Calvijn en de eenheid van de kerk (1)
Actualiteit
Wie zich bezighoudt met Calvijns gedachten over de kerk wordt getroffen door de bijzondere nadruk die hij telkens weer legt op kerkelijke eenheid. Door heel zijn oeuvre heen, vooral ook in zijn correspondentie, blijkt hij een onvermoeid en gedreven pleitvoerder voor geestelijke eensgezindheid en voor daadwerkelijke eenheid van allen die krachtens hun band aan het Woord van God en hun gemeenschappelijk geloofsbelijden bijeen behoren. Het is een eenheid die verschillen op ondergeschikte punten overstijgt. Men behoeft het rijk gedocumenteerde proefschrift van W. Nijenhuis, Calvinus Oecumenicus. Calvijn en de eenheid der kerk in het licht van zijn briefwisseling (1959) maar te lezen, om onder de indruk te komen van de bezieling waarmee de hervormer deze zaak bij de voortduur aan de orde stelt. In het licht daarvan steekt onze kerkelijke praktijk schril af. Laat ik twee dingen noemen.
In de eerste plaats valt te denken aan de gewenning waarmee wij met de kerkelijke verdeeldheid omgaan. We zeggen met de mond natuurlijk allemaal dat die een aanklacht jegens onszelf, een aanfluiting voor de wereld en een schande voor God is, maar het is de vraag of we de ernst ervan ook met het hart beseffen. Door al het rumoer rond het SOW-proces en bij alle (terechte) verzet tegen een oecumenische ideologie waarbij de waarheidsvraag van ondergeschikte orde blijft, dreigen we te vergeten dat kerkelijke eenheid geldt als een onopgeefbaar goed en een volstrekt bijbels gebod.
In de tweedeplaats blijkt die onverschilligheid omtrent de eenheid uit het gemak waarmee (vooral jonge) mensen soms de kerk teleurgesteld de rug toekeren, om hun heil bij vrije groepen te zoeken. Zonder te beweren dat aan zo'n stap subjectieve oprechtheid ontbreekt, meen ik wèl te mogen stellen dat men zich daarbij maar zelden gehinderd weet door enig 'kerkelijk besef, een besef waardoor men zich verantwoordelijk weet om de gemeenschap te onderhouden met de ene kerk, waarin men één is zonder het in alles eens te zijn. Meestal laat men zich leiden door de particuliere voorkeur voor een bepaalde sfeer en bekommert men zich naudient te gelden: de bijbelse leer. Dit individualisme staat haaks op de overtuiging van Calvijn.
De Geneefse reformator wilde horig zijn aan de Schrift, zowel in zijn bezinning op de kerk als in zijn kerkelijke praktijk. Hoewel de invloed op Calvijn van met name Augustinus ook op dit punt niet valt te onderschatten, was het toch de Bijbel die de doorslag gaf. Daaraan waren voor hem het gezag van de kerkvaders en zeker ook zijn eigen gevoelens onderworpen. Het is om deze reden dat ik het heilzaam acht om bij Calvijn in de leer te gaan. Dus niet omdat de kerkleraar van Geneve als zodanig normatief zou zijn, maar omdat hij een bekwame gids is bij het verstaan van de Schrift, de bron en norm van alle geloofsleer, bijgevolg ook van de leer der kerk.
Twee fronten
Schriftgebonden wilde Calvijn dus zijn. Maar niet minder tijdbetrokken. Deze beide gezichtshoeken sluiten elkaar niet uit maar in. Want de Schrift bevat een boodschap voor de (eigen) tijd. Daarom beoogde Calvijn niet alleen de Bijbel te kennen, maar ook grondig kennis te nemen van wat zich afspeelde in de eigentijdse christenheid en samenleving (die toentertijd nog goeddeels samenvielen). Daarin wist hij zich gesteld tegenover voornamelijk twee fronten. Enerzijds was daar het machtsblok van het Rooms-katholicisme, anderzijds de niet te onderschatten nevenbeweging van de Reformatie, namelijk van de Dopers.
De christenheid lag dus uiteen, nu niet slechts tussen Oost en West (zoals al sinds 1054 het geval was), maar tussen drie gezindten die in dezelfde geografische omgeving — West-Europa — woonachtig waren, maar die theologisch en kerkelijk op wezenlijke punten uiteengingen en zelfs tegenover elkaar stonden. Bezinning op de kerkelijke eenheid was begrijpelijkerwijs geen overbodig tijdverdrijf, maar een directe vereiste. Zeker ook voor de reformatorisch-gezinden.
Dit heeft Calvijn scherp aangevoeld. Hij was er zich diep van bewust dat de reformatorische positie bij uitstek ook in kerkelijk opzicht tot verantwoording dwong. Immers Rome rekende het de Reformatie zwaar aan, de eenheid te hebben verbroken en ontzegde haar het recht zich kerk te noemen, terwijl de Dopers de reformatoren juist verweten dat ze te véél kerk waren gebleven, d.w.z. ten onrechte vasthielden aan het instituut kerk met haar geordende ambten, prediking en kinderdoop.
Men bespeurt in Calvijns uiteenzettingen over de kerkelijke eenheid voortdurend, hoezeer hij op zoek is naar een evenwichtige benadering, om dit tweeërlei verwijt te ontzenuwen. Globaal gesproken komt dit erop neer dat hij het roomse kamp voorhoudt dat wettige eenheid haar grond èn haar grens vindt in de waarheid van Gods normatieve Woord, en dat hij de dopersen oproept om terwille van datzelfde Woord de eenheid te eerbiedigen. Om deze brandpunten van waarheid en eenheid cirkelen Calvijns gedachten. Hij is een ware oecumenicus. Maar zijn oecumene is er een die door het Woord is bepaald. Laten we zien hoe dit principe zijn uitwerking krijgt.
De onzichtbare kerk
Het is een bekend gegeven dat Calvijn in de confrontatie met het machtige instituut van de roomse kerk aanvankelijk zware nadruk laat vallen op de onzichtbaarheid van de kerk. Met dit uitgangspunt in de onzichtbare, geestelijke dimensie wil hij allerminst miskennen dat de kerk ook een concrete, zichtbare gestalte heeft en de ruimte is waar het Woord wordt gepredikt, de sacramenten worden bediend en de gemeenschap wordt beleefd, maar onderstreept hij, in zijn kritiek op Rome, dat de kerk méér is dan wat wij ervan (kunnen) zien.
Voor Rome was de kerk massief zichtbaar. De Romana had zich ontwikkeld tot een instituut dat zich met goddelijk gezag bekleed wist. De uitleg van de Schrift en de uitdeling van het heil via de sacramenten lag in handen van paus, prelaten en priesters.
Lijnrecht daartegenover stelt Calvijn in eerste uitgave van zijn Institutie (1536) dat de kerk niet in de eerste plaats wordt gevormd door haar sacramentele handelingen en zeker niet door een instantie die, met goddelijk gezag geladen, de zaligheid kan uitdelen, maar dat de kerk bestaat uit het volle getal der uitverkorenen van alle tijden en plaatsen, die in Christus zijn verenigd door Woord en Geest. De kerk is werk van God en niet van mensen. En al gebruikt Hij menselijke instrumenten, het geheim van de toebrenging van zijn volk kan nooit gelegen zijn in mensen die over de genade zouden beschikken, maar louter in de genadige God zelf Hij is het die door de krachtdadige werking van zijn Geest in het mensenhart het geloofsvertrouwen schept en tot de verborgen gemeenschap met Christus voert.
Dit brengt de Geest niet tot stand door de handen van de priesters die het sacrament — en daarmee de genade — distribueren, maar door de mond van dienaren des Woords die de beloften van het Evangelie verkondigen. Uit deze centrale positie van de predilang blijkt dat Calvijns verzet tegen de pauselijke veruitwendiging hem in geen geval verleidt tot een veronachtzaming van de zichtbare en hoorbare kant van de kerk. Voor dit aspect van de kerk heeft hij gaandeweg meer oog gekregen. Daartoe heeft met name de intensieve omgang met Martin Bucer in zijn Straatsburgse jaren (1538-41) veel bijgedragen. Bovendien kwam hij in dezelfde periode in direct contact met diverse Dopers. In hun denkbeelden werd niet of nauwelijks aandacht aan het 'uiterlijke' Woord geschonken. Zij leefden bij de Geest en zochten wel eenheid, maar louter met geestverwanten. Het is met name tegenover deze Geestdrijvers dat hij de onmisbare waarde van de Schrift en van de kerkelijke prediking en daarmee van de zicht-en hoorbaarheid van de kerk onderstreept. Wat dit ten gevolge heeft voor de kerkelijke eenheid, willen we in de volgende afleveringen nagaan.
Samenvatting
Het voorgaande vat ik nog even samen. Kerkelijke eenheid acht Calvijn zonder meer geboden. Maar ze is er een van eigen soort. Ze berust niet op mensen die zich goddelijk gezag aanmeten en de pretentie voeren over de Geest te beschikken, en evenmin op ingevingen van de 'Geest' buiten het Woord om, waardoor slechts eenheid van gelijkgezinden ontstaat. Voor Calvijn is de kerk daar waar mensen door Woord en Geest in Christus zijn verbonden. Luthers bekende uitspraak was hem uit het hart gegrepen: 'Goddank weet tegenwoordig een kind van zeven jaar wat de kerk is, namelijk de heilige gelovigen en de schaapjes die de stem van hun Herder horen'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's