Een christelijke nationale actie
Het christelijk ondenwijs in Hongarije en Roemenië
Dramatisch noemden de kerkleiders uit Hongarije en Roemenië, die dezer dagen in Nederland op bezoek waren, de situatie van het christelijk onderwijs in hun land. In 1948 werden door de communisten de kerkelijke scholen genaast, in Hongarije alleen al ruim dertien honderd scholen voor basisonderwijs, met daarbij de gymnasia en andere scholen voor voortgezet onderwijs.
In 1990, toen de Wende kwam, kreeg de kerk scholen terug, daar waar deze nog levensvatbaarheid hadden; in Hongarije in totaal tot op dit moment 87. Meer dan het gebouw echter, met in enkele gevallen een (ontoereikende) subsidie voor de inrichting van het onderwijs, kreeg men niet. Met grote inzet werd evenwel de wederopbouw van het christelijk onderwijs ter hand genomen, vanaf het basisonderwijs tot en met het universitaire onderwijs. Maar intussen is medewerking van de overheid de laatste tijd of drastisch verminderd óf veranderd in tegenwerking.
Dr. Csiha, bisschop in het Roemeense Zevenburgen, meldde dat premier Iliescu, 'een nationalist en cryptocommunist', recent een wet ondertekende, waarbij het stichten van christelijke scholen wordt verboden en de schoolgebouwen eigendom van de staat blijven. En bisschop Hegedüs uit Boedapest zei, dat het christelijk onderwijs, dat sinds 1990 weer in relatie tot de kerkelijke gemeenten gegeven wordt, spoedig weer verdwenen zal zijn, tenzij er grootscheepse hulp uit het buitenland komt.
Nederland
Dat nu een beroep op Nederland wordt gedaan is geen toevalligheid. Eén en ander maal hebben we in deze kolommen aandacht gegeven aan de eeuwenlange band tussen Hongaarse en Nederlandse gereformeerden. Gedurende anderhalve eeuw studeerden meer dan 3000 studenten uit Hongarije in Nederland. Alleen al de Universiteit van Franeker herbergde in een periode van 166 jaar van haar bestaan 1200 studenten in de theologie uit Hongarije. Maar ook met Utrecht en Leiden was er druk verkeer. De bibliotheken in Hongarije leggen van die studentenuitwisselingen overvloedig getuigenis af. Studenten waren namelijk verplicht om, na hun studie in Nederland, theologische boeken mee terug te brengen naar het moederland.
In 'De onbekende Voetius ('Voordrachten symposium 1989', uitgave Kok, Kampen) vermeldt bijvoorbeeld dr. T. Brienen 'een verrassende vondst' in de bibliotheek van de Gereformeerde Kerk van Hongarije in Sarospatak. Met hulp van ds. Joszef Börszonyi, die twee jaar in Utrecht studeerde en jarenlang bibliothecaris in Sarospatak was, kreeg hij in handen 'een uniek exemplaar' van de homiletiek (predikkunde) van Johannes Hoombeeck, leerling van Gijsbertus Voetius. Het betrof namelijk de eerste editie (1645/46). Deze was door een Hongaarse student in het begin van de achttiende eeuw uit Utrecht meegenomen naar Hongarije. Het is één van de vele voorbeelden van zeldzame theologische werken in Hongaarse bibliotheken. Sommige bibliotheken, bijvoorbeeld in Papa, waar binnenkort opnieuw de theologische faculteit wordt gevestigd, vragen om grondige restauratie. Maar daarvoor is geen geld.
Er is sprake geweest van druk verkeer tussen Hongarije en Nederland, op het terrein van theologie en onderwijs, vanuit een diepe verwantschap in geloof en belijden. Vandaar ook de betrokkenheid van Nederland op Hongarije vandaag.
Appèl
Vóór de Wende hebben organisaties in kerkelijk Nederland zich in hoge mate ook verantwoordelijk geweten in de moeilijke positie, waarin zich de christenen in Hongarije en Roemenië bevonden. Méér dan door bepaalde officiële kerken in het Westen is vanuit de organisaties meegeleefd met de christenen in de verdrukking. Na de Wende echter is er sprake geweest van een ingrijpende verandering inzake de betrokkenheid vanuit het Westen bij de kerken in Oost-Europa.
Enerzijds zijn de financiële bijdragen vanuit de gemeenten verminderd. De mening vatte post, dat steun niet meer, in ieder geval minder, nodig is, nu men in Oost-Europa van het communisme is verlost. Dat laatste is echter slechts schijn, want langzaam maar zeker komen vroegere communisten weer terug op verantwoordeflijke posten. Zij vormden vroeger het kader en vervangen nu, geruisloos of abrupt, weer het vaak zwakke kader, dat aantrad na de Wende. Er moet een generatie overheen gaan alvorens men de verwoestende uitwerking van het communisme te boven is. Juist daarom echter is het christelijk onderwijs van zo onschatbare betekenis. Er moet nieuw kader komen!
Ds. Kiss Jenö uit Roemenië zei in Helpende Handen, het orgaan van de Stichting Hulp Oost-Europa: We waren op overleven ingericht. Nu is het de tijd om een visie te ontwikkelen op de kerk en op de toekomst.' Anderzijds heeft zich een stroom van organisaties op Oost-Europa geworpen, die er vóór de Wende niet waren. Oost-Europa is jachtgebied geworden voor velerlei activiteiten, waarbij men zich af moet vragen of in bepaalde gevallen niet de hulpgever centraal staat in plaats van de hulpontvanger. Dat bevordert de opbouw van het kerkelijk leven en het onderwijs in Oost-Europa niet, zeker niet wanneer hulpverleners ook nog eens met elkaar gaan wedijveren.
Nood
Nu de nood onder christenen in Hongarije en Roemenië opnieuw hoog is gestegen, kan er alleen sprake zijn van doelmatige hulp wanneer breed wordt samengewerkt in de hulpverlening. Naar mijn overtuiging is niets minder dan een Christelijk Nationale Actie nodig, wil er structurele hulp komen voor het onderwijs in Hongarije en Roemenië. Laten de organisaties de handen ineenslaan. Laten de kerken als zodanig ook breed support geven. Wanneer het de actie ten goede komt als organisaties van eigen identiteitsgebonden kanalen gebruik maken, is dat op zich niet verkeerd. Als men samen zich maar ondergeschikt weet aan het ene doel.
Hongarije en Roemenië kennen nog een on-gedeelde gereformeerde kerk. Een verdeelde gereformeerde kerk in Nederland kan dan ook alleen maar verantwoord hulp verlenen aan de broeders en zusters in het Oostblok wanneer men, in kerkelijke zelfverloochening, leert wat het betekent, dat we samen mogen delen wat we samen hebben ontvangen.
Beproefd
De Opgestane en verheerlijkte Christus zegt van de gemeente van Filadelfia, dat ze het woord van Zijn lijdzaamheid heeft bewaard en dat Hij haar bewaren zal uit het uur der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal (Openb. 3).
Moeten we niet zeggen, dat de kerk in het Oostblok als geen andere kerk weet heeft gehad van dat uur der verzoeking? Maar ook van het feit, dat ze in dat uur werd bewaard? Als zodanig weet de kerk van het westen van die verzoeking nog nauwelijks iets. Misschien is het wel haar verzoeking, dat ze genoemde verzoeking, als beproeving en loutering, niet kent. Is de kerk in het Westen daarom zo snel een prooi geworden van de secularisatie? Is daarom de kerk in het westen in de greep gekomen van zoveel eigentijdse wetteloosheid?
Christus zegt intussen ook van de gemeente van Filadelfia, dat haar een open deur is gegeven en dat niemand die kan sluiten. 'En gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend', zegt de Opgestane.
Dat woord is niet geschreven alleen voor de gemeenten van toen. Moeten we vandaag niet zeggen, dat die gemeente van Filadelfia, in haar kleine kracht, zich her en der in de wereld vertoont? Ze is toch niet gelokaliseerd in één land, in Nederland niet en in Hongarije niet! De Verhoogde Christus spreekt over de verzoeking, die over de ganse aarde gaat, 'die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken die op de aarde wonen'. In dat uur van beproeving mogen we ons als kerk van Christus over grenzen van landen en volken heen met elkaar solidair weten.
Verantwoordelijkheid
Het gaat vandaag om de vorming van het jongere geslacht, met het oog op de toekomst. Ook in Oost-Europa is de kerk een minderheid. Hier en daar is ze klein en als tot niet gekomen in de ogen der mensen.
Maar ze heeft de belofte van Christus mee: een open deur!
Laten we vanuit Nederland in ruime mate mededeelzaam zijn. Als er in eigen land tijdelijke nood is, brengen we zoveel geld bijeen, dat we het niet weten te besteden. Ik denk hier aan de collecten voor de wateroverlast in het begin van dit jaar. De nood, die zich nu aandient in Hongarije en Roemenië, is veel groter en dieper en structureler. Zullen we onze roeping verstaan en op grote schaal gaan bijdragen voor de huisgenoten des geloofs, zonder aanzien des persoons?
Intussen zullen onze gaven slechts vruchtbaar zijn als ze gedragen worden door onze gebeden. Want Christus is gezeten in Zijn troon, maar Hij wandelt tussen de zeven gouden kandelaren en houdt de zeven sterren in Zijn rechterhand. En de zeven sterren zijn de zeven gemeenten. Eén van die sterren wordt gevormd door de kerk in Hongarije en Roemenië. De deur staat open. Door onze gaven mogen we ertoe bijdragen dat deuren open blijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's