De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn en de eenheid van de kerk (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn en de eenheid van de kerk (4)

9 minuten leestijd

Onverbrekelijk

Het valt te verstaan dat Calvijn zijn verzet tegen separatisme — dus tegen afscheiding van de kerk — vooral onderstreept en onderbouwt aan het adres van de Dopers. Die meenden immers voldoende reden te hebben om de (reformatorische) kerk, die bestond uit een vermenging van zeg maar bekeerden en onbekeerden, vaarwel te zeggen, teneinde een afgezonderde gemeenschap van heiligen te vormen. Calvijn brandmerkt deze praktijk als hoogmoed en zelfs de neiging ertoe als een levensgevaarlijke verzoeking. In dit verband gaat hij heel ver om zijn pleidooi voor onverbrekelijke trouw aan de kerk kracht bij te zetten. Op drie argumenten van de (doperse) afscheidingsgedachte gaat hij kritisch in.

Gebreken

Ten eerste tekent hij protest aan tegen de stelling dat met een kerk waarin weliswaar het Woord wordt gepreekt en de sacramenten worden gevierd, maar die voor het overige allerlei mankementen vertoont, geen gemeenschap te onderhouden is. Calvijn houdt daartegenover staande dat zo'n kerk, ook al zou zij vol fouten en gebreken zijn, toch niet mag worden afgeschreven. Op welke fouten hij doelt, zegt hij er niet bij. Te denken valt echter aan liturgische oneffenheden, aan bestuurlijke onvolkomenheden of aan diakonale tekortkomingen. Die kunnen ernstig zijn, maar mogen nooit een grond tot afscheiding vormen.

De stap die Calvijn vervolgens zet is evenwel ingrijpender. Want ten tweede poneert hij dat we zelfs dan de gemeenschap niet mogen verbreken, wanneer er in de bediening van de leer of sacramenten fouten waren geslopen. Dat hangt er maar van af. Niet alle onderdelen van de leer zijn immers van hetzelfde gewicht, - daarvan was althans Calvijn overtuigd! Sommige acht hij noodzakelijk en absoluut, zoals de belijdenis dat er één God is, dat Christus God de Zoon is, dat onze zaligheid louter in Gods genade is gelegen en dergelijke (elders voegt hij toe: de verdorvenheid van het menselijk geslacht, de rechtvaardiging door het geloof, het drievoudige ambt van Christus, de bekering, het geloof in de beloften, de geloofszekerheid, het gebed). Maar er zijn ook onderdelen waarover tussen de plaatselijke en regionale kerken (op bijvoorbeeld exegetisch of dogmatische punten) verschil van inzicht kan en mag bestaan, zonder dat dit de eenheid des geloofs verbreekt.

Hiermee wil Calvijn een ieder op het hart binden, de kerk niet lichtvaardig te verlaten. We zijn niet geroepen de kerk te verlaten, maar haar gebreken te herstellen! Hartstochtelijk heeft de reformator dan ook geijverd om leerstellige geschillen tussen de verschillende vertegenwoordigers van de reformatorische beweging bij te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de bemoeienissen rond zijn befaamde avondmaalsopvatting, die te beschouwen is als een waardige en waardevolle bemiddeling tussen Zurich (Zwingli, Bullinger) en Wittenberg (Luther en de luthersen). In zijn tractaat over de ergernissen (De scandalis) noemt hi het een geraffineerde list van de duivel, om juist Gods leidinggevende dienaren tot onenigheid aan te zetten, — een list die helaas tot in de recente geschiedenis van Gods kerk niet zelden succes had. 'We moeten er alles voor doen om dat te voorkomen', zo luidt Calvijns appèl. Hadden alle calvinisten ook in dit opzicht maar meer van Calvijns geest! 'Geen broedertwist onder gasten van dezelfde tafel' (W. Balke).

Levensgedrag

Geen wonder dat voor Calvijn — en dat is het derde — een separatie op grond van een onvolkomen levensgedrag van de kerkleden nog veel minder in aanmerking komt. Fel neemt hij die lieden op de korrel die zich zo bovenmenselijk heilig wanen, dat ze met een gezelschap dat uit mensen van vlees en bloed bestaat, niets van doen wensen te hebben. Overigens kan Calvijn de ergernis aan een onheilig levenspatroon op zichzelf maar al te goed begrijpen. Eerlijk merkt hij op dat de 'vervloekte traagheid' in het heilighouden van de gemeente nooit te verontschuldigen valt. Maar de zonde waarin die perfectionisten (volmaaktheidsdrijvers) vervallen, is dat ze in hun ergernis geen maat weten te houden. Alsof er geen kerk zou kunnen zijn dan alleen bij volkomen zuiverheid en ongeschondenheid van levenswandel! Hoezeer Calvijn ook ijvert voor de heiliging van het christenleven, hij maakt van deze heiligheid geen kenmerk van de kerk. Zijn liefde voor de heiligheid blijft voor de grens van het rigorisme staan (W. Balke).

Een zuivere kerk?

Een zuivere kerk behoort niet tot deze bedeling. De kerk heeft nog een gebroken en voorlopig, en daarmee gemengd karakter. In navolging van (de anti-donatistische) Augustinus beroept de hervormer zich op gelijkenissen als die van het visnet, van de akker en van de dorsvloer. De kerk wordt gevormd door een schare die vermengd is: goede en kwade vissen, graan en onkruid, tarwe en kaf. Er is op aarde (nog) geen kerk zonder vlek of rimpel.

Een sterk argument voor zijn standpunt vindt Calvijn in de gemeente van Korinthe. Daar was niet alleen bederf in zedelijke zin, maar ook in leerstellig opzicht (denk aan de kwestie van de opstanding). Zocht Paulus echter de scheiding? In geen geval. Wel berispte de apostel de Korinthische gemeente scherp en riep hij haar op, om de avondmaalsviering heilig te houden, maar daarbij spoorde hij de gemeenteleden niet aan om elkaar te toetsen of de kerk als gehéél te beoordelen, maar om zichzélf te beproeven. En als nu Paulus zelfs deze zwaar gehavende gemeente van Korinthe als een kerk van Christus en als een gemeenschap van heiligen beschouwde, wie zou dan de naam van kerk durven ontzeggen aan hen die nog niet van het tiende deel van die misstanden kunnen worden beticht? Opmerkelijk genoeg steekt naar Calvijns oordeel het gehalte van de eigen reformatorische kerken, alle gebreken ten spijt, nog gunstig af tegen dat van de Korinthische gemeente (C. Graafland).

De heiligheid

Maar hoe staat het dan met de heiligheid van de kerk? In het spoor van Augustinus en niet minder in dat van Luther spreekt Calvijn daarover heel spanningsvol. Ik denk dat het naar bijbelse maatstaf ook niet anders kan. Enerzijds stelt Calvijn dat de kerk geheiligd is in Christus. Heilig is zij omdat zij krachtens Gods verbondshandelen is afgezonderd van de wereld en in de drieënige naam is gedoopt. Maar de andere kant is deze, dat de kerk geheiligd wordt. Want door Zijn Heilige Geest is God nog dagelijks bezig met haar te reinigen. Haar heiligheid is dus nog niet voltooid. Zolang de kerk de eindstreep van haar pelgrimsweg niet heeft bereikt, is ze nog niet volmaakt. Ze is onderweg. Evenals Augustinus acht Calvijn de gedachte dat de kerk op aarde al de graad van volkomenheid kan bereiken een ongeduldig en verwerpelijk vooruitgrijpen op de heerlijkheid, die eerst bij Christus' verschijning zal aanbreken. Wie dus de kerk verlaat omdat zij niet volkomen heilig is, die maakt een ernstige vergissing.

Van belang is in deze context ook Calvijns beroep op de houding van de oude profeten. Hoe bewogen deze Godsmannen de wantoestanden van hun volk ook ontmaskerden en veroordeelden, zij richtten evenwel geen nieuwe kerken op, wars als zij waren van afscheiding en vol als zij waren van de ijver om de eenheid te bewaren. Hoewel door Calvijn het verbond in deze samenhang van Boek 4, 1 sporadisch bij name wordt genoemd, blijkt in passages als deze, hoezeer het Oudtestamentische verbondskader model staat in zijn kerkbeschouwing.

Op vergeving aangewezen

Nog één pijl heeft de reformator op zijn boog. Het zou wel eens kunnen zijn dat hij zijn krachtigste argument voor het slot heeft bewaard. Hoe het ook zij, de laatste tien paragrafen van het genoemde hoofdstuk uit de Institutie wijdt hij aan de samenhang van de kerkelijke eenheid en het leerstuk waarmee de kerk staat of valt, namelijk de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof alleen. In plaats dat de kerk een gemeenschap van volmaakte en zondeloze heUigen zou zijn, is zij veeleer de plek waar God de bediening der verzoening laat uitrichten. Vandaar dat in het Apostolicum het artikel over de vergeving vastgeknoopt is aan het artikel over de kerk. Hierin leest Calvijn dat de kerk een gemeenschap van zondaren is die levenslang zijn aangewezen op de boodschap van de verzoening, waarin ons kwijtschelding van zonden is geschied en nog dagelijks geschiedt. Terzijde merk ik op dat deze gedachtengang aantoont hoezeer de rechtvaardiging volgens Calvijn een voortgaand (en niet een eens voorgoed afgesloten) gebeuren vormt!

Ongetwijfeld valt in deze gedachtengang de echo te vernemen van Luthers bekende stelling dat de christen tegelijk rechtvaardig en tegelijk zondaar is (simul iustus et peccator). Zij die door het geloof met Christus verbonden in Hem hun rechtvaardigheid en heiligheid hebben gevonden, hebben blijvend vergeving van zonden nodig. Dat de uitdeling van deze vergevende genade aan de kerk is toebetrouwd, staat voor Calvijn vast. Daar immers wordt in Christus' naam de sleutelmacht uitgeoefend en de toegang tot het verzoende hart van de Vader om Jezus' wil vrijgegeven. En aangezien wij levenslang niets noodzakelijkers en niets kostbaarders kunnen ontvangen dan de toerekening van Christus' bloed en gerechtigheid en de heiligende kracht van zijn Geest, betekent het verlaten van de kerk zoveel als het dichtgooien van een waterbron in de woestijn. Het is vanuit deze gezichtshoek dat de hervormer zijn afkeer van het schisma nogmaals onderstreept. En hij doet dat niet alleen met de deskundigheid van de dogmaticus, maar vooral ook met de bewogenheid van de pastor: 'Laat daarom een ieder onzer bedenken dat dit zijn roeping is: de vergeving der zonden nergens anders te zoeken dan daar waar de Heere haar gesteld heeft'.

Besluit

Wanneer we het geheel van Calvijns uiteenzetting over de kerk in de inzet van Boek IV overzien, kunnen we gevoeglijk stellen dat hij de zicht-en hoorbare gestalte van de kerk maximale waarde toekent. Zij moge dan niet het heil zelf zijn, toch is zij vanwege haar boodschap, waarvan het hart klopt in de bediening der verzoening, niets minder dan de ruimte en het gebeuren waar God door Woord en Geest ons het heil in Christus deelachtig maakt. Omdat de kerk de werkplaats van Christus' Geest is, staat zij hoog genoteerd. Vanwege de werkelijke en werkzame tegenwoordigheid van de drieënige God brandmerkt Calvijn elke scheiding van deze Woordkerk als heiligschennis. Wie die eenheid verbreekt, die schendt wat God geheiligd heeft. En dat is niemand geraden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Calvijn en de eenheid van de kerk (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's