De hervormde beheerskwestie in onminne geschikt
Wanneer men van overtuiging is, dat kerkelijke geschillen niet voor de wereldlijke rechter moeten worden beslist, kan er nauwelijks vreugde zijn om de uitspraak, die de rechter in een aangespannen geding doet. Wanneer de kerk op de weg van de burgerlijke rechter komt, valt de uitslag immers nu eens tot genoegen van de klager en dan weer van de aangeklaagde uit. De rechter heeft uitgesproken, dat de hervormde kerkvoogdijen, die een proces aanspanden tegen de Nederlandse Hervormde Kerk, zich moeten schikken in het synodebesluit van 1992, waarin werd bepaald, dat de kerkvoogdijen met vrij beheer of oud toezicht zich moeten voegen onder de bepalingen van de kerkorde van 1951. Het besluit in deze was rechtmatig. Het zou echter een slechte zaak zijn wanneer 'de kerk', ingevolge deze uitspraak triomfantelijk zou gaan doen en bijvoorbeeld echt uitvoering zou gaan geven aan haar voornemen om kerkvoogdijen, die niet in de synodebeslissing bewilligden, met dwang in het gelid te brengen door middel van het aanstellen van gedelegeerde kerkvoogden van buiten. Men kan beter het gesprek aangaan.
Anderzijds mag worden gehoopt, dat de klagers, nu ze de weg van het wereldlijk recht meenden te moeten zoeken, zich ook conformeren aan de uitspraak en niet nog meer geld van de gemeente uittrekken voor een vervolg op dit tonnen verslindende proces.
Derde keer
Het is de derde keer in deze eeuw, dat hervormden hun kerk voor de rechtbank brengen. In de vooroorlogse jaren spande een 'Vereniging van Protesterende Kerkvoogdijen' een proces aan wegens het Reglement op de Predikantstractementen. Het proces werd verloren. Gemeenten, die niet bijdroegen aan de kas voor de predikantstractementen hebben soms jaren niet kunnen beroepen.
Toen de kerkorde van 1951 werd aangenomen, spanden predikanten en anderen, van de Gereformeerde Bond tot de links vrijzinnige Zwinglibond, een proces aan vanwege invoering van de kerkorde. Onder de klagers bevond zich ook prof. dr. J. Severijn, de toenmalige voorzitter van de Gereformeerde Bond, die zelf een werkzaam aandeel had gehad in de aan de kerkorde voorafgaande werkorde. Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond heeft die stap van zijn voorzitter nooit kunnen begrijpen en volgde hem op die weg ook niet. Ook dat proces werd intussen door de klagers verloren. En nu was er dan het proces van kerkvoogdijen, eveneens uit de volle breedte van de Hervormde Kerk, weliswaar voor het grootste deel uit hervorrhd gereformeerde kring, maar ook nu tot links vrijzinnig toe. Voor de derde keer werd een proces door de klagers verloren. Daar valt lering uit te trekken.
De zaak
In 1951 werd het principebesluit genomen, dat het kerkvoogdelijke beheer in de Nederlandse Hervormde Kerk onder de kerkordelijke bepalingen zou komen. Kerkvoogden werden ouderling-kerkvoogden. Omdat echter werd beseft, dat de zaak historisch gevoelig lag, werd een overgangsperiode ingebouwd, zodat niet direct alle kerkvoogdijen tot 'aanpassing' gedwongen werden. De praktijk was dat in veel gemeenten kerkvoogdijen met 'vrij beheer' of met 'oud toezicht' bleven bestaan. De kerkorde voorzag daarin met overgangsbepalingen. In 1990 waren van de ongeveer 1400 centrale kerkvoogdijen er ongeveer nog 550 niet aangepast. Pas veertig jaar na de invoering van de nieuwe' kerkorde besloot de Hervormde Kerk tot een uniforme regeling. Met ingang van 1 januari 1996 zouden alle kerkvoogdijen aangepast moeten zijn. Er werd een periode van vier jaar genomen, om de gemeenten in de gelegenheid te stellen op harmonische wijze uitvoering te geven aan het besluit. Bovendien werd, in afwijking van de bepalingen van 1951, besloten, dat een derde deel van de kerkvoogdij uit niet-ambtsdragers mocht bestaan. Dit om tegemoet te komen aan gemeenten, waar niet elke kerkvoogd ambtsdrager zou willen worden, soms ook vanwege avondmaalsschroom.
Positiebepaling
Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond nam in de tijd, voorafgaand aan de synodale beslissing, actief deel aan de discussies binnen de kerk. Tijdens een druk bezochte vergadering van ambtsdragers en kerkvoogden heeft het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in Barneveld (1990) van zijn beleid in deze verantwoording gegeven. Uitgangspunt was, dat ook het beheer een geestelijke aangelegenheid is en daarom, evenals alle zaken in de gemeente, niet los mag staan van de kerkeraad. Hoewel vele kerkvoogdijen in hervormd gereformeerde gemeenten al aangepast waren en andere gingen aanpassen, werd niet ieder overtuigd. Uitgesproken werd soms, dat beheer van kerkelijke gelden en goederen een louter stoffelijke aangelegenheid is. De Vereniging van Kerkvoogdij in de Nederlandse Hervormde Kerk, waarbij 98 procent van de kerkvoogdijen is aangesloten, sprak zich eveneens uit vóór aanpassing.
Het al genoemde feit, dat niet iedere kerkvoogd ambtsdrager behoefde te worden, werd door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond als positief aangemerkt. En bovendien waren ouderling-kerkvoogden gerechtigd (hoewel niet verplicht) om alle ambtelijke handelingen, behorend bij het ouderlingschap, te verrichten. Ze mogen het kerkeraadsgebed doen, de predikant 'opbrengen', huisbezoek doen, wanneer ze daarvoor overigens nog tijd hebben. Als zodanig ligt de structuur van het beheer (ingebed binnen de kerkeraad) aanmerkelijk dichter bij het gereformeerd kerkrecht dan de vrije kerkvoogdij.
Men zou eigenlijk de naam ouderlingkerkvoogd moeten afschaffen. Het '(be)voogdelijke' is toch vandaag wel uit de tijd. Er is dan gewoon, zoals in andere kerken van gereformeerde signatuur, sprake van ambtsdragers met een beheersopdracht. De hele discussie over de vraag of de ouderling-kerkvoogd wel bijbels te funderen is, is dan achterhaald. Een deel van de kerkeraad vormt gewoon het beheerscollege.
Pijnlijk
Het moet intussen pijnlijk heten, dat in het Reformatorisch Dagblad van 30 november 1.1. ds. G. Boer, van 1966 tot 1969 voorzitter van de Gereformeerde Bond, werd uitgespeeld tegenover het huidige hoofdbestuur inzake de visie op de gang naar de wereldlijke rechter. Ds. Boer vond in zijn tijd de gang naar de wereldlijke rechter gewettigd. Opvoering van een citaat uit de Waarheidsvriend van 1968 van ds. G. Boer in het huidige geding geschiedde volstrekt ongeargumenteerd.
Me dunkt dat over zaken als deze, die niet het belijden der kerk raken, in verschillende tijden verschillend mag worden geoordeeld. Het nageslacht zal ook over onze positiekeuzen (mogen) oordelen. Ik noemde bovendien al het feit, dat ook prof. dr. J. Severijn zich op de weg van de wereldlijke rechter begaf, terwijl zo'n stap niet alom werd toegejuicht.
Men kan echter ook niet zomaar redeneringen van dertig jaar geleden toepassen op vandaag. Samen op Weg bijvoorbeeld was nog niet aan de orde. Maar ook in het burgerlijk recht ten aanzien van de kerk hebben de ontwikkelingen niet stil gestaan. In het blad 'Zicht', jongerenorgaan van de Staatkundig Gereformeerde Partij, heeft mr. dr. T. J. van den Berg in een lezenswaardig artikel gewaarschuwd voor het feit, dat stichtingen en instellingen los van of buiten de kerk, niet de rechtsbescherming (meer) zullen genieten, die de kerk als zodanig heeft. Hij zei dit met het oog op de Wet Gelijke Behandeling. De kerk is in deze binnen haar muren autonoom. Dat geldt niet voor stichtingen buiten de kerk. Dat zou kunnen betekenen, dat kwesties inzake de kerkvoogdij, die, wanneer vrij beheer gehandhaafd wordt, buiten de kerk blijft, wel eens heel onaangenaam kunnen uitvallen als ze voor de rechter worden gebracht.
Samen op Weg
Door de klagende kerkvoogdijen is herhaaldelijk ook Samen op Weg opgevoerd als argument om buiten de kerkorde en zo buiten de kerk te blijven. Ik herhaal in deze wat ik eerder schreef: de kwestie van de aanpassing is vooral een binnenkerkelijke hervormde aangelegenheid. Dat intussen vandaag alles met Samen op Weg in verband kan worden gebracht, is zonneklaar. Dat geldt de zending, het diaconaat, de predikantenopleiding, de kwestie van de quota. Het beheer vormt daarop, wanneer Samen op Weg mocht doorgaan, geen uitzondering. Maar juist in het geding om Samen op Weg is, naar onze overtuiging. tweeëenheid van bestuur en beheer noodzakelijk. De strijd in (tegen) Samen op Weg wordt binnen de Hervormde Kerk gevoerd. Naar onze overtuiging dienen kerkvoogdijen in dat geding juist binnen te kerk te staan, om ook binnen de kerk samen te kunnen optrekken. Wat valt te bereiken met een kleine minderheid van kerkvoogdijen, die 'zelfstandig' blijven? En dat terwijl in de onderhavige kwestie in diverse gemeenten de kerkeraad en de kerkvoogdij niet op één stoel zaten. En wat moeten we ervan denken wanneer de kerk zelf inzake SOW in de toekomst de burgerlijke rechter zou inschakelen?
Onmin
Helaas is de kerkvoogdijkwestie niet in der minne maar in onmin geschikt. We kunnen, zeiden we al, niet blij zijn met een uitspraak van de burgerlijke rechter in deze. De rechter heeft een knoop doorgehakt. Daarom is wèl door de klagende kerkvoogdijen gevraagd. Het gesprek moet in allerlei gemeenten echter nog beginnen om samen een begaanbare weg te vinden. Wat ons betreft is de burgerlijke rechter daarin verder buiten beeld. Wanneer beheer een geestelijke aangelegenheid is, vraagt de kwestie van aanpassing ook om geestelijk overleg tiissen kerkeraad en kerkvoogdij. Tot welzijn van de gemeente. Dwang van de synode is hierbij niet de geëigende weg.
(Dit artikel werd, op verzoek van de redactie van het Reformatorisch Dagblad, geschreven voor de opiniepagina van het RD en wordt vandaag gelijktijdig met deze bijdrage, in het RD geplaatst.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1995
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1995
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's