De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn en de eenheid van de kerk (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn en de eenheid van de kerk (2)

7 minuten leestijd

De kerk als moeder

In de definitieve versie van Calvijns Institutie (1559) krijgt de kerk een plaats in Boek IV. Na de eerste drie boeken, die achtereenvolgens handelen over God de Vader als Schepper, de Zoon als Verlosser en de Heilige Geest als degene die het heil ons toeeigent, volgt nu een vierde boek, dat als opschrift draagt: 'Over de uiterlijke hulpmiddelen waardoor God ons tot de gemeenschap met Christus nodigt en in haar bewaart'. Meteen al in het eerste hoofdstuk hiervan staat de eenheid in het middelpunt van de belangstelling. Veelbetekenend staat erboven: 'Over de ware kerk, waarmee wij eenheid (unitas) moeten onderhouden, omdat zij de moeder is van alle vromen'. Dit moederschap van de kerk is voor Calvijn van uitnemend belang. Onder de titel Kinderen van één moeder (1989) heeft professor C. Graafland aan deze Calvijnse thematiek een waardevolle studie gewijd, waar ik graag voor nadere informatie naar verwijs.

Drieërlei betekenis

De beeldspraak dat de kerk de moeder van alle vromen is, heeft op zijn minst drieërlei betekenis. In de eerste plaats sluit dit beeld geheel aan bij de titel van Boek IV. Daarin heet de kerk een uiterlijk hulpmiddel. Dat zet haar op de plaats. Die plaats is bescheiden. Terwijl de zichtbare kerk bij Rome zo ongeveer samenvalt met de zaligheid, wil Calvijn van deze overschatting niet weten. De kerk is niet het heil zelf — daarover ging het vooral in Boek III - , maar zij vormt het middel waardoor de Heere ons tot het heil in Christus nodigt en daarbij bewaart. Meer dan het van God verordende middel is zij niet. Maar ook niet minder.

Dit voert ons tot het tweede aspect van de beeldspraak. Als moeder is de kerk dan weliswaar niet te verwarren met de zaligheid zelf, dit neemt niet weg dat ze wel strikt noodzakelijk is om ons tot de zaligheid te leiden. De reden hiervan is dat haar nu eenmaal de prediking en de sacramentsbediening zijn toevertrouwd. En daarvan koestert Calvijn hoge verwachtingen. Want in de kerk komt het Woord tot klinken. Maar dat niet alleen. Het vindt er door Gods onweerstaanbare genade ook gehoor en weerklank in de harten. Het uiterlijke hulpmiddel van de kerk blijkt dus wel heel nauw verbonden te zijn met het innerlijk gewerkte heil. Vandaar dat men Calvijns waarschuwing voor de overschatting van de (zichtbare) kerk, zoals hij die aan het adres van Rome laat uitgaan, beslist niet moet verslijten voor een onderschatting ervan, zoals die bij de Dopers was aan te treffen.

W. van 't Spijker heeft gelijk, wanneer hij Calvijns positie weergeeft met deze korte kenschetsing: 'Calvijn is geen kerkist. Hij is evenmin een spiritualist'. Met deze, zij het negatieve typering lijkt me Calvijns kerkbeschouwing treffend getekend. Men overschatte de kerk niet, want haar heilsmatige betekenis is louter gelegen in de bediening van Woord en sacrament — dus slechts bemiddelend - , maar men onderschatte de kerk evenmin, want wat de Geest aan heil wegschenkt, dat doet Hij door de verkondiging en viering die aan de kerk zijn opgedragen. Voor Calvijn staat het vast dat het Gods wil is, dat zijn kinderen in de schoot van deze kerk-van-het-Woord worden verzameld, gevoed en levenslang geregeerd.

Het derde aspect aan het beeld van de moeder is dat het de eenheid van de kerk onderstreept. In de titel van het eerste hoofdstuk komt dat meteen al onomwonden naar voren: omdat de kerk onze moeder is, dienen wij de eenheid met haar te bewaren. Middellijkerwijs hebben wij aan haar het (geestelijk) leven te danken. In de kerk worden wij opgebeurd en opgebouwd, onderricht en ondersteund. Daar is het dat ons geloof wordt gevoed en onderhouden. Wie zou nu deze moeder achteloos de rug toekeren? Allen die God tot Vader hebben — zo stelt Calvijn met de kerkvader Cyprianus — die zullen de kerk tot moeder hebben. Het deelgenootschap aan de ene kerk houdt ons naar Calvijns overtuiging in de gemeenschap met (de enige) God. Het luistert hier dus wel nauw!

Woordkerk

De nadruk op de eenheid komt vooral aan het licht wanneer Calvijn de beeldspraak dat de kerk onze moeder is nader uitwerkt. De kerk baart, zij voedt en behoedt. 'Buiten haar schoot geen vergeving van zonden!', zo luidt een vermaarde zinswending in dit verband. We horen hierin de echo van de door Cyprianus gesmede en door Augustinus bevestigde stelling dat er buiten de kerk geen zaligheid is (zo ook NGB 28). Al denkt Calvijn in tegenstelling tot Cyprianus en wellicht nadrukkelijker dan Augustinus hierbij niet primair aan de sacramentsbediening maar aan de Woordbediening, principieel deelt hij hun standpunt: het heil is uitsluitend in de kerk te zoeken en te vinden.

Voor alle duidelijkheid attendeer ik erop dat Calvijn hier dus uitdrukkelijk de empirische, zichtbare, vooral hoorbare kerk op het oog heeft, die zich manifesteert in de praktijk van de plaatselijke gemeente. Want aan de zichtbare kerk is de prediking van de hemelse leer opgedragen. Wie deze geestelijke zielespijs, die door de kerk wordt aangereikt, versmaadt, door zich van haar af te scheiden, die is waard om van honger en gebrek om te komen, aldus Calvijn.

Uiteraard is de hervormer ervan op de hoogte dat het God zelf is die ons het heil deelachtig maakt. Maar Hij doet dat door de schepping en schenking van het geloof En dit geloof is uit het gehoor! 'God geeft ons het geloof in onze harten, maar door het instrument van het Evangelie'. Met dit Evangelie heeft Calvijn niets anders op het oog dan de prediking ervan. In deze instelling is God zelf tegenwoordig. De dienaren des Woords fungeren als middelen. Hijzelf is de Auteur. Zo is Zijn eigen orde en regel.

Privé?

In deze samenhang haalt de reformator uit naar mensen die van mening zijn, deze goddelijke orde wel te kunnen missen. Zij maken zichzelf wijs ook wel zonder de gemeenschap van de kerkdienst te kunnen vorderen in het geloofsleven, door 'bij zichzelf (privatim) de Schrift te lezen en te overdenken. Calvijns kritiek richt zich hier natuurlijk niet tegen het persoonlijk Bijbellezen en de beoefening van de meditatie als zodanig. Op vele plaatsen in zijn geschriften voert hij daarvoor veeleer een krachtig pleidooi. Maar wat hij radicaal afwijst is de vervanging van de openbare eredienst door particuliere godsdienstoefeningen, waarbij men achteloos aan de kerk voorbijgaat. Hij noemt dat een verbreking van de heüige band der eenheid en een goddeloze scheiding van de kerk.

God heeft ons niet geroepen om met verachting van de reguliere kerkdienst in ons eigen geestelijk onderhoud te voorzien, maar juist om de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten. Persoonlijke Bijbelstudie en meditatie zijn slechts dan heilzaam, wanneer zij niet door eigenzinnigheid worden gemotiveerd, maar worden beoefend als vrucht van en ter voorbereiding op de kerkelijke eredienst, indien ons althans de mogelijkheid geboden wordt om eraan deel te nemen. Wie leeft met God, die leidt geen eigen zelfgenoegzaam leven, maar weet zich ingebed in het leven van de gemeente, Christus' lichaam. Pastoraal voegt Calvijn dan ook aan zijn afwijzing de oproep toe: 'Opdat daarom de zuivere eenvoud van het geloof bij ons zal bloeien, zo laat ons geen bezwaar maken deze oefening der vroomheid te gebruiken'.

Een exercitie in de pietas (vroomheid) noemt Calvijn de eredienst dus! Door de openbare, hoorbare kerkdienst wordt, naar Gods instelling, de gemeente gebouwd, het geloofsleven gewekt en gesterkt en de vroomheid van hart en levenswandel geoefend. Calvijn weet wel dat het zaligmakend effect van de prediking puur aan de Geest te danken is, maar dat doet voor hem niets af van het veelbelovende feit dat God zijn Geest aan die prediking verbindt. Een volgend maal staan wij stil bij de maatstaf die Calvijn hanteert om uit te maken of een kerk waar of vals is, met andere woorden, wat de kenmerken zijn van die ene en katholieke (algemene) kerk, waarmee de eenheid onvoorwaardelijk is te bewaren.

Samenvatting

Wat we tot nu toe vernamen komt kort samengevat hierop neer.

De kerk is noch een machtsinstituut van paus en priesters, noch een vereniging van gelijkgezinden, maar het werk van God die door Woord en Geest — met gebruikmaking van menselijk instrumentarium — zijn volk vergadert in Christus. Zo is de kerk de onvervangbare moeder van alle vromen, waarmee gezegd is dat wij via de kerkelijke bediening van Woord en sacrament door de Geest tot de gemeenschap met de Vader en de Zoon worden gebracht en erin worden bewaard..

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Calvijn en de eenheid van de kerk (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's