Een verhelderend gesprek
Zoals bekend kan zijn besloot dr. J. J. C. Dee eerder dit jaar zich af te scheiden van de Nederlandse Hervormde Kerk en over té gaan tot de Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt). In een uitvoerige Verklaring zette hij de motieven uiteen, die hem tot dit ingrijpend besluit hadden gebracht. Deze verklaring kregen we ook als hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond toegezonden. Dr. Dee deed dit, gelet op de contacten, die er tevoren tussen hem en ons geweest waren. De eindredacteur van ons blad dr. ir. J. van der Graaf, reageerde in zijn wekelijks hoofdartikel op verklaring en stap van dr. Dee (zie: De Waarheidsvriend d.d. 10 augustus 1995, 'Een te voorziene stap of voorzienigheid? '). Dr. Dee voelde zich in dit artikel geen recht gedaan en vond dat zijn overwegingen niet in zijn werkelijke betekenis gewogen waren. In de week nadat hij tot predikant van de vrijgemaakt gereformeerde gemeente in Spakenburg-Noord door prof. J. Kamphuis bevestigd was, ontmoetten we elkaar in zijn (tijdelijke) pastorie en hadden we met elkaar een broederlijk gesprek over de volgende vier punten.
1. Dr. Dee begint zijn verklaring met de onderstreping van de belijdenis van Gods voorzienigheid. Het leven van Gods kinderen voltrekt zich onder de boog van Gods voorzienigheid. Door zijn promotiestudie van de theologie van K. Schilder werd hij existentieel geworpen op de kerkvraag. Deze vraag beantwoordt, zegt dr. Dee Schilder Schriftuurlijk en naar de belijdenis der kerk. Dr. Dee acht het Gods voorzienige leiding in zijn leven, dat hij zo door Gods Geest en Woord geleid werd in zijn ambtelijk leven en kwam tot afscheiding van de Nederlandse Hervormde Kerk. Het lijkt een kwestie van woorden als in ons blad als reactie gesteld werd, dat deze stap van dr. Dee 'te voorzien was'. Het is geenszins de bedoeling geweest om het persoonlijk belijden van Gods voorzienige leiding door dr, Dee in twijfel te trekken.
2. In het hoofdartikel is verder gesteld, dat dr. Dee de belijdenis der kerk vooral 'massief juridisch hanteert, zonder voluit ook recht te doen aan de religie van de belijdenis'. Dit zou kunnen suggereren dat het naar onze inschatting bij dr. Dee om een vooral formeel en uiterlijk bezig zijn met de belijdenis te doen is. In ons gesprek werd duidelijk, dat het ook dr. Dee gaat om het geestelijk leven waar onze belijdenis getuigenis van aflegt. Daarin weet hij zich zeer met ons verbonden, ondanks de kerkelijke scheiding, die zich intussen heeft voltrokken.
3. Dr. Dee heeft zich; toen hij nog predikant was in onze kerk, sterk beijverd in het SoW-proces voor het confessioneel gehalte van de kerk binnen de groep van negentien predikanten, die met hem deze zaak aanhangig maakten. In het al eerder genoemde hoofdartikel werd de uitspraak gedaan dat dr. Dee hierin toch te eenzijdig het accent legde op de gehoorzaamheid die bij het verbond hoort en te weinig honoreert het accent van Gods trouw. Er zijn toch binnen het verbond tweeërlei kinderen? Hierin klinkt de kritiek door als zou in dr. Dee's verbondsvisie te weinig onderscheid worden gemaakt. Ook hij benadrukt in zijn prediking dat het om een levend en doorleefd geloof gaat. Verbondsautomatisme acht ook hij niet in de lijn van de Schrift te zijn.
4. Tenslotte kwam aan de orde de manier waarop dr. Dee zijn gemeente in Twijzelerheide los- en achterliet. Had dr. Dee kerkeraad en gemeente niet moeten oproepen om met hem mee te gaan? Liet hij de gemeente niet ineens achter, terwijl hij toch over haar van Godswege gesteld was? Miskende hij zo niet het gemeenschapskarakter van zijn gemeente door deze individuele daad van afscheiding? Dr. Dee voelt zich door deze beoordeling van zijn stap miskend en verkeerd beoordeeld. Binnen zijn kerkeraad heeft hij zijn beslissing niet aangekondigd maar wel besproken en toegelicht. En wat de gemeente betreft: uit louter pastorale overwegingen heeft hij gehandeld zoals hij heeft gedaan. Hij wilde de gemeente niet in verwarring brengen door zijn afscheiding van tevoren te bespreken. Naar zijn overtuiging was de weg, die hij koos naar de concrete gemeente toe, de enig begaanbare.
Ook al blijven we de stap van dr. Dee uiteraard betreuren, omdat we hem missen in de strijd om het gereformeerde karakter van onze kerk, we zien met dankbaarheid terug op het broederlijk gesprek, dat we dezer dagen met elkaar hadden. We respecteren eikaars visie op het kerkelijk vraagstuk en we wensen dr. Dee een vruchtbare dienst toe in het Evangelie binnen de kerken, die hij thans dient.
J. Maasland J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's