Globaal bekeken
Het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme gaf een markant boekje uit over ds. Leendert Schouten (1828-1905), de grondlegger van het Bijbels Museum in Amsterdam. Uit dit boekje, getiteld 'Een domineesleven in de negentiende eeuw', volgen hier twee passages die betrekking hebben op zijn (aanvankelijke) verzet tégen de toga en zijn hartstochtelijke strijd vóór de gezangen.
(...) door zijn optreden in het kerkelijk leven die dagen en door de - zeer uitgesproken - standpunten die hij innam wist Schouten de aandacht op zich te vestigen. Reeds in zijn eerste gemeente Koudekerke, waar hij op 2 november 1854 intrede deed, was dit het geval. De Algemene Synode van de Hervormde Kerk had in datzelfde jaar namelijk voorgesteld het oude ambtsgewaad voor predikanten te vervangen door een Juristentoga met bef en baret op de kansel en door gewone kleding in het dagelijks verkeer. Een verplichting was dit echter niet. Wie dat wilde kon de traditionele ambtskleding blijven dragen. Het oude kostuum bestond uit een zwarte kniebroek met kuitgespen, floretten (zijden kousen, lage schoenen al dan niet voorzien van zilveren gespen, een korte schoudermantel en een steek, een driekantige hoed met opgeslagen randen.
Het behoudende kerkvolk in Zeeland was in alle staten over deze nieuwlichterij, die associaties op riep met het paapse priesterhabijt. Schouten besloot zich als één van de weinige predikanten te houden aan de traditionele dracht. Zijn zoon Hubertus Johannes Schouten schreef in De Nieuwe Gids van maart 1914, dat de houding van zijn vader niet werd ingegeven door bekrompen conservatisme, "doch hij dweepte met de vroegere tijden en vond bovendien, dat een predikant aan een bepaald gewaad kenbaar moest wezen, zoals het hem dan ook van kindsbeen af geïmponeerd had als hij een predikant zag aankomen. Te Dordrecht, zijne geboorteplaats, had hij menigmaal bijgewoond, dat jongens hun spel staakten totdat de Weleerwaarde Heer voorbij was". Zonder passend gewaad kon de predikant zijn publieke rol niet naar behoren spelen meende Schouten, die zijn gevoel voor aankleding en presentatie van jongs af had ontwikkeld en trots was op de status van zijn ambt. Het is ook geen toeval dat hij, toen hij in 1873 bij zijn overgang naar Rotterdam het oude ambtskostuum eindelijk had afgelegd, zich daarna bij voorkeur in toga liet afbeelden.
De gedragslijn van Schouten in Koudekerke had aanvankelijk tot gevolg dat veel verontruste gemeenteleden uit Middelburg bij hem ter kerke gingen. De predikanten te Middelburg waren zo verstandig de zaak luchtig op te vatten en namen he Schouten niet kwalijk dat hij een groep Middelburgers tot zich trok. Eén van hen, de dominee dichter J. J. L ten Kate, in de jaren 1850-1860 predikant te Middelburg, publiceerde in september 1855 het volgende puntdichtje op de "Anti-Togisten":
"Een toga! Neen! dat is te sterk!
Dat noem ik een "paapsche concessie!'
Zoo spreekt men en trekt in processie
Naar - den heiligen rok te Koukerk."
Veel Middelburgers die bij Schouten kerkten keerden overigens al spoedig op hun schreden terug, toen zij merkten dat deze traditionalist tijdens de kerkdienst graag gezangen liet zingen, wat in hun ogen een niet minder verwerpelijke vorm van nieuwlichterij was.'
'In oktober 1894 vroeg Schouten zijn emeritaat aan per 1 januari 1895. Omdat hij slecht ter been werd kon hij zijn herderlijk werk niet langer naar behoren waarnemen. Op zondag 30 december 1894 enkele dagen voor zijn zevenenzestigste verjaardag, was de afscheidsdienst in de Domkerk, die door een talrijke schare werd bijgewoond. Tot zijn verdriet moest Schouten kort daarna vernemen dat als zijn opvolger was beroepen de jeugdige dr. J. de Lind van Wijngaarden, een predikant die geen gezangen liet zingen.
"Kraai nu triumf, gezangen-hater
Met uw confraters al te gaar
Nu gij een leeraar hebt beroepen
Zooals gij meent van zessen klaar",
dichtte Schouten verbolgen. De gezangenkwestie bleef hem in zijn laatste jaren bezighouden en werd min of meer een obsessie voor Schouten, die vroeger door Kuyper al eens voor "gezangomaan" was uitgemaakt. Behalve talloze ingezonden stukken in allerlei kranten en tijdschriften, die op den duur zuchtend ter redactie ontvangen werden en soms met nauw verholen tegenzin geplaatst werden, publiceerde hij in 1896 nog de brochure Dr. Bronsveld in toorn. In deze brochure betuigde Schouten steun aan zijn Utrechtse ambtgenoot nadat deze in het Gereformeerde Weekblad voor Oud en Jong van De Lind van Wijngaarden en H. Visscher gekapitteld was over de gezangenkwestie. Twee jaar later zond Schouten zijn opvolger opnieuw een vers toe om zijn gram te spuien over de artikelen van De Lind, die nu eenmaal weinig goed kon doen in zijn ogen. Het laatste couplet luidde weinig fijnzinnig:
"Kom, volg nu eens mijn goeden raad:
Koop oogenzalf vóór 't is te laat
En smeer die dik op uwe oogen
Dan valt de korst, die daarop ligt
U nog eens van het aangezicht
En zult gij ziende worden mogen."
Het vers kon gezongen worden op de melodie van psalm 24.'
De Stichting Hulp Oost Europa gaf een bundel gedichten uit, die Jan van Ginkel, de op 29 maart 1995 verongelukte redacteur van het Reformatorisch Dagblad naliet. Hier volgt één van de gedichten, getiteld Oud en Nieuw:
Het leven
snelt
de palen van de tijd
voorbij
naar 't ogenblik
dat niemand
overschrijdt.
Wie 't stervensuur
in God
verbeiden mag,
sterft met de dag.
De dood waarin
in Christus' licht
de eeuwigheid
het nieuwgeboren hart
verblijdt.
De heer W. Hardeman te Ede bericht in Herderssporen van januari 1996 het volgende over 'Uitgebrachte beroepen in 1995':
'Met de datum 15 december als deadline, dit van wege het tijdig opleveren van de kopij en de ter post bezorging, heb ik vastgesteld dat tot op die datum in de Nederlandse Hervormde Kerk 330 beroepen werden uitgebracht en dat het er in 1994 39 waren.
Dit is belangrijk minder dan in 1994. In het vorig nummer stelde ik deze situatie al aan de orde maar de situatie wijzigde zich niet. U weet dat ik het beroepingswerk per dag bijhoud en dat uitsplits in twee delen, nl. de rechterflank en de overigen. De daling in de rechterflank kent hetzelfde percentage:15% en is vergelijkbaar omdat het percenta JA/NEEN precies hetzelfde is. In 1992 werden 412, in 1993:415 en in 1994:390 beroepen uitgebracht.
Dezer dagen trof ik nog eens het volgende vers van P. A. de Genestet:
"Ook ik beken het garen:
Wat onze tijden baren
Is ver van amusant,
't Is vreeslijk en 't is ijslijk,
't Is schriklijk en afgrijslijk.
En ik heb óók het land!
Maar 't ergste van alle plagen
Zijn toch in onze dagen
Die kennissen van Job,
Het zijn je die meneren,
Die steeds jeremiëren.
Die altijd lamenteren.
Die 't weinig goeds negeren.
En eeuwig redeneren
Als kippen zonder kop."
Dezer dagen kreeg ik onder ogen een lezenswaardig artikel van prof. dr. A. C. Zijderveld, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam, over 'Van vormen en vormelijkheid'. Van dit artikel volgt hier het begin en het slot:
"Met Nel", kreeg ik te horen, nadat de telefoon aan de andere kant was opgenomen. Deze met schelle stem toegebeten voornaam verbouwereerde me. Ik dacht het nummer van een collega in een andere universiteit gekozen te hebben. Kennelijk deed ik dat verkeerd en had ik nu een willekeurig Nederlands staatsburger aan de lijn. Maar dat was niet zo. Ik had wel degelijk het juiste nummer gekozen. Nel was de secretaresse van de collega. Kennelijk besefte Nel niet dat zij in haar functie als individu Nel minder relevant was, dat zij een instantie representeerde, de universiteit, en daarbinnen een leerstoel, die van de desbetreffende collega.
Eerst leed ik nog aan het misplaatste vooroordeel dat dit informele gedrag van Nel "typisch Amsterdams" was, maar al gauw ontdekte ik dat ook in mijn eigen universiteit, op ministeries en in het bedrijfsleven de telefoon met de vermelding van alleen maar de voornaam wordt opgenomen.
Ik heb enkele maanden later, toen ik mijn colleg weer moest bellen. Nel nog een beetje gesard. Toen ze weer "Met Nel" in de hoorn beet, begon ik gezellig te keuvelen: "Dag Nel, wat leuk dat ik je aan de lijn heb! Kind, hoe gaat het met je? " Stilte aan de andere kant en toen verbaasd: "Wie bent en wat wilt u". - "Nel, ik ben Anton en ik ben professor aan de Rotterdamse universiteit en ik wil me Piet praten, als die er tenminste is? "- Anton wie? Juist! Toen had ik haar waar ik haar hebben wilde. Heel flauw van me, vond ik meteen al en het heeft niets geholpen. Het is dan ook vechten tegen de bierkaai, want Nels melding is symptomatisch voor een cultuuromslag in onze samenleving.
Een van de gevolgen van de democratiseringsgolf uit de jaren zestig is ongetwijfeld dat we in ons land losser, informeler met elkaar omgaan. We tutoyeren elkaar veel sneller dan vroeger, gebruiken voornamen vaker dan vóór de jaren zestig en ook is het zoenen - vaak zelfs drie keer - in zwang geraak. Wat je enkele decennia terug ook niet in dit puriteinse land van ons zou tegenkomen is dat mannen op feesten en partijen elkaar met een omhelzing begroeten. Soms worden daarbij de ruig gehaard wangen tegen elkaar gedrukt of gekust. Velen kleden zich, vooral in het bedrijfsleven op managementniveau, formeel, maar als het even kan, wordt het jasje uitgedaan, de hemdsmouwen opgestroopt en de dasknoop naar beneden getrokken. (...)
Om te beginnen, vormelijkheid creëert inderdaad een sociale en fysieke afstand tussen mensen. Zorgt ervoor dat we elkaar zowel letterlijk als figuurlijk niet te dicht op de huid komen te zitten. In dicht bevolkte landen als Japan en Nederland is dat on tegenzeglijk een voordeel, maar ook sociaal gezien kan enige distantie tussen mensen geen kwaad. Ze ontdoet relaties van overmatige emotionaliteit en helpt ons spanningen en conflicten in toom te houden. Er zit in dat opzicht een beschavend element in de afstandelijkheid die aan vormen en vormelijkheid inherent is. Zonder hoffelijkheid kan ook een bourgeoisie niet goed gedijen.
Het klinkt wellichf paradoxaal, maar deze destanti creëert nou juist ook ruimte voor mensen om zich kritisch en creatief tegenover elkaar op te stellen. Niets werkt zo geestdodend als de voortdurende wederzijdse nabijheid en de (veelal vermeende) gelijkheid. Wie reeds lang met dezelfde partner getrouwd is, weet dat het vermogen elkaar zowel geestelijk als lichamelijk de ruimte te geven een van de belangrijkste sleutels tot echtelijk geluk is. Dat geldt eens te meer voor een samenleving als geheel.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's