De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Is er ook groei? (8, Slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Is er ook groei? (8, Slot)

11 minuten leestijd

Een aantal weken geleden schreef ik op verzoek van onze eindredacteur een aantal artikelen onder de titel Is er ook groei? ' Op een pastoraal-meditatieve wijze heb ik toen aangegeven wat de groei van het geloofsleven kan bevorderen, maar ook wat het in de weg kan staan! Tijdens het publiceren van deze reeks kwam een aantal vragen binnen, die ik in de artikelen heb kunnen verwerken. Nadat ik in een zevental artikelen dit onderwerp meende afgerond te hebben, werd mij toch nog een aantal vragen van pastorale aard gesteld, waarop ik in dit laatste artikel wil ingaan.

Wellicht dat met de beantwoording van deze vragen meerderen gediend zijn dan alleen zij die mij gebeld of geschreven hebben.

Israël

Een telefoontje uit het noorden van ons land gaf blijk van veel instemming met wat er geschreven was. Dat is altijd prettig om te horen, want daaruit kan men opmaken dat het enige zin heeft wat men aan het papier toevertrouwt.

Toch was onze lezeres niet helemaal tevreden. Na een artikel gelezen te hebben, keek zij steeds uit naar een volgende in de hoop dat zij ook iets over Israël zou lezen. Haar geloof was namelijk gaan groeien, toen zij ontdekte dat de Heere Israël niet had afgeschreven, doch dat Hij nog een aantal rijke beloften voor Israël in petto had.

Nu was haar vraag öf wij toch niet wat meer Israël in het oog moeten houden en met name dan de beloften die voor Israël in de Schrift staan geschreven. Wordt daardoor het geloofsleven niet voller en rijker zoals zij dat zelf heeft beleefd en nog altijd doet?

Graag wil ik op haar vraag ingaan, omdat inderdaad Israël met de groei van het geloof te maken heeft en dit te weinig onder de aandacht komt.

Weinig aandacht

Hoe komt het dat Israël — in het algemeen gesproken — weinig aandacht heeft onder ons? Zou dit wellicht een oorzaak kunnen zijn omdat het zogenaamde 'vervangingsmodel' toch diepere wortels onder ons heeft dan wij willen weten?

Voor de lezers, die niet weten wat wij onder het 'vervangingsmodel' verstaan, schrijf ik dat de kerk zich ziet als in de plaats van Israël.

Israël zelf zou zijn afgeschreven. Met de komst van Christus of na de uitstorting van de Heilige Geest zou de kerk het 'geestelijk Israël' zijn.

Echter... dat de kerk de plaats van Israël zou hebben ingenomen kan men nergens in de Schrift lezen. Of men moet de Schrift verkeerd lezen. Wanneer men — om een voorbeeld te noemen — Romeinen 9-11 alleen maar laat slaan op de kerk, dus eigenlijk die hoofdstukken vergeestelijkt, kan men inderdaad tot de gedachte komen: de kerk in plaats van Israël. Maar dan doet men de exegese (de verklaring) van die hoofdstukken geen recht, alsmede dat men óók geen recht doet aan Israël.

Israël moeten wij Israël laten. En als wij over Israël spreken, kan het niet anders dan met bescheidenheid en respect zijn. Al was het alleen al vanwege het feit dat het heil (de zaligheid) is uit de joden, hoewel er nog wel veel meer te noemen zou zijn met name als wij denken aan de contemporaine geschiedenis.

Uit het bovenstaande zal men min of meer kunnen opmaken, dat ik pleit voor aandacht voor Israël, zoals ons dit ook in de Schrift wordt voorgehouden.

Nadere Reformatie

't Is mij opgevallen dat de Nadere Reformatie veel aandacht heeft gehad voor Israël. Hoewel de beweging nadruk legde op het hart èn de heiliging van het leven, heeft zij Israël toch niet uit het oog verloren.

Zonder anderen van deze beweging tekort te doen, wil ik toch een ogenblik aandacht vragen voor Wilhelmus a Brakel. In navolging van Voetius was hij er diep van overtuigd dat Gods Verbond met Israël, ondanks alle zonden en ontrouw van het volk, niet verbroken is. Brakel verwacht zowel de bekering van de joden als hun terugkeer naar het beloofde land. Die verwachting heeft hij na een aantal profetieën daarover in de Schrift gelezen te hebben.

Ook moet opgemerkt worden dat Brakel geen geborneerd (bekrompen) mens is geweest. Ook in het jodendom van zijn tijd ziet hij dingen, die niet negatief geduid mogen worden. Hij wijst dan onder andere op de besnijdenis, die nog altijd wordt aangehouden, de feestdagen die worden gevierd en het zich wachten voor afgoderij. Op een milde manier spreekt hij over dit alles, hoewel hij stellig van mening is dat er ook voor Israël slechts één weg is om behouden te worden. En dan bedoelt hij niemand anders dan Jezus, die van zichzelf heeft gezegd: Ik ben de weg! In z'n 'Redelijke Godsdienst' laat hij duidelijk lezen geen twee wegen voor te staan: één voor Israël en één voor de christenen. Neen, voor beiden is er één weg: Jezus, Jezus alleen.

Wat zeker is: Brakel heeft Israël niet afgeschreven. Hij gelooft in een heilvolle toekomst voor Israël. Daarom kan het niet anders of een christen zal ziende op de heilvolle toekomst voor Israël werkzaam zijn 'in het oeffenen van verscheydene plichten'.

Nu voert het mij te ver om al die plichten, die Brakel op het oog heeft, op te sommen. Slechts één wil ik er noemen. Hij wijst op de onveranderlijkheid van Gods Verbond met Abraham en zijn zaad. De belofte door God aan Israël gedaan wordt nooit verbroken, ook al is Israels zonde van ongeloof nog zo groot. Vanwege de onveranderlijkheid van het Verbond met Israël mogen de christenen — zo schrijft Brakel — God daarin verheerlijken en zó worden zij daarin zelf versterkt in het geloof. Dit laatste wil zeggen dat er groei is in het geloof.

Leren

Wij kunnen nog wel het een en ander leren van Israël waardoor het geloofsleven niet alleen versterkt wordt, doch ook rijker van inhoud.

Ik denk zo aan de gerechtigheid van het geloof. Wij zien dit doorgaans als een geschonken gerechtigheid. Let wel: die gerechtigheid kan niemand missen. Want die gerechtigheid is Christus, de Heere onzer gerechtigheid. Of zoals Mac Cheyne dat heeft gezegd: 'Nu weet ik die waarheid, zo diep als gewis, dat Christus alleen mijn ge­rechtigheid is'.

Met een geschonken gerechtigheid, verworven door Christus op het vloekhout, kunnen wij voor God bestaan!

Maar let wel: de geschonken gerechtigheid is niet een zaak, die alleen in het hart wordt gevonden. Zij heeft — om het zo uit te drukken — een innerlijke en een uiterlijke zijde. Dit laatste noemen wij het daadkarakter. Gerechtigheid wil gedaan worden. Gerechtigheid in 't klein, gerechtigheid in 't groot. Men leest de profeten er maar op na. Hoezeer hebben zij gepleit voor het daadkarakter. Micha horen wij zeggen: Hij heeft u bekend gemaakt o mens! wat goed is; en wat eist de Heere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen met uw God? ' (Micha 6 : 8).

Afrondend schrijf ik: ons gebed voor Israël om de vervulling van de beloften. Gods sterkt het geloof. Dat het geloofsleven verdiept wordt als wij Gods gangen met Israël zien is wel zeker. Naast de Evangelieverkondiging tot aan de einden der aarde, zal aandacht voor Israël van belang zijn.

Evangelisatie

Een tweede vraag, die mij naar aanleiding van de artikelen werd gevraagd, was van geheel andere aard. Ik pleitte ervoor dat het evangelisatiewerk niet zozeer werd uitbesteed aan een commissie — hoe goed het ook is dat het gestructureerd gebeurt —, doch dat een ieder van de gemeente zijn taak zou verstaan om op de plaats waar God hem of haar gezet heeft het evangelie door te geven.

De vraag luidt: kan iemand, die de Heere in een waarachtig geloof niet kent, wel evangeliseren? Met andere woorden: valt er wel wat door te geven als men met het hart (bevindelijk) niet weet van de enige troost in het leven en in het sterven?

Bij deze vraag kwam nog een andere vraag. De tweede vraag luidt: 'Is het wel juist om het evangelie door te geven aan mensen die nergens vanaf weten, terwijl de eigen gemeente wordt verwaarloosd? ' Volgens de vragensteller zou Lloyd Jones gezegd hebben dat men beter eerst aandacht kan hebben voor de eigen gemeente, om er dan pas op uit te gaan. 't Moet gezegd worden dat dit een krasse uitspraak is van Lloyd Jones. Waar de vragensteller dit gelezen heeft, is mij onbekend, wel las ik een andere krasse uitspraak van hem. Hij schrijft: 'Christenen moeten zich daarom — en dat is een toetsing voor de christen — veel meer verbonden voelen met een christen uit een willekeurig land onder de zon dan met welke niet-christen ook uit hun eigen land'. (Geestelijke groei, pag. 71).

Op beide vragen zoals die gesteld zijn wü ik kort ingaan.

Aandacht voor de gemeente

Het staat voor mij als een paal boven water, dat men in de gemeente aandacht voor elkaar zal hebben. Daarmee bedoel ik niet een aandacht die grenst aan een ziekelijke nieuwsgierigheid. Onder aandacht versta ik Bijbelse aandacht. Dat wil zeggen dat men zorg heeft voor elkaar. Zorg in de breedste zin van het woord. Het gaat in die zorg om de gehele mens. Dus niet alleen zorg voor zijn geestelijk welzijn, maar ook voor die voor het lichaam, voor de tijd.

Een gemeenschap waarin die zorg voor elkaar, dat warme Bijbelse meeleven met elkaar, ontbreekt, is geen gemeenschap meer zoals de Schrift die ons voorhoudt.

Een Bijbelse gemeenschap bestaat niet uit een stelletje individualisten. Hoewel het geloof een persoonlijke zaak is, bindt het geloof toch aan elkaar. Van Groenewegen dichtte: 'Zoete banden die mij binden aan het lieve volk van God'.

Hoe men verder over dit rijmpje mag denken, maar Van Groenewegen heeft wel feilloos aangevoeld dat er een band onder Gods kinderen in, hoe verschillend wij van aard en karakter mogen zijn. Er ontstaat zelfs een hechte gemeenschap onder elkaar, omdat de geloofsinhoud van allen Christus is, Christus alleen. Gemeenschap met Hem, geeft gemeenschap aan en met elkaar.

Als nu onze vragensteller zegt dat er doorgaans maar weinig van die zorg voor elkaar in de gemeente wordt gevonden, noopt dat de gemeente tot onderzoek óf zij werkelijk een gemeenschap is, verbonden door het geloof aan de ene en dezelfde Christus. Van de gemeenschap, de onderlinge gemeenschap die er ontstond na Pinksteren, lezen wij: Ziet, hoe lief zij elkaar hebben. Er was zorg voor elkaar en zorg voor het geheel. En als Lloyd Jones zegt eerst aandacht voor de gemeente, zeg ik hem dit na. Alleen voeg ik er wel aan toe, dat aandacht voor de gemeente èn het uitdragen van het Evangelie onder hen die van de dienst des Heeren vervreemd zijn, geen tegenstelling is, maar dat het één er móet zijn en het ander niet nagelaten móet worden.

Met of zonder kennis

De vraagsteller is van mening dat zeer zeker in onze context het getuigen van de ene Naam niet nagelaten mag worden. Hijzelf voelt ook wel aan dat hij getuige van de grote werken Gods moet zijn, maar hij vraagt zich af of hij dit wel kan, want hij durft niet te zeggen dat hij een levende (bevindelijke geloofs-)kennis bezit.

Wat hierop te antwoorden? Ik ben al blij dat onze lezer ervan overtuigd is, dat een ieder geroepen wordt in woord en daad getuige van de Heere te zijn.

Alleen is wel de vraag of men een getuige kan zijn zonder dat Christus één en al voor ons is geworden.

Men kan — naar ik meen — getuige zijn zonder een levende kennis. Men geeft dan weliswaar de boodschap door zoals een postbode te werk gaat (W. Kremer). Een postbode werpt de brieven in de bus, maar hij weet niet wat erin staat. Nu behoeft hij dit niet te weten, want die brieven zijn niet voor hem bestemd.

Als een postbode heeft een Bileam gewerkt, maar ook een Demas. Zij vernamen de boodschap en zij gaven de boodschap door, maar zij hadden er zelf geen deel aan. Verschrikkelijk!

Nu zeg ik niet dat de Heere van zo'n boodschapper geen gebruik kan maken. Hij heeft het van Bileam en Demas wel gedaan. Toch moeten wij er goed voor uitkijken dat wij niet als een Bileam worden gebruikt. Bij het doorgeven van de boodschap gaat het erom dat wij óók zelf deel hebben daaraan, 't Geeft doorgaans zoveel meer warmte aan de boodschap als wij zelf daarin mogen delen. Ook de gunning wordt zo aangetroffen als men zelf mag weten, hoe de Heere 'van zoverre' is gekomen om het ons aan te zeggen: 'Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met koorden van goedertierenheid'.

Intussen blijf ik er wel bij dat evangeliseren een taak is van de gehele gemeente. Wie evenals onze lezer zich afvraagt of men wel kan getuigen zonder die levende band aan de Heere, moge geen 'rust voor het hol van zijn voet' hebben alvorens men weet in Christus geborgen te zijn. De belofte is: 'Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Is er ook groei? (8, Slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's