Is er ook groei? (6)
Voor de geestelijke groei van de gemeente is naast het volharden in de leer van de apostelen de gemeenschap van uitermate groot belang. Ook daarin is nodig te volharden. Het behoeft niet veel uitleg om aan te tonen dat de gemeente niet als los zand aan elkaar hangt. Het ene en hetzelfde geloof bindt samen. In Christus is het een gemeenschap. Bijbels gezien: een hechte gemeenschap.
De eerlijkheid gebiedt neer te schrijven, dat er van die hechte gemeenschap niet altijd zoveel te zien is.
Men zit op zondag wel in één en hetzelfde kerkgebouw, maar van maandag tot en met zaterdag lijkt het wel alsof men elkaar niet kent. Veel zorg voor elkaar heeft men niet. Men zou in een christelijke gemeente iets anders mogen verwachten, maar het gaat er vaak precies zo aan toe als in de maatschappij: een ieder denkt aan zichzelf.
Vanwege een verregaand individualisme is het koud geworden èn in de samenleving èn in de kerk. Een warme en hartelijke gemeenschapszin ontbreekt. Met name van de gemeente straalt om die reden weinig af Hoe geheel anders lezen wij daarover in het begin van het ontstaan van de christelijke kerk. De heidenen zeggen van de gemeente als zij zien wat een zorg men voor elkaar heeft: 'Ziet hoe lief zij elkaar hebben'. Juist vanwege de hechte gemeenschap waarin men veel voor elkaar overhad, is er werfkracht van de gemeente uitgegaan.
Heilig Avondmaal
In tegenstelling tot veertig jaar geleden worden de diensten waarin het Heilig Avondmaal wordt gevierd, beter bezocht. Hierover kan men zich verblijden. Avondmaalsmijding is uit de boze! Let wel: dit is iets anders dan avondmaalsschroom. Wie schroom heeft, zal niet thuisblijven als het Heilig Avondmaal wordt bediend en gevierd. Wie daarentegen het avondmaal mijdt, zal z'n plaats in het kerkgebouw leeg laten. In het gunstigste geval zal men elders ter kerke gaan, waardoor de gemeenschap met de plaatselijke gemeente echter wordt verbroken, of men blijft thuis ten gevolge waarvan men hetzelfde kan zeggen.
Hoe het ook zij: of men aan de Tafel des Heeren gaat of niet, maar men moet nooit of te nimmer uit de kerk blijven, tenzij de voorzienigheid Gods ons dit verhindert. Maar als dit niet het geval is, dan altijd komen.
Ik schreef dat in vergelijking met enkele tientallen jaren terug de opkomst van de gemeente bij de Avondmaalsviering beter is.
Ook is op te merken dat de deelname aan het Heilig Avondmaal toegenomen is. Dit zou een oorzaak tot grote vreugde moeten zijn. Ziende op de grote aantallen avondmaalgangers zou er sprake moeten zijn van een bloei van het geestelijk leven. Echter... is deze bloei en groei er ook?
Ik spreek geen oordeel uit over het gaan naar de Tafel des Heeren. Over het hart zal de kerk geen uitspraak doen. Wie ons oordeelt is de Heere. Maar als wij zien op de vruchten en dan speciaal op de vruchten met het oog op de gemeenschap, zijn deze dan niet minimaal? Waar is de onderlinge liefde en hartelijke verbondenheid? Waar is het nederig en goed zijn voor elkaar? Waar het liever elkaar de voeten wassen dan de oren?
Het formulier dat gebruikt wordt bij de viering van het Heilig Avondmaal noemt vele, vele vruchten. Maar zijn deze vruchten op te merken? Zou het gebrek daaraan niet één van de oorzaken van geestelijke verschraling zijn.
Het geestelijke leven van de gemeente bloeit het meest als men als gemeenschap volhardt in het gemeenschap-zijn.
En vergeet niet: behorend tot de gemeenschap is geen zaak die van ons is uitgegaan. Niet wij hebben gekozen, maar wij zijn uitverkoren tot de gemeenschap. Allereerst natuurlijk tot de gemeenschap Gods, maar dan ook tot de gemeenschap onderling. Gemeenschappelijk het leven puttend uit Hem die op Golgotha alle gemeenschap moest missen: Jezus Christus. In een levend geloof, verbonden met Hem, zal er ongetwijfeld sprake zijn van groei in het geestelijk leven.
In 't bijzonder het met elkaar zitten aan de Tafel des Heeren versterkt elkaar in de gemeenschap en in de gemeenschapszin. Wanneer dit niet het geval is, doet men er goed aan zich als gemeente te onderzoeken of men wel op een rechte wijze avondmaal viert. Het is niet helemaal onmogelijk dat er eerst eens iets moet worden opgeruimd dat de gemeenschap in de weg staat en waardoor er van groei geen sprake is.
Als men in haat en nijd met elkaar leeft of wanneer men om het geringste of het minste elkaar in de haren vliegt, moet men maar niet veel zegen van het Heilig Avondmaal voor de gemeente verwachten. De Heere geeft daar Zijn zegen waar men Hem èn elkaar liefheeft. De Heere èn elkaar liefhebben gaan altijd samen.
Wie zegt God lief te hebben, maar zijn naaste te haten, spreekt niet de waarheid. Men heeft God niet lief.
In de gemeenschap komt het aan op de liefde! Waar die ontbreekt, valt de gemeenschap als los zand uit elkaar.
Maar als er nu aan de Avondmaalstafel op een echte en rechschap is, wat dan? Dan kan het niet anders, of er zullen vruchten zijn. En die vruchten zullen de gemeente geestelijk doen groeien.
Een vraag: wat zijn onder andere de vruchten? In dit verband denk ik onder andere aan wat er geschreven staat over het dragen van de lasten van elkaar.
Ook zal men in liefde toezicht op elkaar houden. Als er wordt gezien dat de ander een verkeerde weg inslaat, zal men hem vermanen. Vanzelfsprekend moet dat vermanen niet gebeuren vanuit de hoogte. Ook niet betuttelend in de zin van: 'ik weet het beter dan dat jij het weet'. Vermanen doet men in liefde, zoals de apostel Jacobus heeft gedaan, wanneer hij schrijft: 'Dwaalt niet, mijn geliefde broeders'.
Wie 'geliefde broeders' zegt, kan nooit de zweep hanteren. Men zal ook nooit uit 'betweterigheid' spreken. Men is bewogen met de ander uit vrees dat hij zijn dwaaltocht zal voortzetten en uiteindelijk in Belials nare streken voor eeuwig zal dwalen.
Waarschuwen, vermanen wordt altijd in de christelijke gemeente gedaan om iemand op het rechte pad te brengen. Het dient ertoe om de naaste weer terug te brengen op de Weg, speciaal bij Hem Die zegt: 'Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven'. Wanneer men daarom in liefde wordt vermaand, behoeft dit nooit te worden gezien als betutteling, maar kan dit altijd worden opgemerkt als een aansporing om de goede weg in te slaan. Ook is één van de vruchten die met name de gemeenschap Gods kent, het elkaar opscherpen in de liefde. Want maar niet moet vergeten worden: liefdeloos is goddeloos (F. Bakker).
Dienstbetoon
Een vrucht van de liefde is onder andere het dienstbetoon! Terecht wordt gezegd dat de christelijke gemeente een diaconale gemeente is.. Onder een diaconale gemeente verstaat men niet dat alleen een college van diakenen het dienstbetoon behartigt. Neen, het is een zaak van de gehele gemeente. Waar men zorg ontmoet, zal men er alles aan doen om die zorg óf weg te nemen, óf die te verlichten. Men zal begrijpen dat de zorgen niet alleen van stoffelijke, doch ook van immateriële aard kunnen zijn.
Heel concreet denk ik bijvoorbeeld aan iemand die een geliefde heeft verloren. Financieel rooit men het doorgaans wel, maar dat is niet het geval met het verwerken van het verdriet. Wat is het een goede zaak als men dan door een ander gemeentelid daarin wordt geholpen. Al is het alleen maar dat er een luisterend oor is. Luisteren naar iemand en hem daarin bijstaan is niet het gehele Evangelie, maar wel een deel daarvan.
Maar let wel: het dienstbetoon kan ook heel concreet zijn. Soms kleine dingen kunnen het leven van een ander veraangenamen. Maar wat is klein of wat is groot? Alles wat uit liefde tot God en de naaste wordt gedaan, is groot.
Er bestaat bij ons wel eens koudwatervrees voor het doen van goede werken. Nu, die vrees behoeft er niet te zijn. Ik druk mij maar eenvoudig uit, maar ik denk dat de Heere blij is als Hij ziet dat Zijn kinderen zorg hebben voor elkaar. Wat zéker is: Hij beloont de werken van de Zijnen, uit genade!
Het dienstbetoon — in welke vorm dan ook — heeft alles met de heiligmaking te maken, 't Is naar mijn mening niet verkeerd als óók die een goede plaats in de prediking krijgt. Want anders bestaat het gevaar dat men op de duur niet meer weet, hoe men móet leven.
Nu behoeft men voor mij inzake de orthopraxie (de praktijk van het rechte leven) niet in allerlei details te treden. Daarmee bedoel ik: men behoeft niet precies voor te schrijven wat men moet doen. Wanneer er werkelijk liefde is, zal de hand doen wat zij vindt om te doen. De liefde ziet wat er gedaan moet worden. Zij weet ook altijd of wat er gedaan wordt, naar Gods wil is.
Van het dienstbetoon van de gemeente zal soms gelden dat het georganiseerd móet worden. Toch pleit ik ervoor om niet alles te gaan organiseren. Er mag aan het 'particulier initiatief ook wel wat worden overgelaten.
't Zou wel eens kunnen zijn dat wij in de afgelopen jaren te veel hebben georganiseerd en te zeer in alles een structuur hebben willen aanbrengen ten gevolge waarvan alle spontaniteit is verdwenen.
Jongeren en ouderen in de gemeenschap mogen ook wel wat uit zichzelf doen. Een kerkeraad of een diaconie behoeft niet alles te regelen. Een college als dat van de diakenen mag stimulerend en inspirerend werken, maar zij behoeft niet alle touwtjes in handen te nemen.
Het zal intussen duidelijk zijn, dat het dienstbetoon niet een zaak is aan de periferie van de gemeenschap, maar dat zij daarin een duidelijke en voorname plaats inneemt.
Aan de kant
Soms komen mensen aan de kant te staan. Op een of andere manier raken zij los van de gemeenschap. De vraag dringt zich aan ons op wat doen wij met hen? Proberen wij hen weer in de gemeenschap terug te krijgen of laten wij ze maar gaan? Het lijkt mij een goede zaak als iedere gemeente eens nagaat, hoevelen er in de afgelopen tien jaar de gemeenschap hebben losgelaten. En dan bedoel ik met dit 'nagaan' dat men niet alleen een onderzoek doet bij hen die zijn weggegaan, maar ook of men als gemeente zelf niet de oorzaak is, dat zij zijn heengegaan, 't Is werkelijk niet verkeerd als men als gemeente tot zichzelf inkeert en zich afvraagt of men zelf niet de oorzaak is dat sommigen of velen zijn heengegaan. Wanneer men als gemeente zelf de oorzaak daarvan is, geldt voor de gemeente dit ene: bekering!
Wij moeten maar niet vergeten, dat de oorzaak werkelijk niet alleen altijd behoeft te liggen bij hen die heengaan, zij kan ook bij de gemeente worden gevonden. Nog niet is de vraag beantwoord of wij achter hen heengaan. Dat wil zeggen: doen wij als gemeente zoveel dat zij weer terugkeren in de gemeenschap? Of laten wij ze liefdeloos gaan met de gedachte: zij zijn van ons uitgegaan, omdat zij van ons niet waren? (Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's