en de dichters liepen elkaar nog weleens een beetje voor de voeten, schrijft Schulte Nordholt.
Als je dagelijks met je neus, met je ziel, wat zeg ik, met je pen, op de psalmen wordt gedrukt, ontdek je dat ze een wereld op zichzelf zijn, echt recht kun je ze met geen enkele berijming doen. Voor die onmacht, die onmogelijkheid had Miskotte alle begrip, alle verbazing. Zeer goed herinner ik mij nog hoe enthousiast hij was over het eerste, schitterende ontwerp dat Willem Barnard maakte van psalm 68. Maar hij wilde de teksten ook wel tot bedaren brengen, gladstrijken en dat leverde dan botsingen op. Niet persoonlijk, gemiddeld konden wij het wel tamelijk goed met hem vinden, al moet ik bekennen dat ik zelf met zijn hoge ernst niet altijd raad wist, hij was me te abstract, te verheven, en ik hem te luchtig, ik had het gevoel dat hij mijn vrolijkheid voor lichtzinnigheid hield, wat het ook was. Hij had teveel Hegel gelezen, denk ik, en ik teveel Heine.
De voornaamste oorzaak van de meningsverschillen die nog al eens optraden lag in de morele benadering van de teksten. Wij zaten, zitten nog steeds in ons accurate vaderland, vast aan het dogma dat we een complete psalmberijming willen, met alles er in en er aan, "lock, stock and barrel" zoals de Amerikanen zeggen. We zijn met dat ongetwijfeld zeer legitieme, zeer wel te verdedigen, maar wel overspannen standpunt de enigen in de psalmzingende oekumene. Alles moet te zingen zijn, ook wat er niet goed meer te begrijpen valt, ook de rare cruxen in sommige psalmen, waar zelfs geleerde Hebraïci zoals Beek en Vriezen ons geen uitsluitsel over konden geven, het beruchte voorbeeld is psalm 141. Erger nog, niet enkel wat moeilijk is, ook wat afstotend is (of lijkt als u dat liever hebt), moet door de molen van maat en melodie. Woede, wellust en wraak, vloekpsalmen als 58 en 109. Het conflict dat ik me nog het levendigste herinner ging over het slot van psalm 137. "O dochter van Babel die verwoest zult worden! welgelukzalig zal hij zijn die uw misdaad vergelden zal die gij aan ons misdaan hebt; welgelukzalig zal hij zijn die uwe kinderkens grijpen en aan de steenrots verpletteren zal!" Ja, beste jongens, dat kun je een christenmens toch niet op zondagmorgen in de mond leggen, hoor ik Miskotte nog uitroepen, de handen ten hemel geheven. Daar had hij natuurlijk groot gelijk in. In de week trouwens ook niet! Maar professor, was dan de repliek, we hebben onze opdracht, we hebben beloofd de hele psalmbundel berijmen, zo getrouw aan de teksten als maar mogelijk is. Ja, maar dat kunnen jullie dan toch wel een beetje mitigeren, iets zoals: welzalig, o dochter van Babel, die zich aan u wreken zal, zonder die gruwelijke details! Nee, nee, gedichten ontlenen hun kracht nu juist niet aan hun ideeën, niet aan de begrippen, maar aan hun letterlijkheid, aan hun details. Willem Barnard, gevat als steeds persifleerde heel aardig een woord van Goethe om het bij de theologanterij te laten passen:
"Wo die Worte fehlen stellt sich zu rechter Zeit ein Begriff ein".
De hele psalmberijming! Voort moeten we op ons pad, al struikelen we over de stenen. Al in de vroege morgen gaan we aan het werk, wat een waan! Psalm 127: Voor dag en dauw reeds op te staan en op te blijven 's avonds laat, hard werken voor slechts weinig baat een schamel brood, 't is niets dan waan.
Dat hadden Jan Wit en ik berijmd, daar viel Miskotte ook over. Ja jongens, dat kan toch niet, je kunt toch een eerlijk arbeider die 's morgens vroeg naar zijn werk gaat niet zeggen dat het allemaal maar waan is wat hij doet. Ja maar, luistert u nu toch eens (een standaarduitdrukking van Jan Wit), het staat er toch. Waan? Ja, dat is natuurlijk van het woord vanitas afgeleid, ijdelheid, dat staat daar.
En zo maar voort, onoplosbaar. De Hebraïca - kozen in zulke morele zaken vaak onze kant als ik het me goed herinner (maar ik schrijf hier slechts herinneringen, wie het naadje van de kous wil weten moet het grote notulenboek van de secretaris, ds. Schroten, maar nalezen. Met hoeveel plezier herdenk ik hier die hartelijke man, die goede vriend Henk Schroten, die is zeker in de hemel waar ze alleen maar psalmen zingen en geen gezangen, maar dan wel door dichters berijmd). Ik hoor Martin Beek, de Amsterdamse Hebraïcus, en ook een man die ons verblijdde met veel vrolijke verhalen, nog tegen Miskotte uitvaren: jullie dogmatici, jullie willen alles gladstrijken!
Onze relaties met de grote man waren bijna altijd avondwerk, wij waren overdag bezig met berijmen en hij raakte, dat vergeet ik ook nimmer, juist in die eerste tijd in een wonderlijke staat van opwinding omdat er een nieuw deel van de Kirchliche Dogmatik van de onuitputtelijke Karl Barth was verschenen. Hij ging met de bus naar Arnhem om het te halen, en hij was daar zo door gegrepen dat hij nauwelijk meer gezien werd, "entrückt" in zijn dogmatische hemel. Tegen de avond kwam hij dan weer bij, bij ons ook, bij het gezellige leven dat wij daar intens leefden. Hij werd daar tot zijn en ieders oprechte vreugde bovendien gezegend met nog heel andere extatische ervaringen dan de Barthiaanse, hij raakte op vrijersvoeten en wij zagen dat voorzichtig ontluiken, opbloeien. Op een avond wijdde hij ons verlegen in. Jongens, ik moet jullie wat vertellen. Ja, zegt u het maar, we weten al wat u zeggen wilt.
Gek was dat, even was het of de rollen waren omgedraaid, de jonge Miskotte tussen de wijze, ingewijde dichters. Het was een mooie zomer, de ramen stonden wijd open. Later, toen hij in Voorst was gaan wonen en wij, nog altijd werkzaam op de Pietersberg, maar toen aan de gezangen, hem van tijd tot tijd opzochten in zijn grote donkere huis, waar hij als een vorst troonde tussen zijn boeken, praatten we nog wel eens na over de dagen van weleer, die op de een of andere manier maar geen einde leken te willen nemen. Zoveel consequenties had de onmogelijke maar mooie opdracht van de Nederlandse Hervormde Kerk om een hele psalmberijming te maken voor Miskotte, onze bezielde leidsman.
Dit wordt, nu hij honderd jaar zou worden, en Klaas Heeroma vijf-en-tachtig en Jan Wit tachtig, toch een weemoedig artikel om te herdenken wat voorbij is, wie voorbij zijn en, tenminste in onze gedachten nog voortdurend in ons midden en die zomers duren maar voort, de ramen wijd open. Wat een illusie: "als de twee deuren naar de straat zullen gesloten worden, als er is een nederig geluid van het malen, en hij opstaat op de stem van het vogelken, en alle de zangeressen nedergebogen zullen worden".'
Ook het leven van Jan Willem Schulte Nordholt (geb. 1920) liep ten einde. Zijn visie op leven en dood, op God en geloof had voor ons gevoel vaak iets tegendraads en kritisch. Maar juist daarin stak een stuk herkenbaarheid voor wie ook zelf ervaart dat het in het leven soms zo geheel anders gaat dan we hadden verwacht en gehoopt. Trouwens, we hoeven het niet altijd in alles met iemand eens te zijn, om toch verwantschap te ervaren. We sluiten daarom af met een gedicht dat in zijn Verzamelde Gedichten (p. 203) werd opgenomen en waarin dat tegendraadse te herkennen is.
KARIN IS DOOD
Het wordt routine. Er gaat bij mijn post
geen week zonder een grijsomrande brief voorbij
Er zullen, staat ér, aan uw rechterzij
duizenden vallen. Paradise lost.
Maar tot u, zegt de kalme psalmist,
zal het niet genaken. En zo leven wij ook,
als waren wij veilig onder de rook
van geruststellende woorden. Het is
onmogelijk om ooit de werkelijkheid
echt onder ogen te zien. Maar vandaag
toen jouw rouwkaart kwam, was er bij mij geen vraag
naar het mysterie van dood en tijd,
enkel verbijsterde woede.
We gaan, riep ik wanhopig en theatraal,
er allemaal aan. Zie je wel. Het verhaal
wordt eentonig. Dodelijk is het bestaan.
Karin is dood, de kleine grijze dame die
ooit in een onvergankelijke staat
als rosevingerige dageraad
optrad in mijn timide eerste poëzie,
Karin is dood, en wat zij achterlaat
dat is voor mij het wijde grijze ijs
waar wij op schaatsen naar het paradijs
dat er niet was en nu niet meer bestaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's