De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn en de eenheid van de kerk (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn en de eenheid van de kerk (3)

8 minuten leestijd

Oordeel over kerkleden

Hoewel de zichtbare kerk voor Calvijn niet samenvalt met de onzichtbare kerk, die allen omvat die door de Geest tot waarachtige leden van Christus geheiligd zijn, bindt hij ons op het hart die zichtbare kerk hoog te achten en de gemeenschap daarmee te onderhouden. Het feit dat zich daarin vele hypocrieten bevinden, 'die niets van Christus hebben dan de naam en de uiterlijke schijn', mag ons er per se niet toe leiden deze kerk te minachten, laat staan haar te verlaten. De kerk op aarde bestaat nu eenmaal uit een schare mensen waarin gelovigen en ongelovigen vermengd zijn. Zij is, zoals reeds Augustinus leerde, een corpus permixtum, een gemengd lichaam.

De scheidslijn tussen die twee categorieën kunnen wij met onze menselijke beperktheden niet trekken. We zijn te bijziende om uit te kunnen maken wiens hart oprecht is en wiens hart geveinsd is. Wat wèl mogelijk en zelfs geboden is, dat is het beoordelen van iemands uiterlijke levensgedrag. In dit opzicht behoren de gemeenteleden op elkaar toe te zien, zorg voor elkaar te dragen en onderlinge tucht uit te oefenen met het oog op eikaars behoud. Maar over het hart kan geen sterveling oordelen. Dat is aan God, de Alwetende, voorbehouden.

Ons, kortzichtige mensen, is dus geen toetssteen gegeven om vast te stellen, wie van de gemeenteleden de Heere van harte vrezen en wie niet. In de plaats daarvan vraagt God van ons heel iets anders. Hij bindt ons namelijk aan het oordeel der liefde (charitatis iudicium). Dit is een heel merkwaardig oordeel, dat naar mijn waarneming onder ons betrekkelijk zelden echt functioneert. Merkwaardig noem ik het daarom, omdat het niet beoordeelt, nog minder veroordeelt, maar aanvaardt. Zonder over iemands innerlijke gesteldheid te (kunnen) oordelen, houden we volgens dit liefdesoordeel ieder die met ons tot de gemeenschap van de kerk behoort voor kinderen van God. Calvijn zegt het letterlijk uitvoeriger en nauwkeuriger: we houden al diegenen voor leden der kerk en voor kinderen van God, die door de belijdenis van het geloof, door het levensgedrag en door de deelname aan de sacramenten met ons dezelfde God en Christus belijden.

Als men zich realiseert dat in Calvijns gemeente in principe alle lidmaten aan het avondmaal deelnamen — behalve uiteraard zij die daarvan door tuchtmaatregelen waren uitgesloten - , komt deze zienswijze erop neer, dat we van allen 'het beste' hebben te geloven. Zonder dit nu uit te werken, moet ik hier eerlijkheidshalve wel bij vermelden, dat Calvijn met dit oordeel der liefde spanningsvol omging. Het betekende in geen geval dat hij ervan uitging dat al zijn gemeenteleden waarachtige gelovigen waren. Niet zelden geeft hij van het tegendeel blijk. Hij wist van tweeërlei kinderen van God, tweeërlei kinderen des verbonds. Vandaar dat hij verbondskinderen met klem tot bekering en tot de gemeenschap met Christus kon roepen. Want de beslissing valt niet in de kerkelijke verbondsgemeenschap, maar in de persoonlijke geloofsgemeenschap met Christus. Maar het punt waar het hier om gaat is dat wij van de ander niet kunnen beoordelen of deze beslissing (innerlijk) gevallen is of niet.

Kenmerken van de kerk

Terwijl er dus over het innerlijk gehalte van de medechristenen niet in kritische zin te oordelen valt, staat het er met het oordeel over de kerk als instituut geheel anders op. Daaromtrent zijn ons wel degelijk criteria gegeven, in de vorm van de kenmerken der kerk (notae ecclesiae). Aan de hand daarvan kunnen we ondubbelzinnig vaststellen waar sprake is van een valse en waar van een ware kerk. De ware kerk is overal daar waar we zien dat Gods Woord zuiver wordt gepredikt en gehoord, en waar de sacramenten naar Christus' instelling worden bediend.

Deze formulering is om twee redenen opmerkenswaardig: om wat ze niet zegt en om wat ze wèl zegt. Wat het eerste aangaat, valt het op dat Calvijn, in tegenstelling tot zijn Straatsburgse hartsvriend Bucer, de tucht niet als derde kenmerk vermeldt. Men moet hieruit overigens stellig niet concluderen dat de uitoefening van de christelijke tucht — in wervend en waarschuwend vermaan en zo nodig in de vorm van uitsluiting van de avondmaalsgemeenschap met het oog op de heiligheid van de gemeente — voor Calvijn een onverschillige zaak zou zijn geweest. De Geneefse praktijk leert anders. Trouwens, in zijn Institutie (1559) gaat hij er uitvoerig en grondig op in en wijdt hij er 28 paragrafen aan!

In dit verband noemt hij de tucht (disciplina) met een sprekend beeld de zenuwen van de kerk (waardoor de leden van het lichaam ieder op hun plaats met elkaar verbonden zijn), terwijl hij de leer (doctrina) aanmerkt als de ziel van de kerk. Onmisbaar is de tucht dus wel. Maar de ziel, het eigenlijke levenscentrum, bevindt zich in de doctrina, waarbij we hebben te denken aan het Woord, het Evangelie, de verkondiging en verklaring ervan en de bezinning erop. Deze voorrang van de leer is voor Calvijn de aanleiding om de beslissende kenmerken van de kerk daarmee allernauwst te verbinden: Woord en sacrament. Het eerste — het Woord — valt eigenlijk met de leer samen. Het tweede — de sacramentsbediening — ligt daar onmiddellijk omheen geschaard.

Woord en sacrament

Thans is het zaak nadrukkelijk(er) aandacht te schenken aan wat Calvijn wèl zegt. Hij volstaat niet met de vermelding van Woord en sacrament op zich, maar spreekt van een zuivere prediking en bediening ervan. Hij hanteert dus deze kenmerken niet louter objectief en statisch, alsof het voldoende zou zijn dat Schrift en sacramenten in ons midden waren. Het gaat hem veeleer — dynamisch en praktisch — om het rechte functioneren ervan in de voltrekking van de verkondiging en viering.

Dit wordt nog eens extra aangezet door een kleine maar veelzeggende toevoeging bij de prediking. Die prediking moet namelijk niet alleen zuiver worden verricht, maar ze moet ook in ernst worden gehoord. Kennelijk vindt Calvijn dat de echtheid van een kerk niet uitsluitend is te beoordelen op haar prediking, maar evenzeer op de ontvangst en eerbiediging daarvan. Het is een gedachte die onder ons m.i. weinig aandacht krijgt, maar zorgvuldige doordenking verdient. Ik beperk me nu tot déze overweging, dat Calvijn klaarblijkelijk een onlosmakelijke samenhang bespeurt tussen de bediening van het Woord en het effect dat zij heeft op het hart van de hoorders. Dat dit geen gewaagde en onzekere conclusie van mij is, blijkt uit de overtuiging die Calvijn zelf in deze samenhang uitspreekt, namelijk dat de twee genoemde kenmerken nergens kunnen zijn zonder dat ze vrucht dragen (al geeft hij toe dat dit niet altijd meteen is te zien). Zoveel fiducie had de reformator in de kiemkracht van Woord-en sacramentsbediening!

Calvijns conclusie

De conclusie die Calvijn maakt is deze. Waar de Evangelieprediking klinkt en weerklank vindt en waar de sacramenten van doop en avondmaal niet worden veronachtzaamd, daar is de kerk. Hieraan knoopt hij dan opnieuw de vermaning vast, niet van deze zicht-en hoorbare kerk af te wijken noch haar eenheid te verbreken. Wie dat wel doet is in zijn ogen een deserteur en zelfs een verlater van de religie! Uit deze Woordkerk weggaan betekent verloochening van God en van Christus. Calvijn schroomt niet om dit een misdadige scheiding te noemen. 'Er kan geen vreselijker misdaad (crimen) worden bedacht dan met heiligschennende trouweloosheid het huwelijk te schenden dat de eniggeboren Zoon van God zich verwaardigd heeft met ons aan te gaan'. De kinderen van de kerk als moeder zijn dus tevens de bruid van Christus!

Naar twee kanten richt Calvijn nu van hieruit zijn kritiek. In de eerste plaats naar Rome. Daarin kan hij geen kerk meer zien. Hoewel hij soms elders van sporen en overblijfselen van de kerk bij Rome melding maakt, constateert hij globaal genomen dat de doorslaggevende kenmerken van zuivere Woord-en sacramentsbediening er zijn teloor gegaan. Daarom is hij van het roomse verwijt (Sadoleto!) dat de Reformatie de bruid van Christus zou hebben verscheurd niet onder de indruk. Wat naar de opinie van de Romanisten kerkscheuring heette, was in het oog van Calvijn juist herstel van de ene heilige, katholieke kerk, met haar eigen onopgeefbare normen.

De tweede beweging die Calvijn onder vuur neemt is het Doperdom. Daar signaleert hij inderdaad een breuk met de kerk, een breuk die is geslagen doordat men de zuivere (reformatorische) prediking en sacramentsbediening met minachting bejegent. Hij aarzelt niet dit op de noemer van de hoogmoed te brengen. Alleen al de gedachte aan zo'n laatdunkende scheiding van de kerk is naar Calvijns gevoelen een 'dodelijke verzoeking'. Hoe hij deze afkeer van een schisma nog aanscherpt, blijkt uit het vervolg. Maar dat bewaren we voor de laatste aflevering.

Samenvatting

Het voorgaande in hoofdzaak samenvattend, valt te zeggen dat Calvijn de kerk beschouwt als een schepping van God zelf, Die door de 'moederlijke' dienst van prediking en sacrament zijn volk tot de eenheid met Christus roept en erin bewaart. Zij wordt door het tweevoud van prediking en sacramentsbediening niet alleen geboren en behoed, maar ook genormeerd en begrensd. Dit tweevoud vormt dus zowel de bron als de norm.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Calvijn en de eenheid van de kerk (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's