Uit de pers
Psalmen en poëzie
De psalmen zijn wel gerekend tot 'de rijkste poëzie van de wereldliteratuur'. Dat is althans de mening van de redactie van het literair tijdschrift Parmentier (jaargang 6 nummer 4, najaar 1995) in een themanummer verschenen onder de titel Nieuwe psalmen. Op uitnodiging van de redactie heeft een groot aantal vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse dichters zich laten inspireren door de psalmen. Dichters van allerlei slag en kunde hebben zich in een poëtische proeve van hun hand door één of meerdere psalmen laten leiden bij een eigen vormgeving van een psalm. Dat levert een intrigerend resultaat op omdat het een overwegend a-religieus gezelschap is dat reageert op het verzoek van de redactie. Van Theun de Vries tot Simon Vinkenoog en van Ron Elshout tot Maria van Daalen. Je moet daarom wel moderne poëzie kunnen waarderen om hier iets van je gading in te vinden. Sommige proeven van vertolking komen op ons godslasterlijk over of geven er in elk geval blijk van dat de inhoud van de psalmen geheel wordt misverstaan. Aan het geheel van dit themanummer gaat een boeiende inleiding vooraf van prof Kees Fens (bijzonder hoogleraar Literaire Kritiek aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen). Hij schrijft boven zijn bijdrage waaruit we citeren de woorden 'Geworteld waar water stroomt'.
De psalmen zijn de lyrische samenvatting van het Oude Testament genoemd. Toen de joodse schriften in het licht van het Nieuwe Testament voorafschaduwing werden en als zodanig ook werden gelezen, kregen ook de psalmen het karaktér van voorspelling en spiegelschrift; ze werden, als lyrische samenvatting van de hele bijbel en van het christelijk geloof, het hart van de eredienst van de christelijke kerk. En ze zijn dat in ontelbare vertalingen en berijmingen tot vandaag gebleven.
In honderdduizenden snippers zijn ze — in de Latijnse, eens de officiële vertaling van de kerk van Rome — terechtgekomen op ramen en schilderijen, op banderollen van engelen, als teksten op kerkmuren. Als alle poëzie hadden regels uit de psalmen de mogelijkheid tot meervoudige betekenis.
'Lyrische samenvatting van het christelijk geloof is te weinig. De psalmen verwoorden ook, en dat vaak, zeer direct de situatie van de gelovige zelf (en in de traditie werden dat de gelovigen en dus de kerk). En dat van de diepste diepte tot de hoogte van het geluk van de lyrische lofzang, van godverlatenheid tot godverering, vaak binnen de ene psalm. Het is niet moeilijk vele van de psalmen te lezen als verwoording van de 'condition humaine', — de directheid van de taal ervan maakt dat mede mogelijk. Dat heeft ze een leven gegeven boven en buiten de joodse en christelijke traditie. De honderdvijftig psalmen samen zijn een van de rijkste poëziebundels van de wereldliteratuur. En zo is een koning, David, een der grootste dichters; op zijn naam staat een heel groot aantal van de psalmen, die dan ook vaak de 'Harpzangen Davids' heten.
Psalmen hebben altijd mensen geraakt in wisselende omstandigheden van het menselijk bestaan. We weten het in eigen leven ook hoe regels van psalmen heel levens echt vertolken wat er in ons omgaat. Wie niet die van jongsafaan in een psalmenzingende gemeente is opgegroeid?
De vorm van de psalmen is die van het parallellisme: de tweede regel is een echo van de eerste. Dat geeft de teksten een beschouwend karakter: wat gezegd is, kan nog eens 'vermalen' worden in het volgende vers. Natuurlijk werden en worden de psalmen gezongen, maar ze zijn ook in de traditie gemurmeld, herkauwd, woord voor woord geproefd en in contemplatie geslepen als stenen. De man die dat doet, heet 'gelukkig'. Lees het begin van de eerste psalm (de vertaling is van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde):
Gelukkig de man die niet treedt
in het overleg van de bozen,
op de weg van de schenders geen voet zet,
niet zit in de kring van de spotters;
die veeleer in de wet van de Heer zich vermeit,
zijn wet overpeinst dag en nacht
De honderdnegentiende psalm, de langste, kan de theorie en praktijk van de beschouwing in één laten zien; hij is van een superieure eentonigheid; er is maar één onderwerp: de grootheid van de wet én van de beschouwing daarvan. En hij is zelf één grote beschouwing. Die honderdnegentiende had de voorkeur van Pascal, die hem als het ideale beeld van zijn 'Pensees', die verzameling geslepen stenen, moet hebben beschouwd. De vorm van het parallellisme zou tot wijdlopigheid kunnen leiden. Maar de regels zelf van de psalmen zijn uiterst bondig (in de traditie van veel vertalingen, ook de Latijnse, raakten de regels verlengd). Wie ze leest in de beroemde vertaling van Martin Buber, voor mij de schitterendste ooit gemaakt, leest verzen met de beknoptheid en directheid van het expressionisme. De psalmen weiden niet uit, zij stellen direct tegenwoordig. 'God zij geprezen', zeggen wij. 'Alleluja' stond er. 'Godlof vertaalt Ida Gerhardt helemaal in de scherpe geest van de tekst.
Elke poëzielezer zal van de geciteerde regels uit de eerste psalm niet alleen de kracht bewonderen; hij zal er ook het zorgvuldig gebruik van dichterlijke middelen in herkennen: alliteraties en assonanties die bindend werken. De derde en de vijfde regel bijvoorbeeld. Ik citeer de rest van die psalm:
Als een boom is hij, wortelend waar water stroom
die vrucht draagt in het seizoen;
zijn gebladerte zal niet verdorren.
Tot ontplooiing komt al wat hij doet.
Hóe anders de bozen! Zij zijn
als het kaf: de wind blaast het weg.
Zie, geen boze bestaat het gericht,
geen schender de raad der rechtvaardigen.
Want de Heer kent de weg der rechtvaardigen,
doch het pad van de bozen breekt af.
Heel bijzonder, door de prachtige dubbelzinnigheid, is het gebruik van het woord 'ontplooiing'; heel fraai de alliteratie in 'wortelend waar water stroomt'. Die regel is trouwens van een heel hoog poëtisch gehalte. Daar is de gelukkige man die zich over de wet buigt en zijn God en zichzelf daar gespiegeld ziet. Hij leeft van zijn overwegingen. De wet is het water dat stroomt en leven geeft en de lezer is de boom die bij dat water is geworteld en zich daarin gespiegeld ziet. (Natuurlijk zijn de woorden 'geworteld waar water stroomf ook een schitterende omschrijving van lezer en poëzie. Maar is de wet ook niet de puurste poëzie? God heeft zich uitgesproken, en we komen er nooit in uitgelezen.)
Wet is Thora, God onderwijst ons in Zijn wegen en daden, geboden en beloften. De wet pure poëzie te noemen is een gezichtspunt waar je even aan moet wennen of over na moet denken. Wie echter God als Zijn hoogste goed leert kennen, wil toch niet anders meer dan Hem de hoogste lof zingen juist voor Zijn thora?
Prof. Fens is nog niet uitgesproken over de waarde en betekenis van de psalmen, daarom nog een laatste citaat.
Over de herder in de drieëntwintigste psalm wordt gezegd, dat hij mij voert 'naar wateren der rust'. Water is overvloed, geluk, vruchtbaarheid. Droogte is vervloeking, straf, dorst is ellende.
Ze staan vaak als uitersten tegenover elkaar. We lezen poëzie uit een oosters land van hitte en woestijn, van de troost van stromen. We lezen poëzie uit een cultuur van uitersten, ook in de gevoelens, in liefde en haat, in zegening en vervloeking.
De psalmen zijn ook de gedichten van de kinderen van een naijverige God, die geen ander naast zich duldt. Ze kennen ook de overdrijving de oosterling, wellicht vooral de jood, eigen. ('Want mijn ziel is van rampen verzadigd, / aan de grens van het dodenrijk ben ik, '). Juist die overdrijving lijkt in de Latijnse vertaling helemaal verdwenen, in vele berijmingen, waar de westerse vorm om aanvulling en dus uitweiding vraagt, ook. De allermooiste en aangrijpendste zijn de psalmen waarin de 'ik' zich vanuit de diepte naar helderheid tracht toe te bidden, van godsverduistering naar licht. Ze zijn voor de huidige lezers waarschijnlijk ook de modernste, juist door hun soms uitzichtloze 'waarom? '. Vragen om erbarmen van God ('Miserere') gebeurt altijd met een beroep op de overvloed van diens weldaden in het verleden, op zijn beloften ook. God wordt altijd aan zichzelf herinnerd. Dat de 'ik' voor het volk van Israël staat, zal duidelijk zijn, zoals hij in de christelijke traditie dat nieuwe volk van God, de kerk, is. De psalmen laten altijd verruiming toe: van het individu naar een gemeenschap. De stem is ook de stem van velen tegelijk. De lyriek is ook gemeenschapszang.
Toen Augustinus lag te sterven, liet hij op de muur van zijn kamer de teksten bevestigen van de zeven boetpsalmen, teksten zwaar als molenstenen waartussen de ziel zich laat vermorzelen. Hij zal de woorden hebben herkauwd, zoals het hoort. 'Disperdes inimicos meos', las hij tegen het einde van de zevende. En de vijanden waren duivel en dood, maar ook de barbaren die Hippo omsingelden. En in Hippo zijn kerk. 'Ik ben uw dienaar', zijn de laatste woorden. De psalmen maken klein. Ook door hun , literaire grootheid. Wie die niet ziet of die honderdvijftig gedichten in de postchristelijke leegte wenst te gooien, zou misschien een literaire vervloeking verdienen. En dat tot in het derde geslacht!
Bij de Latijnse woorden 'Disperdes inimicos meos' verwijst Fens naar Psalm 143 : 12, waar de Statenvertaling heeft: En roei mijn vijanden uit...' De redactie van het in Nijmegen verschijnend literair tijdschrift Parmentier heeft kennelijk aan Fens' verwensing willen ontkomen door dit voor de liefhebber van eigentijdse poëzie verrassende themanummer naar aanleiding van de psalmen.
Psalmen en muziek
De eeuwen door hebben de psalmen niet alleen dichters en schilders geïnspireerd, maar ook musici. In een bespreking van het themanummer van Parmentier merkt de journalist Willem Kuipers in De Volkskrant van 19 september het volgende op.
Wie bijvoorbeeld heden ten dage Jochen Kowalski en Margaret Marshall het Nisi Dominus (psalm 126, ook wel 127) hoort zingen — zoals te beluisteren op de eerste cd met religieuze muziek van Antonio Vivaldi (1678-1741) — moet wel een hart van steen hebben om niet meteen God zelf te danken voor de goddelijke inspiratie die hij zijn mensenkinderen David en Vivaldi schonk. Zo zijn de psalmen levende kunst gebleven, op zichzelf, maar ook door de vele grote creatieve geesten die zij, hoe de tijden ook veranderden, wisten te blijven bezielen.
Psalmen zijn in bewerkingen, meestal van de hand van Luther, ook in de Duitse Bachkoralen terecht gekomen. Deze psalmbewerkingen van Luther zijn christologische interpretaties van de oorspronkelijke psalmen. Dat valt te lezen in een bijdrage van Ria Borkent in een themanummer over Vertalen van het christelijk literair tijdschrift Woordwerk (jaargang 13 nummer 51, september 1995). Ze werkt mee aan een EO-radioprogramma geheten Een nieuw lied dat dit najaar te beluisteren valt op radio 5, zondagavond 22.00-22.40 uur. Borkent vertaalt de Duitse Bachkoralen voor dit programma.
Naast de psalmbewerkingen zijn in genoemde koralen van Bach ook verhalende teksten van het kerkelijk jaar te beluisteren en vrije gezangen. Hoe ze vertaalt, welk procédé ze daarbij volgt, welke visie achter haar werk ligt, daarover geeft ze interessante informatie.
Ik volg meestal deze lijn: niet al te letterlijk vertalen, wel de taalelementen waarmee de dichter zijn gedachte wilde uitdrukken, in het lied opsporen, om met gebruikmaking hiervan — tastenderwijs, woorden vinden elkaar — tot nieuwe vormgeving te komen.
Bij dat maken, vermaken, verder maken, zoek ik vormen die functioneel zijn en expressief, zodat wij, zingende, met elkaar en met God kunnen omgaan.
Van de prachtige muziek met zijn tot de verbeelding sprekende hoogten en diepten, klankkleur, beweging en rust, gaan zeker ook suggesties uit, waardoor woorden en klanken zich laten nodigen; taal en toon gaan dan samen op reis, uitzwervend en thuiskomend.
Als herdichter sta je voor de vraag: welke taal spreek ik? Taal is een wonderlijk fenomeen dat zich ongemerkt, als een huid, doorlopend vernieuwt, zinswendingen blijken zich in minder dan vijftig jaar te wijzigen, ons levensgevoel en het bijbehorende taalidioom veranderen, zodat een kerklied in de taal van nu vernieuwend is ten opzichte van een lied van een halve eeuw terug. Daarom moeten wij ons thuis omringen met de nieuwste vindingen, in de kerk verder zingen dan Da Costa, want tussen hem en ons ligt een eeuw (!) geschreven kerkmuziek, strofische liederen, gebeden, evangeliemotetten, cantica, kerkelijke gebruiksmuziek die gezongen wil worden. Psalmen willen geen oasen zijn in kerkmuzikale woestijnen, ze willen groei en bloei om zich heen, kinderen, een nageslacht van kerkliederen. De psalmdichters roepen ons bij herhaling toe: zingt de Heere een nieuw lied. Daarin klinkt het 'nieuwe vertrouwd, en het vertrouwde nieuw' (Willem Vogel, geciteerd via Woord op wieken).
Welke taal spreek ik, weet hebbend van de getijdewerking van traditie en vernieuwing, van herkenning en verrassing? Wat doe ik, om iets te noemen, met woorden als Trommen', 'selig', Teufel'? De betekenis van het woord 'vromen' is niet helemaal eenduidig meer in onze tijd. Schrijf je alleen voor de gemeente of wil je ook voor anderen verstaanbaar zijn? Hier zijn de marges smal. Toch vertaalde ik in psalm 14 met 'vrome mensen', om de positieve klank erin. In de Bachkoralen wordt het Lam Gods geprezen, als Een die de zonde der wereld wegneemt, dat heeft mij tijdens het werk aan deze vertalingen goed gedaan. Het zware woord 'zonde' kom je, in tegenstelling tot het woord 'genade', in moderne kerkliederen niet veel meer tegen, zonder dat dit overigens betekent dat de zaak niet aangeduid wordt (in woorden als winter, opstand, dwaas, slavernij). De Duitse dichters gewagen onomwonden van zonde en schuld, en dat kan mijns inziens nog steeds zo genoemd worden, als ook meer hedendaags worden ingekleurd. De grote, ontzagwekkende woorden van de Schrift, als zaligheid, duivel, eeuwigheid, zonde, schrijf ik, omdat het taal van de gemeente is.
'Kerkliederen', zo sluit Ria Borkent haar bijdrage af, 'houden verwachting levend. Want liturgie is hemels werk op aarde'. In oktober komt bij uitg. Kok een bundeltje van 40 Bachkoralen in Nederlandse herdichting uit onder de veelzeggende titel 'Christen ben ik uit gemis'. Dat gemis wordt opgeroepen in het hart 'daar er veel te verwachten is'.
We citeren tenslotte drie coupletten uit 'Werde munter mein Gemüthe' of 'Jezus vreugde van mijn ogen' en wel achtereenvolgens 'Jesu, meiner Seelen Wonne, Wohl mir, dass ich Jesum habe! en Jesus bleibet meine Freude', maar dan in de bewerking van Ria Borkent.
Jezus vreugde van mijn ogen
Jezus vreugde van mijn ogen,
Jezus, helder zonnelicht,
opgewekt en opgetogen
is mijn hart op U gericht
Kom Heer, wees voortaan mijn gast,
want uw glans heeft mij verrast,
sinds uw licht, o Here, viel
in de spiegel van mijn ziel
Heer, Gij klopt met groot verlangen
op de deuren van mijn hart.
En ik wil u graag ontvangen;
spreek mij aan, neem mij apart.
Kom Heer, wees voortaan mijn gast,
Gij die onze voeten wast,
laat ons huis van nu af aan
U ten dienste mogen staan.
Jezus, vreugde van mijn ogen,
Jezus, helder zonnelicht,
tot de aarde neergebogen,
hebt Gij mensen opgericht
Ja, Gij schonk uw levenssap
tot van harte beterschap,
tot een groeiend vergezicht
en een toekomst vol van licht
P.S. Allereerst een rectificatie: de naam van de christelijke gereformeerde predikant uit het gesprek met ds. M. C. Tanis luidt niet ds. W. F. Malan, maar ds. W. F. Laman.
Verder: Nieuwe Psalmen is een speciaal nummer van Parmentier en wordt in de handel gebracht door uitgeverij SUN, ISBN 90-6168-449-8, prijs ƒ 24, 50. Adm. Woordwerk, p/a drukk. Van der Perk B.V., Postbus 62, 2975 ZH Nieuw Lekkerland, tel. 0184-681377/681608.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's