De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

4 minuten leestijd

Ds. C. Harinck, De charismatische beweging; Uitg. Den Hertog B.V. Houten, 164 blz., ƒ 19, 50.

In dit boek geeft ds. Harinck zijn visie op de charismatische beweging en de pinksterbeweging. Daarover leven veel vragen bij leden uit de gevestigde kerken. Hoofdlijn van dit boek is, dat de bijzondere gaven van de Geest (de charismata), zoals profetie, spreken in tongen, gezondmakingen enz. voorbehouden waren aan de tijd van de apostelen. Ik moet zeggen, dat ik met die lijn moeite heb. Geldt zo ook wat Paulus bijvoorbeeld zegt over de vrouw in de gemeente alleen voor de eerste christentijd? Hoe zit het met Jezus' woorden in Markus 16:17, 'met nieuwe tongen zullen zij spreken'? Is het juist om te twijfelen aan de echtheid van deze woorden zoals de schrijver doet? Dat is wel een erg gemakkelijke manier om je van een Schriftwoord af te maken. Waarom moeten we de bijzondere gaven van de Geest tot de eerste christentijd beperken? Is dat niet de Heilige Geest indammen? Ik deel ook niet de opvatting van de schrijver, dat de gaven er alleen waren voor de apostelen. M.i. blijkt in 1 Kor. 12 en 14 duidelijk, dat Paulus spreekt tot de gemeente van Korinthe en niet alleen tot de apostelen. Paulus zegt daarbij: ijvert om de geestelijke gaven' (1 Kor. 14 : 1). Waarom zullen we niet zeggen dat de Heilige Geest ook nu nog bijzondere gaven kan geven? Daarbij denk ik niet in de eerste plaats aan tongentaai (al moeten we die niet uitsluiten), maar bijvoorbeeld aan gaven van dienen, getuigen, onderwijzen. De schrijver zegt zelf dat profetie kan betekenen, dat dienaren het licht van Gods Woord over bepaalde concrete zaken van leer en leven laten schijnen.

Dat wil niet zeggen, dat er geen bezwaren zijn tegen bijvoorbeeld de gedachte van twee klassen van gelovigen, die we in een aantal pinkstergemeenten (niet in alle!) tegenkomen. De schrijver wijst daar ook op. Maar m.i. zegt de charismatische beweging zeer beslist niet, dat er wedergeboren mensen zijn, die de Heilige Geest nog missen. In een aantal pinkstergemeenten zit een perfectionistische trek. Maar zegt de charismatische beweging en de pinksterbeweging, dat men na de second blessing zondeloos kan leven of wordt men mismoedig en gefrustreerd wanneer men de ervaring van de bijzondere gaven niet van God ontvangt? (blz. 76). Zo doet men deze bewegingen geen recht, maar wordt alleen de mening van de tegenstanders bevestigd, terwijl het mensen, die met de charismatische beweging in aanraking komen, niet verder helpt met de vragen, die men heeft.

Ik heb nog een paar vragen: volgens de schrijver was profetie alleen voorbehouden aan leidinggevenden (ambtsdragers) in de gemeenten. Hoe zit het dan met de vrouw, die profeteert (1 Kor. 11:5)? Is het waar dat de charismatische geloofsgenezers zeggen, dat, wie niet geneest maar een halve christen is (blz. 139)? De Vierhoutenverklaring van 1981 heeft het tegendeel uitgesproken. Ik deel ook niet de mening van de schrijver dat tongentaal een werkelijke taal en een vorm van openbaring is, speciaal voor de apostelen. Waarom wijst Paulus het dan eerder terug dan dat hij het zou willen bevorderen? M.i. is het het uiten van klanken zonder woorden te vormen, psychologisch verklaarbaar. Daarom komt het ook in andere religies voor. Is het waar dat tongentaal te vinden is bij de Wycliffe Bijbelvertalers en de Navigators? Als dat waar is, betreft het hooguit enkele individuele christenen, maar daar mag men deze organisaties niet op aankijken.

Het is goed dat ook in de kring waartoe de schrijver behoort over de charismata nagedacht wordt. Juist daarom had ik liever een andere aanpak gezien, bijvoorbeeld dat de schrijver bepaalde eenzijdigheden en ontsporingen had aangewezen, zonder de charismata op zich aan de kant te schuiven. Ik zou willen onderstrepen wat de schrijver in het laatste hoofdstuk zegt (spreekt hij nu zichzelf niet tegen? ), dat er geen grond in de Schrift is om te stellen, dat de Heere de bijzondere gaven en krachten nooit meer aan Zijn kerk zal geven. Als Calvijn zegt, dat de Heere in een diep vervallen tijd deze gaven weer zou kunnen schenken (blz. 159) zou dat een aanwijzing kunnen zijn om in onze tijd van enorme secularisatie de bijzondere gaven van de Geest positiever (wat niet wil zeggen: onkritisch) te benaderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's