Gemeenschap
Woorden van Leven
Het woord gemeenschap, koinonia in het Grieks, komt in onze vertaling alleen in het Nieuwe Testament voor. Het is afkomstig van het woord 'koinos' waarin de notie te vinden is, dat het gaat om iets wat van '(al)gemeen', gezamenlijk belang is. Vooral in de contekst van de Griekse samenleving, waarin veel is gefilosofeerd over de verhouding van individu en gemeenschap, was het 'gemeen' van groot belang.
De Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, gebruikt 'koinos' om er het woord mee te vertalen, waar het ook voor ons bekende 'gabber' vandaan komt. Het gaat dan om iemand die metgezel, partner is, met wie men in een bepaalde onderneming onlosmakelijk verbonden is (zie Pred. 4:10-12). Het gaat bij de gemeenschap in het Oude Testament echter altijd over de relatie van mens tot mens. Soms komt het in de oordeelsprediking van de profeten ook voor als er gesproken wordt over de verhouding met de afgoden. Nooit echter heeft het betrekking op de relatie met God. Al heeft de rechtvaardige in geloof en vertrouwen wel degelijk een afhankelijke en aanhankelijke relatie met God, toch wordt die nooit aangeduid met gebruik maken van dit woord, dat al te zeer een gelijke verhouding veronderstelt. God is, met eerbied gesproken, niet zomeer een 'chabber' van de mens.
Hoewel het een enkele keer ook in neutrale zin voorkomt (o.a. Joh. 4 : 9) is gemeenschap in het Nieuwe Testament vooral een religieuze zaak. In de waarschuwing tegen afgoderij zegt Paulus: en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt' (1 Kor. 10 : 20). Hij waarschuwt ook tegen alle relaties, waarmee de gelovigen niets van doen mogen hebben: Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? ' (2 Kor. 6 : 14). Het positieve en eigenlijke gebruik van dit woord is dat het bijzonder betrekking heeft op de relatie met Christus en Zijn heilswerk, die uit genade genoten wordt: God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere' (1 Kor. 1:9). Bij het Heilig Avondmaal wordt deze gemeenschap met het bloed en het lichaam van Christus bijzonder genoten (1 Kor. 10 : 16). De gemeenschap met Christus betekent ook gemeenschap van Zijn lijden. Dat is de grond van de zaligheid, dat geeft ook in de praktijk van het leven van de christen de toon aan. Maar al geeft het lijden droefheid. Petrus wijst erop dat er in die gemeenschap ook de belofte ligt dat er ook een deelgenootschap zal zijn in Zijn heerlijkheid om zich daarin te verblijden (1 Petrus 4 : 13).
Er is in het N.T. wel sprake van een gemeenschap met God. De gemeenschap met Christus, door het geloof in Hem, is ook de gemeenschap des Heiligen Geestes (2 Kor. 13 : 14, Phil. 2 : 1) en met de Vader. Dat laatste zien we op een bijzondere manier verwoord in 1 Joh. 1:3 waar de apostel uitgaande van de gemeenschap der gelovigen, die in de weg van de verkondiging ontstaat, opstijgt tot de gemeenschap met God in Christus: Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus'. Zo gaat het in de onderlinge gemeenschap van de gelovigen en de gemeenschap met God om een en hetzelfde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's