Het duister zwicht
Een dichter sterft
'Midden in de winternacht ging de hemel open.' Met deze woorden begint een kerstlied dat vooral bij kinderen zeer geliefd is. In de koude en duisternis van onze zondige wereld verscheen, van Godswege, het Licht.
Midden in de winternacht... Midden in de zomer van dit jaar - op 16 augustus - stierf prof. dr. W. J. Schulte Nordholt, geleerde en dichter. Ds. J. M. Maasland schonk eind augustus in ons blad - in de rubriek 'Uit de Pers' - reeds aandacht aan dit overlijden. In dit artikel rond kerst wil ik mij richten op de poëzie van deze protestantschristelijke dichter.
Leven en werk
Jan Willem Schulte Nordholt werd in 1920 in Zwolle geboren. Na het lyceum ging hij geschiedenis studeren. Hij ontwikkelde zich tot een groot kenner van de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika. Eerst was hij leraar bij het voortgezet onderwijs, daarna werd hij lector aan de Rijksuniversiteit te Leiden en vervolgens hoogleraar. Vele wetenschappelijke publicaties heeft hij op zijn naam staan.
Het gaat hier echter om de dichter Schulte Nordholt. De eerste gedichten die hij uitgaf ontstonden in een benauwde en beklemmende tijd: in de Tweede Wereldoorlog, toen hij in de gevangenis van Scheveningen zat. Die gedichten verschenen in de oorlogsjaren als illegale uitgave onder de titel Het bloeiend steen. Zelf heeft hij eens gezegd: 'Er moeten dingen gebeuren voordat ik schrijf, kleine rampen of zaligheden.' De oorlogsgebeurtenissen, zoals hij die persoonlijk moest meemaken - na Scheveningen volgden andere gevangenissen en zware kampen in Duitsland - vormden zo'n ramp, geen kleine maar een hele grote. Het schrijven van die oorlogsgedichten deed hem ontstijgen 'aan de barre werkelijkheid'. Ook in zijn bundel Verzamelde gedichten, een uitgebreide bloemlezing uit zijn diverse naoorlogse dichtbundels die in 1989 verscheen, treffen we diverse verzen aan die terugwijzen naar die duistere oorlogstijd. Zo bijvoorbeeld 'Bevrijding', waarvan de eerste zeven regels luiden:
De avond dat ik de geluiden hoor,
wanneer de stilte weer is dichtgeslagen,
een auto in de laan, een vogel voor
het venster zingend en zijn lied gaat door,
verwijdt het landschap zich, leef ik de dagen
van het verleden weer, schoten weerklinken,
er rijden treinen door het regenlicht.
Dood, twijfel en wanhoop
Schulte Nordholt toont zich in zijn gedichten vaak een wanhopige zoeker. Een zoeker naar houvast. Een zoeker, hoe tegendraads soms ook, naar God. Zo in 'Existentie', waarvan ik de eerste en laatste strofe citeer:
Hier loopt het ik, het loopt zichzelf te vinden,
het ziet verbaasd de regen en het gras.
Het denkt: wat loop ik hier zo in den blinde,
wie laat dit hart slaan, wie bepaalt de pas?
Het luistert naar het stromen van de winden.
Hier loopt het vreemde ik, het richt zijn voeten
naar waar, naar waar? Het kent de wegen niet.
Alleen: het is! Het wil de aarde groeten
met een herkennend nieuw en oeroud lied.
Hier loopt het ik en het wil God ontmoeten.
Een gedicht heeft de veelzeggende titel 'Thomas' en in de slotregels van het gedicht 'Blumhardt' (vader en zoon Blumhardt zijn bekend geworden door de 19eeeuwse opwekkingsbeweging in het Duitse Möttlingen) lezen we:
God, wat hebt Gij gedaan met zulk een hart,
dat zozeer heimwee was en grote dromen?
- Het ligt nu stil te wachten in de grond.
En wat doet Gij met ons, die in een zwart getij
U om uw laatste wederkeren
roepen met een vertwijfelde mond?
Schulte Nordholt kon intens genieten van de schoonheid in de schepping, het landschap, de weiden en de bossen, de rivieren, de heide en de heuvels, de blauwe of grijze lucht, wolken, wind en water. Maar ondanks dit alles, ondanks Gods schone schepping is het zo vaak lopen 'in den blinde' ('Existentie'), verkeren in een 'zwart getij'. Want juist ook de natuur laat zien dat alle leven vergaat. De dood heerst. Onontkoombaar. In een van zijn gedichten verwoordt hij dat meesterlijk: 'Dodelijk is ons bestaan'.
Voor de zoeker Schulte Nordholt was dichten een steun, in de oorlogsjaren en daarna!
Ik ben de stem die uit de gouden strot
van het gedicht wanhopig roept om God.
Dichten kon hem doen ontstijgen aan twijfel en wanhoop:
Maar alleen maar mijn zingen geeft
mij de zekerheid dat Hij er is.
De diepste betekenis van poëzie en dichten is, aldus de dichter, een vorm van opzien.
In de traditie der eeuwen
Als dichter kreeg Schulte Nordholt vooral bekendheid door zijn medewerking aan de Nieuwe Psalmberijming en het Liedboek voor de kerken. Hij zag zichzelf staan in de traditie der eeuwen. Zijn kennis van de ons overgeleverde liederenschat was groot: Griekse, Latijnse en middeleeuwse hymnen, reformatorische liederen uit de 16e en 17e eeuw, Engelse en Duitse piëtistische liederen uit de 18e en 19e eeuw. De vroomheid en de bijbeltaal die hij daarin aantrof, vervulden hem met verwondering. Ook daarin vond hij steun en houvast, temidden van een wereld vol vergankelijkheid.
Die erfenis der eeuwen begint wat West-Europa betreft bij de kerkvader Ambrosius (plm. 340-397), bisschop van Milaan. Wie in de gelegenheid is Milaan te bezoeken, moet niet alleen de majestueuze Dom bezichtigen, maar zeker ook de Sant' Ambrogio, de oudste kerk van Milaan, waarin vroeger de Duitse keizers gekroond werden. In de Sant' Ambrogio ligt vacuüm achter glas het gemummificeerde lichaam van Ambrosius. We weten dat Augustinus, die onder het gehoor van Ambrosius kwam, door diens preken zeer getroffen is en door hem is gedoopt.
Ambrosius, strijder tegen het arianisme, is vooral ook bekend geworden als dichter van hymnen (lofzangen tot God). Hij heeft een psalmencommentaar geschreven, waarin hij het zingen van de kerk vergelijkt met het zingen van de vogels die God geschapen heeft: 'Wie zou als hij nog enig menselijk gevoel heeft zich niet schamen als hij zijn dag besluit zonder psalmzingen, terwijl zelfs de kleinste vogeltjes met zoveel vroomheid en zoet gezang de komst van de dag en de nacht begeleiden? '
Christus als held
Ook de liederen van Maarten Luther staan in die eeuwenlange traditie. Zoals bekend dichtte Luther zijn eerste lied toen op 1 juli 1923 te Brussel twee Augustijner monniken - Hendrik Voes en Johan van der Esschen - op de brandstapel het leven lieten. Daarna volgden nog tientallen andere liederen, waaronder ook psalmbewerkingen.
Een van Luthers bekendste kerstliederen is 'Nun komm der Heiden Heiland'. Dit lied laat duidelijk zien dat Luther in de oudchristelijke traditie stond. Het gaat namelijk terug op een hymne van Ambrosius. Van Ambrosius' hymne raakte in de middeleeuwen de eerste strofe wel in onbruik, maar het overige deel werd zeer populair met als aanhef: 'Veni redemptor gentium' ('Kom, Verlosser der volkeren'). Van deze hymne gaf Luther een vrije vertaling en daarvan gaf Schulte Nordholt weer een vertalende bewerking (opgenomen in het Liedboek), die ik hieronder laat volgen. Het lied is een aanroep tot de Verlosser der wereld.
Kom tot ons, de wereld wacht.
Heiland, kom in onze nacht
Licht dat in de nacht begint,
kind van God, Maria 's kind.
Kind dat uit uw kamer klein,
als des hemels zonneschijn
op de aarde wordt gesteld,
gaat uw weg zoals een held.
Gij daalt van de Vader neer
tot de Vader keert Gij weer,
die de hel zijt doorgegaan
en hemelwaarts opgestaan.
Uw kribbe blinkt in de nacht
met een ongekende pracht.
Het geloof leeft in dat licht
waarvoor al het duister zwicht.
Lof zij God in 't hemelrijk,
Vader, Zoon en Geest gelijk,
nu en overal altijd,
nu en tot in eeuwigheid.
Opmerkelijk is dat wel sprake is van het Kind in de kribbe, maar zonder de 'zoetigheid' en romantiek die in latere eeuwen in zoveel kerstliederen is binnengeslopen. Het Kind is de 'hel' doorgegaan. Geen 'kindje klein en teer', maar een 'held'. Dit is bijbelse taal. God is immers, blijkens Zefanja 3 : 17, 'een held die verlossen zal' en Christus is 'de leeuw, die uit de stam van Juda is' (Openb. 5 : 5).
Licht en duister
De kribbe was slechts het begin. Na de kribbe volgden kruis, opstanding en hemelvaart. Het wezen van Kerst is de geweldige strijd tussen licht en duisternis. Beter: het begin van de overwinning van het Licht op de duisternis. En dat is de centrale gedachte van het hierboven geciteerde kerstlied van Schulte Nordholt, dat via Luther teruggaat op Ambrosius. En daaruit vloeien voort de beelden die dezelfde tegenstelling verwoorden: nacht tegenover dag, hel tegenover hemel, vergankelijkheid tegenover eeuwigheid. Het laatste woord in het lied is niet voor niets 'eeuwigheid'.
Christus is het Licht dat de macht van de duisternis, de macht van Satan, hel en dood overwint. Voor Hem zwicht het duister. Hij is het enige ware Licht temidden van zoveel vals licht en zoveel dwaallichten in deze zondige wereld. Daarom geldt voor iedere ware gelovige, wat de dichter zo prachtig vertolkt:
Het geloof leeft in dat licht
waarvoor al het duister zwicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's