Is er ook groei? (5)
De Heilige Geest werkt zowel in de enkeling als in het geheel van de gemeente. Met name dit laatste mag niet uit het oog verloren worden. Wanneer dit gebeurt, valt alle nadruk op de enkeling. Zo wordt het ons echter niet voorgehouden in Handelingen 2 : 42. Met nadruk wordt er van de gemeente gezegd: En zij waren volhardende in de leer der apostelen en in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden'. Er worden vier kentekenen van de gemeente genoemd: volharden in de leer van de apostelen, de gemeenschap, de sacramenten en de gebeden.
Luther noemde deze vier kentekenen van de kerk: signa ecclesiae. Hij zei hiervan dat de gemeente innerlijk groeit, maar ook uitwendig als zij daarin volhardt.
Wat is volharden in de leer van de apostelen? Het is vasthouden aan èn onafgebroken bezig zijn met de prediking van Gods Woord, met het lezen en onderzoeken van de Schrift.
In een vorig artikel ben ik daarop uitvoering ingegaan. Ik heb daarin aangetoond dat één van de oorzaken van een verschraling van het geestelijk leven wel eens kon zijn: het ontbreken van kennis. Hiermee bedoel ik niet alleen een gemis aan kennis met het hoofd, maar meer nog een ontbreken daarvan in het hart. Anders gezegd: een ontbreken aan bevindelijke kennis. Daarbij haast ik mij wel om neer te schrijven dat uitwendige kennis van de Schrift niet van de tafel geschoven moet worden als niet ter zake doende. Wel zeg ik dat uitwendige kennis alleen niet zaligmakend is. Schriftkennis moet een zaak èn van het hoofd èn van het hart zijn. En wanneer ik spreek over Schriftkennis, bedoel ik daarmee te zeggen: tota scriptura d.i. de gehele Schrift. In dit artikel wdl ik nu het eerste kenteken van de kerk (het volharden in de leer van de apostelen) gaan afronden om vervolgens een begin te maken met de tweede component, nl. de gemeenschap.
De invloed van het Woord
Het Woord van God — zo zeggen wij — heeft ons altijd iets te zeggen. De Heere spreekt daarin met gezag.
In Zijn Woord spreekt Hij over zonde en genade, wet en evangelie, dood en leven. Niet alleen zegt Hij ons, hóe wij zalig kunnen worden, maar óók hoe wij in het geloof kunnen groeien.
Nu is de vraag, hoe is het te merken dat de gemeente in het geloof groeit? Wat merkt de gemeente er zelf van, maar óók: wat merkt de wereld daarvan?
Al eens eerder maakte ik de opmerking dat de groei van het geloof niet is af te meten van zondag tot zondag.
Hoe verheugd men kan zijn als de gemeente groeit in de breedte, maar dat wil nog niet inhouden dat zij dit doet in de diepte. Voor zover er groei in geloofskennis is, zal dit onder andere zijn af te meten door de ouderlingen op het huisbezoek.
Nu vind ik het woord 'afmeten' een beetje naar woord, maar de ambtsdragers meten in hun gesprekken als het ware af wat er is of niet is, wat er groeit of niet groeit.
Met name komt dit tot uiting als het gesprek gaat over de prediking van het Woord en het persoonlijk onderzoek van de Schriften.
De effecten daarvan zijn altijd op te merken! Wanneer blijkt dat de prediking niet aanslaat, of dat er — zoals dit wordt genoemd — over de hoofden wordt heen gepreekt, is het een goede zaak om de prediking als een agendapunt op de vergadering van de kerkeraad te behandelen.
Eigenlijk zou het iedere keer een agendapunt moeten zijn. Want als vvij zeggen dat ons als ambtsdragers de mensen ter harte gaan die aan onze handen zijn toevertrouwd, dan moet het ons toch wel een bijzondere zorg zijn als wij constateren dat er bij hen van geestelijke groei weinig of in 't geheel geen sprake is.
Daar komt dan nog iets bij. Wanneer er geen groei is, is er sprake van achteruitgang. Stilstaan is achteruitgang! Dat woord 'achteruitgang' moet maar heel letterlijk genomen worden. Men gaat achteruit in de leer van de apostelen. Men keert weer terug naar voorheen, toen de afgoden het voor het zeggen hadden. Men staat open voor allerlei dwaalleer. En is van dit laatste juist in onze tijd geen sprake? Het occultisme verslaat zijn duizenden. Wie zal zeggen, hoevelen ook onder ons zich daarmee bezighouden. Een onderzoek onder de catechisanten een jaar geleden heeft mij doen schrikken.
Niet alleen evenwel het occultisme heeft velen in de macht, ook hebben velen verkeerde denkbeelden over de Heere zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart. Dit komt onder andere tot uiting in het toepassen van de geboden Gods in het leven. Of er vindt daarvan helemaal geen toepassing plaats, of op een verkeerde manier.
Om deze reden kan het niet verkeerd zijn om als kerkeraad over de prediking regelmatig te spreken.
Pastoraal
Het spreken over de prediking als kerkeraadsleden behoort op een pastorale manier te gebeuren. Het moet niet zo zijn dat de predikant daardoor een minderwaardigheidscomplex krijgt en overspannen raakt.
Mij komt wel eens ter ore dat er kerkeraden zijn die in hun vergadering spreken over de prediking. Maar het wordt op zo'n wijze gedaan dat er niet veel van de predikant overblijft. In zo'n bespreking wordt alleen maar gezegd wat men gemist heeft en niet wat er aan goeds in te horen was. Dat dit alles niet stimulerend doch frustrerend werkt, zal duidelijk zijn. Geen prediker is zó veelzijdig, dat hij alle facetten van de Schrift in de prediking aan de orde zal stellen. Bovendien zijn de talenten, waarmee men begiftigd is, verschillend.
Neen, als wij onderzoeken of de prediking wellicht iets anders moet, dan moet door de kerkeraad vanuit de Schrift op een pastorale manier daarvoor aanwijzingen worden gegeven.
Het gaat er niet om dat de predikant in de hoek gezet wordt, maar het gaat er om dat de predikant en kerkeraad op die prediking uit zijn die de geestelijke groei van de gemeente kunnen bevorderen. En... waarvan de Heilige Geest gebruik kan maken. Opzettelijk schrijf ik óók dit laatste. Het is mij genoegzaam bekend dat de Heilige Geest met een kromme stok een rechte slag kan toebrengen. Toch moeten wij er maar niet aan meewerken om de stok krom te doen zijn in de mening dat de Heilige Geest er toch wel iets mee kan doen. De stok moet zo recht mogelijk zijn, omdat het Woord recht is èn rechte voren snijdt.
Het pastorale element mag dus in de bespreking over de prediking niet ontbreken in een kerkeraadsvergadering. Met name schrijf ik dit ook met het oog op de jonge predikanten die men 'zachtkens' zal behandelen. Vanzelfsprekend wel eerlijk, maar dan toch 'zachtkens', dat is pastoraal, herderlijk, liefelijk. Trouwens, het één sluit het ander niet uit.
Waarvan venvacht
Geestelijke groei verwacht ik wel door middel van de prediking van het Woord, het volharden in de leer van de apostelen, doch niet allereerst in een verandering van liturgische vormgeving. Op dit terrein is er in de loop der jaren reeds zoveel geëxperimenteerd dat wij ons wel tien keer moeten bedenken alvorens wij ook op dat terrein ons zouden begeven.
Het is bovendien een opvallende zaak dat allen die over de verschraling van het geestelijke leven van de gemeente inzitten het nooit hebben over een vernieuwing van liturgische vormgeving, maar wel over de verkondiging van het Woord. Is die verkondiging en ook de catechese wel adequaat, d.w.z. geschikt en toereikend om de groei te bevorderen? Hiermee wil ik niet zeggen dat wij het maar bij het oude moeten houden omdat het oud is. Mij is geleerd dat het oude niet goed is omdat het oud is en het nieuwe niet omdat het nieuw is. Oud of nieuw, het moet aan de Schrift ontleend zijn.
Traditioneel in de liturgische vormgeving is niet verkeerd als zij maar ontleend is aan de Traditie (die met grote T) d.w.z. aan wat de Schriften ons overleveren.
Maar nogmaals: wij moeten het niet zoeken, ook niet op kerkeraadsvergaderingen in allerlei uiterlijke zaken. Het moet ons als predikant, ouderlingen en diakenen er om te doen zijn dat de gemeente met het beste in de prediking gediend wordt. Dat daarom over de verkondiging, maar ook over de catechese en de huisgodsdienstoefening gesproken dient te worden op een ambtelijke vergadering, zal nu wel duidelijk zijn. Maar nogmaals: pastoraal en op een tere wijze. De Goede Herder (pastor bonum) is ons daarin voorgegaan. Als ambtsdragers (in welk ambt dan ook) mogen wij Hem daarin volgen.
De gemeenschap
Het tweede signum ecclesiae (kenteken van de kerk) zoals dit door Luther is genoemd, is dat van de gemeenschap.
Opvallend dat 'de gemeenschap' in Handelingen 2 : 42 direct komt na het volharden in de leer van de apostelen! Wij zouden denken dat het volharden in de sacramenten direct zou volgen op dat in de leer van de apostelen. Maar neen, eerst de gemeenschap. Dat dit een bedoeling heeft, zal ons bekend zijn. Door middel van de verkondiging van het Woord wordt er een gemeenschap gevormd. Een gemeenschap waarin men elkaar niet heeft gezocht of uitgekozen, doch waartoe men van Hogerhand is gebracht.
De gemeente, d.i. de gemeenschap hangt daarom maar niet als los zand aan elkaar. Om een beeld van de apostel Paulus te gebruiken: de hand kan tot de voet maar niet zeggen: ik heb u niet nodig. Als dit wel het geval is, is er sprake van individualisme. Maar dan houdt de gemeenschap op gemeenschap te zijn. Want in een gemeenschap gaat niet ieder zijn eigen gang, maar houdt altijd rekening met de ander, terwijl een kenmerk van het individualisme is, dat met de ander geen rekening wordt gehouden, omdat men alleen zichzelf zoekt en ziet.
Kortom: wanneer de gemeente gaat bestaan uit individualisten, houdt zij op gemeente te zijn. In geen geval is het meer een gemeenschap zoals zij ons in de Schrift wordt voorgehouden.
Een vraag is: in hoeverre zijn wij nog werkelijk gemeente? Ja, wij zitten zondags nog wel bij elkaar en wellicht naast elkaar. maar hoe is dit van maandag tot en met zaterdag?
Trouwens, de vraag naar het functioneren van gemeenschap als gemeenschap kan ook gesteld worden als een aantal mensen niet eens aan één en dezelfde avondmaalstafel wil zitten. Men wacht af tot de ander aan de tafel is geweest, zodat men aan de volgende kan plaatsnemen. Als men deze dingen aanziet, kan men zich werkelijk afvragen of er nog wel sprake is van een gemeenschap in Bijbelse zin, want als er ergens openbaar moet komen dat men als gemeente des Heeren bij elkaar behoort, dan toch wel aan de tafel des Heeren.
Naar mijn bescheiden mening kan er geen sprake zijn van geestelijke groei (en dus ook geen versterking van het geloof), wanneer de gemeenschap aan de tafel des Heeren niet beoefend wordt. Ik ga nog een stapje verder als ik schrijf: als er aan tafel geen gemeenschap is met elkaar, kan er ook geen gemeenschap zijn met de Heere. Immers, gemeenschap met Hem impliceert gemeenschap aan en met elkaar. Dan kan het zelfs gebeuren als er aan Zijn tafel gemeenschap is met Hem en Zijn gemeente, dat wij óók gemeenschap hebben met de triomferende Kerk. Het kan dan gebeuren, dat een godzalige vader die ons is voorgegaan of een kind dat wij bij de Heere mogen weten als het ware lijfelijk aanwezig is. Over die gemeenschap zou nog wel iets meer geschreven kunnen worden, maar dat valt buiten deze artikelenreeks. Wellicht daarover in een andere serie. (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's