De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vorige gemeente

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vorige gemeente

8 minuten leestijd

Een beroep te krijgen is nog altijd een eer voor een predikant. Het wordt soms wel eens gedaan alsof men een beroep krijgen een minderwaardige zaak acht. Men meent zich onmisbaar in de huidige gemeente. Men heeft serieuze studieplannen. De gezinsomstandigheden laten het ternauwernood toe. Toch komt het ons voor, dat al deze redenen om zelfs maar een hoorcommissie af te wijzen strikt genomen niet door de beugel kunnen. Wij hebben moeten leren dat geen enkele predikant onmisbaar is. Ja, de overtuiging heeft zich wel bij ons gevestigd, dat velen die niet weg willen naar hun oordeel, menigmaal niet weg kunnen, omdat er niemand is die hen beroept.

Wij laten nu maar liggen al de droeve zaken, die spelen rondom een beroep. Anderen hebben daarover geschreven op voortreffelijke manier. Wij behoeven dat niet over te doen, al zijn er ook wel kanten aan, die min of meer verborgen zijn gebleven. Maar daarover wellicht een andere keer.

Nu is er een beroep gekomen. De beslissing viel. Het wordt scheiden. Weet u wat dan de ervaring is? Het valt moeilijk te scheiden van een arbeid, waaraan men zijn beste krachten gedurende kortere of langere tijd heeft gewijd. Dat ondervinden wij, wanneer wij een gemeente verlaten, waar wij met vrucht mochten arbeiden, zelfs wanneer wij er slechts op hoop mochten ploegen.

Bij het heengaan is het nu de vraag, die niet alleen door de vakant wordende gemeente, maar ook door onszelf met de grootste belangstelling wordt gedaan: Wie zal de arbeid voortzetten? Het is dan ook geen vertrekkende predikant euvel te duiden, wanneer hij de kerkeraad met raad en daad probeert bij te staan in het vinden van een opvolger. Het is goed op dit punt geen te grote verwachting te koesteren. Men moet zijn raad nooit opdringen. De broeders kerkeraadsleden moeten zelf beslissen, zelf horen en zelf oordelen.

Het is er enigszins mee als met de mensen. die zeker met de beste bedoelingen allerlei beschikkingen maken, hoe het na hun dood moet gaan. Zij zorgen voor alles en laten door de achterblijvenden allerlei beloften afleggen, die deze om de stervende gerust te stellen, al is het dan ook met enige tegenzin, doen. Wij hebben niet de indruk dat dit tegenwoordig nog veel voorkomt. Maar waar dat het geval is, daar ontstaat er alleen maar ellende uit. De achterblijvenden achten zich soms door die beloften gebonden. Anderzijds willen zij zich ervan losmaken en verkeren daardoor in onzekerheid en twijfel.

Dat wij orde stellen op onze zaken vóór ons sterven, is plicht. Dat wij de overlevenden vermanen tot al wat goed is naar het Woord, is heerlijk. Maar wij moeten niet willen ingrijpen in 's werelds beloop. Als het sterven wordt, zegt de Heere van leven en dood ons, dat onze arbeid nu afgelopen is. De wereld zal ook zonder onze wijze beschikkingen zich wel redden. Dat neemt intussen niet weg, dat een enkel wijs advies door een stervende gegeven op grond van zijn levenservaring soms maar al te waar blijkt te zijn geweest. Het is altijd goed naar de wijsheid van voorgegane geslachten te luisteren en te handelen.

Maar terzake, wij hebben afscheid gepreekt. Wij zijn losgemaakt van de gemeente. Dan zijn wij voor die gemeente als haar herder en leraar zo goed als gestorven. Wij staan tot haar in de betrekking van een belangstellend vriend. Wij hebben geen recht meer ons met haar bijzondere zaken te bemoeien. Willen wij toch die bemoeienissen niet opgeven en in alles een woordje meespreken, wij hadden haar niet moeten verlaten. Wij hadden het beroep, hoe eervol, hoe dringend, hoe evenredig ook aan onze krachten en verlangens, niet moeten aannemen.

Erkennen wij dus in het beroep, dat ons van de gemeente losscheurde, een goddelijke roeping, het moet ons dan ook een wenk van Godswege zijn, om al onze krachten aan de nieuwe gemeente te wijden. Wij moeten niet telkens achterom zien, om ook daar nog in te grijpen. Weet u, onze tussenkomst in zaken van een beroep wordt dikwijls niet gewenst. Hoezeer men ons ook hoogachtte, wanneer het op kiezen aankomt, meent ieder het best uit eigen ogen te kunnen zien. Het is ermee als met huwelijken, die door ouders of verzorgers al te duidelijk worden gewenst en met de beste bedoelingen de kinderen worden opgedrongen. Een jong mens wil nu eenmaal in deze zaak althans zijn eigen vrije keuze hebben. Alleen in geval er een onwaardige keuze zou geschieden, is het onze plicht daarvan met ernst en beslistheid af te raden. Evenwel ook dan als vriend en niet als gezaghebbende.

En wanneer de opvolger er eenmaal is, en het niet alles juist gaat, zoals het in onze dagen ging, komt de oude les van pas: leren horen, zien en zwijgen! Hoe dikwijls gebeurt het, dat zij die elkaar in dezelfde gemeente opvolgen, ook al waren zij geestelijk van dezelfde snit, kwalijk te spreken zijn over hun onmiddellijke voorgangers of opvolgers. De opvolger bewoog zich enigszins in andere kringen dan de voorganger. Hij won misschien harten voor zich, die de voorganger door onverbreekbare banden aan zich verbonden meende. De opvolger deed sommige dingen anders. Het was een totaal ander type. Hij was pastoraler van aanleg of juist meer begaafd in het preekwerk. De gebruiken en gewoonten, de clubs of samenkomsten van zijn voorganger werden door hem terzijde geschoven. Mogelijk werden onze ideeën niet met die zorg bewaard, welke volgens het oordeel van deze eraan moest worden besteed.

Zo gebeurt het, dat de voorganger bij bezoeken in de gemeente, in telefoongesprekken of in brieven daarover zich uitlaat. Dat geeft natuurlijk zijn opvolger gegronde redenen tot ontevredenheid. Wie zijt gij, die u met eens anders doen bemoeit? Wie geeft u het recht om louter persoonlijke redenen zaden der ontevredenheid in die u eenmaal zo geliefde gemeente te strooien?

Wij komen op grond van al deze zaken ertoe een advies te formuleren. Het is niet goed een vorige gemeente na het vertrek al te druk te bezoeken. Zeker niet, wanneer zij het voorrecht heeft, weer een eigen predikant te bezitten. Dat bezoeken gaat vaak met preken gepaard. Hoe groot is dan niet de verzoeking, dat wij bij die gelegenheid een prikje geven over wat ons niet aanstaat. Wordt die wenk niet begrepen, dan geschiedt er geen kwaad. Maar het kon worden gemist. Wordt de wenk wel verstaan, dan dikken de hoorders het een beetje aan, ze strooien er een paar korrels zout overheen. Stellig doet dat kwaad. En zelfs, wanneer wij zorgvuldig alles vermeden, wat op kritiek gelijkt, dan blijft toch het gevaar bestaan, dat men in onze preek hoorde, wat er volstrekt niet mee bedoeld was.

Is eenmaal de band tussen de opvolger en de gemeente bevestigd, dan hindert zo nu en dan eens voorgaan in het geheel niet. Het zal dan spreken van de goede verstandhouding tussen hem, die er thans werkt en hen, die er vroeger werkten. Maar nooit moet ons preken in een vorige gemeente een gedwongen ritueel zijn voor de opvolger. Bemerken wij, dat hij het ons uit beleefdheid toestaat, maar het inderdaad minder graag doet, laten wij ons er dan van onthouden. Laten wij vooral de oude scriba niet opbellen met de dringende vraag, wanneer wij weer eens mogen preken. Laten wij er vooral niet over klagen, hoe groot onze teleurstelling ook is. Ook bij deze zelfverloochening geldt het Woord van Christus in de Bergrede: Wanneer gij vast, zalf uw aangezicht!

Er heersen op dit punt zulke vreemde toestanden. Een zekere directrice van een bejaardencentrum had de gewoonte van tijd tot tijd haar vroeger tehuis te bezoeken. Zij hield dan ontvangst in één van de zalen van dat centrum. U verstaat toch ook wel dat zulks voor de huidige directrice een kwelling des geestes was. Wie zo handelt, geeft blijk vergeten te hebben, waartoe hij in de gemeente werkzaam is, zielen te winnen voor het Koninkrijk van God. Maar wie er zo op uit is de zielen aan zijn eigen persoon te verbinden, handelt geheel in strijd met die roeping. Wanneer wij om ons heen zien, bemerken wij maar al te zeer hoe clubvorming en fanvorming hand in hand gaan. Ja, het komt zelfs voor, dat de ene geliefde predikant alles mag en zelfs luide goedkeuring ontvangt, terwijl de andere voorganger het niet eens mag denken. De één kan zijn eigen persoon verkopen. Het heeft een grote aanhang ten gevolge. Een andere predikant doet in alle eenvoud zijn plicht, gaat in stille ernst zijn weg - maar hij wordt als de wijze man, die de stad verloste: vergeten!

Er brandt in de kerk zoveel vreemd vuur op het altaar. Het vuur van persoonlijke sympathie. Het moet ons om hoger doeleinden te doen zijn. Het moet de zaak van Christus bovenal gelden. Daarom is het een wijze raad bij vertrek vele dingen los te laten. Ook wanneer wij met emeritaat zijn gegaan, moeten wij onze troetelkinderen loslaten. Weliswaar behoeven wij niet alles op te geven. Er zijn ook voor een geëmeriteerde nog wel hand-en spandiensten te verlenen. Als het maar geschiedt zonder bemoeizucht. En - wanneer de fundamenten in een gemeente zouden gaan wankelen - dan is het goed te wijzen op wat altijd de gemeente van Christus heeft opgebouwd. Prediking, pastoraat, catechese. Dat is de hoofdzaak..

Er zijn tegenwoordig vele bijzaken in een gemeente, die hoofdzaak worden. Dat zijn waterbellen. Die lossen op den duur op. Bepaal u dan bij de hoofdzaak. Ge zult er zegen op zien!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1995

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De vorige gemeente

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1995

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's