Ook gij, Moren!
'Ook gij. Moren! zult de verslagenen van Mijn zwaard zijn.', (Zefanja 2:12)
In dit hoofdstuk heeft de profeet al menig oordeel namens de Heere uitgesproken. Vanaf het 4e vers klinkt Gods oordeelsstem eerst tot de Filistijnen in het westen, daarna tot de Moabieten en Ammonieten in het oosten, in onze tekst tot de Moren in het zuiden, en hierna nog tegen de Assyriërs in het noorden.
Ten zuiden van Jeruzalem liggen eerst Edom en Egypte. Pas daarna volgt Morenland. Maar de Heere weet ze daar in dat verre land wel te vinden. De grote afstand tussen Jeruzalem en Morenland wordt door een enkel woord overbrugd: ook gij, Moren. Zo worden zij in één klap voor Gods rechterstoel neergezet. Ook op hun gehoorzaamheid heeft de Heere immers recht. De Heere discrimineert niet. Hij behandelt alle mensen gelijk. Hij zegt tot ieder: Ik wil, dat je Mij dient; en indien niet, dan zal Ik Mijn oordeel over je uitspreken. Wat is het oordeel over de Moren? Lees maar: 'gij zult de verslagenen van Mijn zwaard zijn'. Deze profetie is al spoedig in vervulling gegaan, toen Nebukadnezar van Babel ook Morenland veroverde.
Opmerkelijk, dat hier over 'Mijn zwaard' gesproken wordt. Wij weten wel, dat er in het Oude Testament vele oorlogen zijn, waar Israël bij betrokken is, waarin de Heere de hand heeft. Doch nu leert onze tekst ons duidelijk, dat dat ook het geval is, als het gaat om twee heidenvolkeren onderling. 'Mijn zwaard'. Hiermee is natuurlijk niet een gemakkelijke verklaring gegeven over alles wat er bijv. in Joegoslavië of rondom Rusland gebeurt. Toch wordt hier wel een laatste woord gesproken: de Heere regeert!
Het valt op, dat van de Moren geen zonden genoemd worden, waarom zij geoordeeld worden. Door Zefanja wordt in dit hoofdstuk van de Filistijnen hun ongeloof bestraft, van de Moabieten en Ammonieten hun hoogmoed en van de Assyriërs hun trots. Wat is echter de zonde der Moren? Wij zullen het zo mogen zien, dat niet alleen dit volk ver weg woont (ver bij Jeruzalem en de Heere vandaan), maar dat ook hun zonden ver weg zijn. Zij zien ze niet. Of ze verstoppen ze. Er moet naar gegraven worden om ze voor de dag te halen. Zo denken zij veilig te zijn. Door zich eenvoudig ver bij de Heere vandaan te houden. In hoeverre zij zich van deze houding bewust zijn geweest is moeilijk te zeggen. Wel wordt in deze houding een geestelijke toestand yan vele mensen getekend.
Hoevelen houden zich niet ver van God, belijden nooit hun zonden en denken op die manier wel veilig en gerust te kunnen zijn? Trouwens, in Ezechiël 30 wordt over 'zorgeloos Morenland' gesproken. Zij zijn echt bezig om zich van God helemaal niets aan te trekken. Zij ontkennen hun kwaad. Zoals die vrouw, die een preek beluisterde over het 9e gebod. Onder het luisteren werd ze wat boos, want ze loog nooit, meende ze. Ze stootte haar man en zei: ik denk, dat ik de kerk maar uit ga, maar jij moet blijven zitten, want jij liegt soms wel.
Ziet, dat is het wegstoppen van je zonden. De ontkenning ervan. Zo iemand is een zorgeloos Morenland.
Maar de Heere weet zulke mensen wel te vinden: Ook gij, Moren! Met een enkel woord plaatst Hij ze voor Zijn rechterstoel. En als God de zonden in uw leven aanwijst, dan kunt u niet meer zwijgen. Dan moet u ze belijden. Het hoge woord moet er dan uit. Zullen wij daar goed aan denken? ! Er is nog wat.
De Moren zijn vooral bekend om hun huidskleur. We moeten dan niet aan de negers denken, want die wonen nog zuidelijker. De Moren hebben een bronskleurige huid. Daarvan zegt de profeet Jeremia: 'Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? Of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gij ook goed kunnen doen, die geleerd zijt kwaad te doen.'
Hiermee is vanzelfsprekend niets verkeerds gezegd van een neger of Moorman op zichzelf. Dit woord van Jeremia heeft niets met rassendiscriminatie te maken. Wel wordt aan de donkere huidskleur een vergelijking ontleend. Zulken kunnen niets aan hun huidskleur veranderen. Welnu, zo kan ook een mens, die alleen maar kwaad doet, niet zichzelf opwerken tot het goede.
Vandaar, dat de huidskleur van de Moor in de Bijbel een beeld is van onze menselijke onmacht ten goede. Wij zijn van nature onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. We hebben geen vrije wil om ons tot God te bekeren of in Hem te gaan geloven.
Hebt u deze zonde ontdekt? Deze erfzonde?
Gewoonlijk stoppen we die ook diep weg, nietwaar? Maar de Heere wil die door dit woord van Zefanja komen opgraven. Hij zegt: Ook gij. Moren! Ook u, zondaar!
Het is echt een woord om eens mee in te keren tot uzelf. Zie in de spiegel van de Moren en ontdek hoe zwart u bent van zonden. Wie dat ontdekt wordt óók een verslagene van Gods zwaard. Maar dan bedoel ik het zwaard van de Heilige Geest, hetwelk is Gods Woord.
Hoe moet dat dan verder? Dat is misschien uw vraag in uw leven geworden. Dat hoop ik. Het is een levensvraag: kan dan geen enkele Moor zoals ik behouden worden van Gods oordeel? Dan zie ik in gedachten een man op een wagen rijden. En hij vindt de Heere Jezus. Wat meer is, de Heere Jezus vindt hem. Het is de kamerling uit Morenland in Handelingen 8.
Inderdaad, de Heere weet in Christus wel raad met zwarte zondaren. Het zwaard van Gods oordeel is op Golgotha ontwaakt tegen Christus, opdat wij door het geloof in Hem, van dat oordeel over ons leven zouden vrijgesproken kunnen worden.
Door dat geloof mag het ook op lezers van ons blad van toepassing zijn:
De Filistijn, de Tyriër, de Moren, zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's