Christus als exegese van God
Het moet iedere Bijbellezer opvallen, dat de wijze waarop de evangelist Johannes het kerstevangelie verwoordt, nogal afwijkt van de manier waarop Mattheüs en Lukas dat doen. Johannes begint zijn evangelie niet met een relaas over de geboorte van het kind Jezus in de kribbe van Bethlehem, maar met een diepzinnige beschouwing over 'het Woord' dat 'vlees' is geworden. Johannes schreef enige tijd later dan de andere evangelisten, en zijn doelstelling was ook een wat andere. In de zogeheten proloog (inleiding) van zijn evangelie (1 : 1-18) tracht hij de beslissende betekenis van Christus' verschijning op aarde zo diep mogelijk te doordenken en te verwoorden in het taaleigen van zijn Griekse omgeving. Heel de proloog van zijn evangelie is in dit opzicht een fraai voorbeeld van een vertaling die niet op een of andere manier een stuk verraad met zich meebrengt. Want zowel de volle menselijkheid van Christus als Zijn goddelijke aard en afkomst stelt Johannes op unieke wijze in het licht. In deze bijdrage bezien we dat nader aan de hand van de opmerkelijke uitspraak waarmee Johannes zijn proloog beëindigt: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard' (vs. 18).
Boezemvriend
In dit woord vat Johannes de strekking van zijn kerstevangelie in een enkele zin nog eenmaal samen. Zowel de hoge positie van Christus als de heilsbetekenis van Zijn komst op aarde brengt hij erin tot uitdrukking. Wat die hoge positie betreft, het staat er in de oudste handschriften zelfs nog krasser dan in onze vertalingen: de eniggeboren God... heeft Hem ons verklaard'. Als Johannes dit inderdaad zo geschreven heeft, dan grijpt hij daarmee aan het einde van de proloog terug op het begin van vs. 1: Het Woord was God! En tegelijkertijd was het ook bij God, ofwel, zoals Johannes ook dat gegeven opnieuw verwerkt, het was 'in de schoot van de Vader', beter nog: aan de borst van de Vader. Het beeld is ontleend aan de oosterse maaltijd, waarbij men met het hoofd naar elkaar toelag. Bij emotionele gebeurtenissen legde men het hoofd op de borst van de ander, de boezem-vriend. Johannes zal verderop in zijn Evangelie hetzelfde woord nog één keer gebruiken, en wel in 13 : 23. Daar is het de discipel, die Jezus liefhad, die z'n hoofd op de borst van z'n meester legt. Welnu, met dat beeld tekent Johannes ook de intieme relatie tussen Christus en de Vader. Zelf delend in Gods wezen kende de eniggeborene altijd al de meest volmaakte gemeenschap met de Vader. Hij ziet om zo te zeggen Zijn gelaatstrekken en kent Zijn hartsgeheimen. En daarin is nu precies Zijn heilsbetekenis voor ons mensen gelegen. Want juist vanwege die volmaakt vertrouwelijke band was Hij de aangewezen persoon om ons Gods hart te verklaren. Hij heeft immers als enige God wèl gezien (vgl. Joh. 6 : 46). Hij heeft het dus uit eigen ervaring.
Het zien van God
Niemand heeft ooit God gezien. Wat mystici, gnostici en anderen die het licht gezien hebben ook mogen beweren — God Zelf hebben zij in elk geval niet gezien. Want niemand heeft ooit God gezien. Dat is in al z'n bondigheid een schokkende bewering. Als niemand God ooit gezien heeft, wat praat iedereen dan toch over Hem? Allerlei mensen, volken en religies menen immers ongelooflijk veel van God of de goden af te weten. Ook in Johannes' tijd wemelde het van de religieuze stelsels en systemen. Maar als niemand God ooit gezien heeft, is dan niet alles wat er over Hem geroepen wordt — zelfs dat Hij er niet zou zijn — een slag in de lucht? God zien — dat zouden we wel graag willen. Hem om zo te zéggen frontaal ontmoeten. De laatste, diepste waarheid over Hem achterhalen, zodat we rechttoe rechtaan wisten waar we aan toe zijn. Maar laten we ons niets verbeelden. Het is niemand gegeven, zegt Johannes. En daarom berust alles wat wij mensen vanuit onszelf over God menen te weten op niet meer dan vage vermoedens en vrome ficties. Hoewel... alles? Hoe zit het dan met het Oude Testament? Het zijn toch bepaald geen vage vermoedens en speculaties die we daarin aantreffen. Het gaat toch ook daar om werkelijke Godsopenbaring? Jawel. Mozes en de profeten, ook zij zijn concreet met God in aanraking gekomen, hebben soms zelfs een glimp van Zijn heerlijkheid gezien. Maar God Zélf hebben ook zij niet gezien. Dat zou trouwens ook niet kunnen. Want geen mens kan God zien en leven. Zoals we onze ogen vernielen door rechtstreeks in de zon te kijken, zo zou het zien van God de vernieling van ons leven betekenen. In het Oude Testament krijgt zelfs Mozes daarom alleen maar Gods achterkant te zien (Ex. 33 : 20-23). Niet meer dan een glimp in het voorbijgaan. Jacob is de enige die het uitroept: Ik heb God gezien, frontaal! Van aangezicht tot aangezicht — en mijn ziel is gered geweest' (Gen. 32 : 30). Maar was het toch niet een Engel (Hos. 12 : 5)? Hoe dat ook zij, ook in het Oude Testament is Gods weg ten diepste onnavolgbaar.
Die heeft Hem ons verklaard
Welnu, zegt Johannes, daarin is nu met de komst van Christus toch wel heel wezenlijk verandering gekomen. Want 'Die heeft ons God verklaard'. Letterlijk staat er: Die heeft (Hem ons) geëxegetiseerd, uitgelegd. Het gesloten boek dat God voor ons ten diepste altijd geweest is, dat heeft Hij geopend, en Hij heeft met heel Zijn leven tekst en uitleg gegeven. Hij is om zo te zeggen de exegese van God. Niet voor niets duidt Johannes hem consequent aan als het Wóórd. Sprekend God, dat is Hij. Met zijn leven maakt Hij eens en voorgoed duidelijk wie God ten diepste is. Want dat waren we met z'n allen toch wel kwijt.
Wanneer wij een tekst exegetiseren of uitleggen, dan zien we ons soms in eerste instantie geconfronteerd met moeilijk te vatten woorden en zinnen. Soms zelfs ook met lettertekens die ons vreemd zijn. Maar wanneer we nu de juiste uitleg van de tekst vinden, dan zien we 't ineens. O, dus zó zit het! Soms is dat voor ons gevoel een openbaring. Zo openbaart Christus wie God is. Zijn woorden en daden, Zijn lijden en sterven laten eigenlijk voor het eerst klip en klaar zien wat er in Gods hart leeft. De Statenvertalers vertalen niet letterlijk, maar toch wel heel raak: Hij heeft Hem ons verklaard. Zodat God niet langer een groot vraagteken voor ons is, maar dat Zijn wezen voor ons oplicht. In Christus zijn Zijn bedoelingen ons in één keer helder geworden.
Dat wil zeggen: als we Johannes geloven natuurlijk! Er zit immers in tweeërlei opzicht iets vreselijk irritants in zijn kerstboodschap.' Allereerst dat niemand van zichzelf uit ooit God gezien heeft. Al onze exegeses en zoekontwerpen, ze mogen nog zoveel spoortjes van waarheid en vonkjes van wijsheid bevatten — ze zitten er als het erop aankomt gewoon naast. En ten tweede dat nu alléén Christus ons de ware aard van God bekendmaakt. Dat is in pluralistische tijden — en die van Johannes was het nauwelijks minder dan die van ons — al helemaal tegen de draad in. Wie God is, dat is niet voor meerdere uitleg vatbaar. Er is maar één juiste exegese, namelijk Christus. Scherper kon Johannes de absoluutheidsaanspraak van de christelijke openbaring niet formuleren. Het is geen wonder dat verderop in zijn evangelie de term wedergeboorte moet vallen, want dit accepteren we zomaar niet. Maar wie het accepteert, die ontvangt en ervaart dan ook niet minder dan een volheid van genade en waarheid.
Het kennen van God
Bij alles wat Kerst betekent, betekent het volgens Johannes dus ook dit: wij kunnen God kennen. Want wij zien God in Christus, Dat is niet niets. Dat betekent dat datgene waar de mensheid altijd zo krampachtig naar op zoek is, namelijk om gréép te krijgen op hoe we er nu ten diepste aan toe zijn in ons bestaan — dat dat ons in Christus geschonken wordt. De weg die van ons uit dood liep, heeft Hij van bovenaf geopend. En wat de Zoon laat zien in Zijn weg van kribbe tot kruis, dat is toch in één woord: pure, goddelijke liefde. Het is niet toevallig dat juist Johannes met dat woord Gods wezen zal gaan omschrijven. Het is waar: ook nu is ons kennen nog altijd ten dele, en ons zien een zien als door een spiegel in een duistere rede (1 Kor. 13 : 12). Wat dat betreft is er hooguit een gradueel verschil met het Oude Testament. Maar toch! 'Als de volheid van het heil is uitgestort in ons Vlees, als wij daardoor staan in het heden der genade — dan hebben wij dus alles, wat God in zichzelf is en te schenken heeft' (Van Ruler)!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's