Is er ook groei? (7, slot)
Nog altijd heeft de gemeente als gemeenschap onze aandacht. Een vorige keer toonde ik aan, hoe Bijbels het is, zorg voor elkaar te hebben.
Het dienstbetoon in de gemeente neemt een grote plaats in. Een kerkeraad kan daarin een stimulerend en inspirerend orgaan zijn, maar behoeft dit alles niet in structuren vast te leggen. Wat spontaan opkomt, moet niet verlamd worden door een commissie zus of een organisatie zo. Een kerkeraad schiet alleen te hulp als hij ziet dat de invulling van het dienstbetoon niet is zoals die ons in de Schrift wordt voorgeschreven.
Met andere woorden: iets wat spontaan uit de gemeente opkomt en waaraan enthousiast wordt begonnen, behoort niet te worden ingedamd door het opwerpen van allerlei hindernissen. Juist die hindernissen kunnen de geestelijke groei van de gemeente in de weg staan.
Buiten de gemeenschap
ledere gemeente kent ze helaas! Mensen, die zich aan de gemeenschap onttrekken. Let wel: niet alleen jongeren onttrekken zich aan de gemeenschap, maar ook ouderen.
Wie als predikant z'n huidige kaartenbak eens vergelijkt met die van een aantal jaren geleden, schrikt ervan hoe de kerkverlating maar niet een zaak alleen van jongeren is geweest, maar ook die van ouderen. Dat men buiten de gemeenschap is komen te staan, kan allerlei oorzaken hebben. Naar die oorzaken doe ik nu geen onderzoek. Wel kan men zich als gemeente afvragen of er wel altijd zoveel liefde is uitgegaan naar hen die zijn heengegaan.
Een nog dringender vraag is: wat doen wij met hen die van ons uitgaan? Soms krijgt men wel eens de indruk dat wij ze gemakkelijk loslaten. Er wordt niet één keer meer naar hen omgekeken. Gemakshalve denkt men: zij zijn van ons uitgegaan, omdat zij van ons niet zijn.
Zo gemakkelijk echter ligt het niet! Als gemeenschap zijn wij voor elkaar verantwoordelijk. Het is onze plicht om ons ten uiterste in te spannen om hen die heengaan weer bij de gemeenschap te betrekken. Als het goed is, dringt ons de liefde om hen die ten dode toe wankelen vast te grijpen. Buiten de gemeenschap immers missen zij het Woord, de sacramenten, de gemeenschap, het bidden voor elkaar. Daarom moeten wij als gemeenschap iemand nooit 'zomaar' loslaten, maar doen wat onze hand vindt om te doen.
Ook moet door de gemeenschap nooit gedacht worden, dat aan die man of aan die jongen die zich buiten de gemeenschap plaatst toch niets meer te doen is. Om die reden laten wij hen dan maar gaan. Wie in eigen leven weet, hoe de Heere van ver is gekomen, hem heeft opgezocht en naar hem heeft omgezien, heeft hoop voor ieder mens, wie die mens dan verder mag zijn.
Laat ik dit schrijven: hoe meer de gemeenschap zelf van genade leeft, des te meer zorg zal er zijn niet alleen voor elkaar, maar ook voor de ander die geen plaats meer heeft in de gemeenschap. Mensen met genade zijn altijd gunnende mensen. Zij gunnen degenen die zijn heengegaan niet aan de wereld, noch aan de duivel en zéker niet aan de hel, maar zij gunnen hun medemens aan de Heere die recht op hen heeft.
Uit wat ik schreef hierboven zal duidelijk zijn, dat wij als gemeente de ander nooit moeten loslaten, maar alles op alles moeten zetten om allen die weggedwaald zijn weer in de gemeenschap terug te brengen. Let wel: dit is een zaak van de gehele gemeenschap. Soms hoort men wel eens zeggen: de kerkeraad zou eens meer moeten omkijken naar hen die zich in de gemeenschap niet meer thuisvoelen of een evangelisatiecommissie zou zich er eens meer mee moeten bemoeien. Zo'n opmerking is niet juist. Het is een zaak van de gehele gemeenschap. Hooguit kan een kerkeraad of een evangelisatiecommissie dit alles enigszins stroomlijnen, maar de gemeenschap behoort om te kijken naar hen die zijn afgedwaald.
Maar bevordert dit dan — zo is de vraag — de groei van het geestelijk leven? Is er een opwassen in de kennis en in de genade van onze Heere Jezus Christus? Dat groeien in het geloof zal er zeer zeker zijn. Want naarmate men als gemeenschap meer zorg heeft voor elkaar en voor anderen die niet meer tot de gemeente behoren, naar die mate zal men ook z'n afhankelijkheid ondervinden.
Hoe meer wij ons in alles van de Heere afhankelijk weten, des te meer zullen wij de troon van Zijn genade bestormen. Groeien in het geloofsleven doen wij als wij dagelijks toenemen in afhankelijkheid. De sterkste geloofsgemeenschap is deze waar beleefd wordt: 'Zonder Mij kunt gij niets doen'.
Nog één opmerking wil ik maken. Deze heeft te maken met de werfkracht. Een gemeente die echt een gemeenschap is, zal open zijn om anderen te ontvangen. Als er echte liefde is onder elkaar, is de ander die zich bij de gemeenschap aansluit werkelijk wel genegen om over bepaalde dingen in het kerkelijk leven heen te stappen. Door de traditie met een kleine 't' ziet men heen op de Traditie met een grote 'T'. Om deze laatste gaat het toch maar!
De jongeren
Ook de jongeren maken deel uit van de gemeejite. Op grond van het Verbond behoren zij er geheel en al bij. Binnen de gemeente nemen zij een rechtmatige plaats in. Dat er met hen rekening wordt gehouden, zal een ieder duidelijk zijn. Op dit laatste is meer dan eens in ons blad gewezen, zodat ik daaraan voorbij ga.
De enige opmerking die ik wil maken is deze, dat de jongeren voor elkaar verantwoordelijk zijn. Zij hebben onder hun leeftijdgenoten een taak. Zij mogen andere jongeren attenderen op de dienst des Heeren. Randkerkelijke jongeren kunnen zij vertellen van die ene Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid. Ook kunnen zij vrienden, die bezig zijn zich te onttrekken aan de gemeenschap, proberen erbij te houden.
Dat jongeren dit doen in hun eigen taal, zal duidelijk zijn. Maar juist om die reden kunnen zij anderen vaak beter bereiken dan wij ouderen.
Op de Pinksterdag hoorde een ieder in zijn eigen taal spreken (Hand. 2). Zo mogen ook jongeren in hun eigen taal de grote werken Gods horen. Dat die 'eigen taal' beschaafd Nederlands behoort te zijn, staat buiten kijf. Maar toch... hun eigen taal.
De eerlijkheid gebiedt mij te schrijven dat jongeren in het benaderen van leeftijdgenoten ons als ouderen nog wel eens beschamen. Met andere woorden: de jongeren zijn voor de ouderen een lichtend voorbeeld. De gevolgen zijn hiervan duidelijk te zien.
Bij de jongeren ziet men eeh groei in het geestelijk leven, ook in evangelisatorische bewogenheid, terwijl het wel lijkt alsof er bij de ouderen van geen groei sprake is. Nu moet ik niet gaan generaliseren alsof dit altijd het geval is. Dat is niet zo! Wie in de maand januari één van de ontmoetingsavonden van GZB/IZB heeft bijgewoond, zal zich herinneren, hoe ouderen getuigden van hun geloof en hoe evangelisatorisch bewogen en missionair bewust zij waren.
Wat zéker is: de gemeenschapszin kan al jong worden beoefend. Dat de gemeenschap en alles wat daarmee samenhangt van tijd tot tijd een plaats in de catechese zal hebben, behoeft hier niet nader uitgewerkt te worden. Trouwens, dit geldt niet alleen voor de catechese, doch ook voor de prediking. Vanzelfsprekend moeten tekst en context zich ervoor lenen, maar als dit het geval is, moet men niet verzwijgen wat het inhoudt, gemeente te zijn.
De sacramenten
Zowel de doop als het avondmaal dienen tot versterking van het geloof. Nu zal het juist zijn als iemand mij voorhoudt dat men slechts één keer wordt gedoopt. Het is een eenmalig gebeuren dat niet zoals het avondmaal bijvoorbeeld herhaald wordt.
Niettemin behoudt de doop zijn waarde. Zij gaat met ons het gehele leven mee. Het gehele leven wil zij dienen tot versterking van het geloof.
Want vergeet het niet: in de doop is ons alles toegezegd. Heel het heil van God is in het teken en zegel van Gods verbond vervat.
Meestentijds denken wij dat de Heere ons geloof alleen aan de tafel van het Nieuwe Verbond versterkt. Wij vergeten daarbij dat de Heere dit ook doet door middel van het sacrament dat er al aan het begin van dit leven is en waarin op zo'n heerlijke wijze uitkomt dat de Heere in ons leven de Eerste is.
Wat een versterking van het geloof als wij bij herhaling terugvallen op de kracht van de doopbelofte. Helaas... maar al te weinig wordt dit gedaan! Zo er meer werd stilgestaan bij wat de Heere toezegt, zo zou er niet alleen maar sprake zijn van versterking van het geloof, maar ook van geestelijke groei.
Immers, als het Verbond — om zo te zeggen — openvalt en de Verbondsmiddelaar daarin wordt gezien, zo gaat het in ons hart leven: 'Hij moet wassen, ik minder worden'. Dan is er sprake van een groei naar boven en naar beneden. Wie het vatten kan, vatte het, maar wie het hardst naar beneden groeit, groeit het meest naar boven en brengt vele vruchten voort.
De doop tot versterking van het geloof! Zelfs op het sterfbed. Want toen Luther zijn einde voelde naderen, zei hij onder andere: 'Ik ben gedoopt.' Hij zag terug op dat allereerste begin van Godswege in zijn leven. Daaruit putte hij kracht en daarin vond hij alle troost.
Het moet gezegd worden dat er maar weinig mensen zijn die spreken over hun doop, terwijl het toch zo'n rijkdom is gedoopt te zijn. Alles, maar dan ook alles wordt ons daarin beloofd.
Naast de doop is er het tweede sacrament dat de Heere voor Zijn gelovigen heeft ingesteld. In één van de vorige artikelen heb ik daarover al het een en ander geschreven. Nu zeg ik er alleen dit nog van, dat wij niet als individualisten aan de tafel des Heeren zitten. Wie er zit, maakt deel uit van de gemeenschap. Aan de tafel wordt gemeenschap geoefend. Allereerst met de drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, maar vervolgens ook met elkaar. De gemeenschap met de drieënige God staat niet los van die van de gemeenschap met elkaar. Zij zijn aan elkaar verbonden.
Ook kan er gemeenschap zijn met de triomferende kerk, maar dit gaat buiten het bestek van dit onderwerp, ofschoon die gemeenschap met het oog op de heerlijke toekomst van uitermate groot belang kan zijn. Dat gemeenschap met de Heere en met elkaar aan de tafel van het Nieuwe Verbond vruchten te zien zullen geven, zal duidelijk zijn. Zowel de Schrift als ons avondmaalsformulier laat ons daarover niet in het onzekere.
Kort samengevat: óók de sacramenten, het gebruik en de overdenking daarvan dienen tot geestelijke groei. Een écht en récht gebruik daarvan zal het geloofsleven van de gemeente ten goede komen.
Slot
Op één onderwerp ben ik niet uitvoerig ingegaan: het gebed. Ook wel genoemd: de ademtocht van de ziel.
Dat ik het gebed buiten beschouwing heb gelaten, heeft als oorzaak dat ik eerder dit jaar een groot aantal artikelen aan het gebed heb gewijd. Alle facetten daarin voor een geestelijke groei van de gemeente heb ik daarin besproken.
Ik ben ervan overtuigd dat in deze zeven artikelen geen nieuwe dingen zijn geschreven. Ik heb daarin alleen maar de gegevens uit de Schrift doorgegeven. Wel ben ik ervan overtuigd dat als er volharding is in de vier signa ecclesiae (vier kentekenen van de kerk), nl. de volharding in de leer van de apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods en in de gebeden, er sprake van groei zal zijn. Want aan dit alles is een belofte verbonden. En vergeet het maar niet: Wat uit Gods mond uitgaat, blijft vast en ongebroken'. Bij uitstek Zijn belofte!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's