De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Het laatste nummer van Kerk en theologie (uitgave Boekencentrum Zoetermeer) is geheel gewijd aan de plaats van de klassieke talen (Hebreeuws, Grieks en Latijn) in het theologisch hoger onderwijs. Uit dit lezenswaardige nummer volgen hier enkele fragmenten.

Uit het Ten geleide van dr. A. A. Spijkerboer:

'Luther moet eens gezegd hebben: wie Hebreeuw leest drinkt uit de bron, wie Grieks leest drinkt uit de waterleiding en wie Latijn leest drinkt uit de plassen op de grond. Van een taalvirtuoos als Luther kun je wel geloven dat hij in het Hebreeuws, Grieks en Latijn kon wonen en dat dat voor hem van groot belang was bij het verstaan van de Schrift en de traditie. Maar wat moet je als gewoon predikant, die geen taalvirtuoos is en die zondag aan zondag de kansel opgaat om de boodschap van de bijbel naar de gemeente toe te brengen, en dat dan hopelijk met de steun van de traditie in de rug?

(...) En altijd wanneer ik bij collega's kerkte ben zo vrij geweest te denken: je hebt je Hebreeuwse/Griekse bijbel opengehad, of: dat heb je niet! Verificatie is dan een beetje vervelend voor de betrokken collega, maar ik vroeg het me wel altijd af en meende het antwoord te weten. Met Luther begonnen - met Luther geëindigd: "Ik Maarten Luther, ben noch met het Hebreeuws, noch met het Grieks klaar; toch durf ik het wel te zeggen een Hebreeër en een Griek op te nemen. Want de talen alleen maken nog niet iemand tot theoloog - ze zijn een hulp om theoloog te worden".'

Dr. E. P. Meijering over 'Kennis van het Latijn':

'We ontkennen (...) niet de mogelijkheid om ook zonder ooit kennis van de drie grondtalen, zeker zonder kennis van het Latijn te hebben gehad, een gemeente als predikant te dienen. Maar ook voor de praktijk biedt het voordelen, wanneer die kennis er wel is of er althans is geweest, zodat men zelfstandig van de klassieke werken in de theologie kennis heeft genomen. De band tussen de universiteit en de kerk wordt verbroken, als alleen nog maar een klein aantal academisch gevormde predikanten in de kerk werkzaam is, die door sommige als gunstige uitzonderingen en misschien wel door nog meer mensen als ongunstige uitzonderingen worden beschouwd. De neiging zal onder die predikanten groot zijn om de kerkelijke baan zo gauw mogelijk voor een universitaire te verruilen. De theologische faculteiten worden in dat geval tot instituten van godsdienstwetenschap, die waarschijnlijk wegens gebrek aan belangstelling spoedig op grote schaal zullen moeten fuseren om niet te verdwijnen. Daarmee zouden de bronnen voor geestelijke en intellectuele voeding voor de predikanten weldra opdrogen.'

Dr. W. J. van Asselt over 'Bestudering van het Hebreeuws':

'In het begin van de zeventiende eeuw waren er het grondgebied van de Republiek volgens schattingen niet meer dan 1100 dienstdoende predikanten, waarvan een derde deel in de provincie Holland. Daartoe behoorden academisch gevormde predikanten maar ook gewezen priesters, monniken, seminaristen en de "idiotai" of "Duitse klerken", zo genoemd omdat zij de kennis van ande talen dan het Nederlands misten. In 1586 en 1605 besloot de synode van Leeuwarden, naar het voorschrift van de synode van Dordrecht in 1578, niemand tot het ambt van predikant toe te laten dan na een "consciëntieus, sorgvuldigh ende getrou Examen". Over kennis van de grondtalen werd echter niet gesproken. Aan het einde van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw was het dus zeer wel mogelijk toegang tot de kansel te verkrijgen zonder enige kennis der grondtalen. In het Cort Vertoogh gaf (Sixtianus ab) Amama (1593-1629) de situatie kernachtig weer:

"De professien van beyde Talen alhier opgherecht zijnde, ende bane om dese Talen te loeren, door het sweedt ende Schriften van so vele geleerde lieden, zijnde so effen ghemaeckt, dat men ghemackelijck min als 3. Maenden so vele leeren can, als in een Dienaer tamelijck van noden is, vindt men onder de 30. Studenten nauwelijcks eene, die sich hier aen laet gheleghen zijn".'

'Deze houding had volgens Amama--ook grote maatschappelijke consequenties. In zijn De barbarie oratio van 22 september 1626 schetste hij een beeld van de historische ontwikkeling van de barbarij in zeven opeenvolgende fasen van de geschiedenis sinds de tijd van Christus. De barbarij bereikte een dieptepunt in de middeleeuwen, toen de kennis der heilige talen bijna verdwenen was. De opvattingen van de hervormers maakten een einde aan deze duisternis. Langzamerhand was echter de zon van de kennis der talen in de eeuw na de reformatie wederom verduisterd. Aan het slot van deze oratie ging Amama in op het zedelijk verval aan de Franeker academie. Door onmiddellijk daarachter twee eerder gehouden oraties over de ­barbarij der zeden en over dronkenschap te plaatsen gaf hij in zijn Anti-Barbarus uitdrukkelijk aan een verband te zien tussen de verwaarlozing der talenstudie en het zedelijk gedrag van de studenten.

Ook Coccejus hamerde tijdens zijn hoogleraarschap te Franeker voortdurend op dit thema. In een preek, die hij in maart 1643 voor studenten hield naar aanleiding van het uitbreken van rellen waarbij een dode gevallen was, wees hij op het bedenkelijk niveau van het studentengedrag. De theologiestudent las zelden de bijbel en leefde zich uit in de studentenverenigingen (nationes) waar het vaak ­door de drank een beestenbende was. De studenten en ook sommige hoogleraren kenden geen geestelijk leven. Daardoor broeide er aan de academies een kwaad dat zich via deze studenten over de hele samenleving zou uitbreiden.'

Uit hetzelfde nummer van Kerk en theologie citeren we uit de Kroniek van prof. dr. J. A. B. Jongeneel over 'rapportcijfers voor docenten en hoogleraren in de godgeleerdheid':

'In mei 1995 is het rapport Theological research in en Dutch universities (1989-1993) verschenen, dat op instigatie van de Vereniging van Samenwerkend Nederlandse Universiteiten (VSNU) geschreven en­ in de reeks Quality Assessment of Research uitgegeven is.

­Dit rapport, geschreven door een internationale commissie, is het tweede evaluatierapport van het godgeleerd onderzoek in ons land. Het biedt een gedegen evaluatie van 56 onderzoeksprogramma's  in 11 theologische faculteiten, universiteiten en instituten (die van Apeldoorn en Kampen II zijn buiten beschouwing gelaten). Terwijl Leiden bij de eerste evaluatie als de beste uit de bus kwam, voert nu Groningen de lijst aan. Na Groningen volgen Leiden en Utrecht, zij het na het Interuniversitair instituut voor Missiologie en Oecumenica (IIMO) te Utrecht, dat op de tweede plaats komt.

­De uitgedeelde cijfers zijn 2 (onvoldoende), 3 (voldoende), 4 (goed) en 5 (excellent). Elk programma heeft 4 cijfers gekregen, namelijk elk één cijfer voor kwaliteit, voor produktiviteit, voor relevantie en voor levensvatbaarheid. Echte onvoldoendes zijn slechts ­ aan bepaalde programma's in Nijmegen en Tilburg gegeven. De meeste programma's krijgen een voldoende of zijn goed. Excellent onderzoek is er volgens de commissie alleen in de drie rijksuniversiteiten.'

­ 'Het is uitermate goed, dat er rapportcijfers word uitgedeeld aan docenten en hoogleraren in de godgeleerdheid. Het is ook goed dat dit in alle openbaarheid geschiedt. In het geheel van het door de overheid betaalde universitaire onderzoek kan de godgeleerheid geen "status aparte" claimen, in die zin dat er bij haar geen externe evaluatie en beoordeling zou moeten plaatsvinden. Tegelijkertijd dient de godgeleerdheid als discipline - wellicht meer dan enige andere discipline - ervoor te zorgen dat haar onderzoek niet gedaan wordt om het onderzoek zelf - hoge cijfers als doel in zichzelf (vgl. het bekende gezegde l'art pour l'art) - maar om (de religieuze) mens en (de kerk in de) maatschappij . "Commitment" is en blijft mijns inziens een noodzakelijk vereiste voor het (kunnen) doen van relevant ­ onderzoek, doch lang niet iedereen in de theologische universiteiten, faculteiten en instituten van ons land is deze mening toegedaan. Zoals wijlen­ prof dr J. Gonda (Utrecht) een internationaal erkend expert op het terrein van het hindoeïsme was zonder ooit in India geweest te zijn, zo beoefent menig collega van mij nu godgeleerdheid zonder 'enige persoonlijke binding met godsdienstig leven.'

De laatste zin stemt wel zeer tot nadenken. Ooit schreef L. Penning boeken over Zuid-Afrika zonder er geweest te zijn. Kan een theoloog theologie be­oefenen zonder 'er' geweest te zijn?

­

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's