Dr. B. Wentsel in 't zicht van de haven
Er is weer een nieuw deel uit van de grote Dogmatiek die sedert 1980 aan het verschijnen is van de hand van dr. B. Wentsel. Aanvankelijk lag het in de bedoeling deze dogmatiek in 4 delen te doen verschijnen, maar de 4 delen zijn bezig uit te groeien tot 6 banden. Voor ons ligt nu De Heilige Geest, de Kerk en de laatste dingen, deel 4a, dat handelt over De persoon en het werk van de Heilige Geest. De laatste band zal t.z.t. handelen over De Kerk, de Maaltijd des Heren, het gemenebest en de eschata. Deel 4a is omvangrijk: 954 blz. Het is ook prijzig: na 20 februari ƒ 190,— en voordien ƒ 160,—. Maar daarvoor ontvangen we dan ook een schat van informatie, met inschakeling van niet alleen klassieke maar ook van de meest actuele, moderne, ook buitenlandse, literatuur en wordt alle wijdlopigheid ons bespaard. En, alle in het geding zijnde bijbelse grondbegrippen komen ter sprake. Het zou schade en schande zijn wanneer deze dogmatiek niet regelmatig door hen die theologisch bezig zijn, met name door predikanten, zou worden geraadpleegd.
Een boek met bewogenheid
Het boek werd door de schrijver en de uitgever (Kok, Kampen) geïntroduceerd op zaterdag 11 november in De Vijverberg, de Christelijke Hogeschool en Toerustingscentrum, in de wandeling de Bijbelschool genoemd.
Wentsels dogmatiek is ontstaan uit jarenlange college-cursussen in de dogmatiek die hij daar gaf. Daarbij zal hij zich overigens, denk ik, wel heel wat beperkingen hebben moeten opleggen, maar stimulerend was het wèl! De kring was beperkt gehouden: zelf was ik aanwezig als goede bekende èn namens de Gereformeerde Bond, want Wentsels dogmatiek ligt in de lijn van die van Calvijn en van Bavinck (en van Berkouwers studiën). De thematiek
van die dag was de vraag naar de noodzaak van een geestelijke opleving, een Réveil. Wentsel zelf wil een ieder aansporen dit langs de weg van gebed en inkeer te bevorderen.
Het geding om een opleving
De inleiders van die dag zaten echter niet geheel op deze zelfde lijn. Dr. G. Bos (gepromoveerd op de ethische theologie) wees er, m.i. terecht, op, hoezeer een Reveil altijd samenhangt met Israël, met een toewending tot de God van het volk en zo tot het volk van God. In wat wij officieel het Réveil noemen (begin vorige eeuw) lééfde dit dan ook voluit. Niet een element dat bij Wentsel de boventoon voert: in de gescheiden kerken worden psalm 87 en
Romeinen 6-8, de inlijving in Israël, minder benadrukt dan in onze kringen. Met als gevolg dat het verbond weliswaar alles met het geloof van Abraham te maken heeft, maar niet al, te veel met de lijfelijke Abraham zelf. Dr. P. Veldhuizen (Ned. Geref. predikant en gepromoveerd op K. Schilder) sprak ook over een Réveil, met toespitsing op het persoonlijk leven. Ik had het gevoel dat dit onderwerp zijn hart niet zo had: er bleek iets van een koele afstandelijkheid uit, hoewel alles wat hij zei waar was. Ik miste echter wat hij niét zei: iets van de warmte die we uit de Nadere Reformatie kunnen ontvangen. Dr. C. van de Kooi (gepromoveerd op de jonge Barth) voerde 's middags het woord: een echte woord-theoloog, die weet dat niet wij het zijn die ooit een Réveil zullen kunnen 'organiseren'.
Het eigene van het werken van de Geest
Vooral dit deel van Wentsels dogmatiek verraadt de begeerte naar een opleving en houdt zich daarom sterk bezig met wat evangelische stromingen ons vandaag theologisch te zeggen hebben. Deel 4a analyseert van stap tot stap de charismatische bewegingen die ontstaan zijn, en gaat hun, vaak diep en ver in het verleden liggende, wortels na. Daarin is hij in de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) een uitzondering. Achter deze belangstelling voor geestesgave en bijzondere charismata schuilt immers de grondgedachte dat op pinksteren de Heilige Geest een eigen werk is begonnen, en dat pinksteren echt iets nieuws heeft gebracht. In het meer intellectualistische
klimaat van de GKN heeft men over het algemeen met het eigene van het werken van de Geest weinig raad geweten en dit is een erfenis van Kuyper. De enige uitzondering die ik ken is Bavinck, maar deze was dan ook van huis uit Christelijk-Gereformeerd en na Bavinck en Kuyper hebben de GKN het intellectualisme zelfs in versterkte mate gevierd: de theologie aan de VU uit die tijd, waarvan in onze kringen vaak zo hoog werd opgegeven omdat wij destijds in onze Hervormde kerk nauwelijks gereformeerde theologen hadden, was een heel eenzijdige en verstandelijk-krampachtige.
Heiliging van de charismata
Wentsel zoekt het eigene in het werken van de Heilige Geest niet eenzijdig in het gevoelsmatige vlak. Dat zou een verkeerde reactie op zijn intellectualistische traditie zijn. Het gaat hem om de vervulling door de Geest. Dit kan het misverstand wekken dat Wentsel vooral op de enkeling zou mikken die vervuld wordt (of zou moeten worden)
doordat hij of zij de (in kaart gebrachte) geestesgaven bezit. Voor Wentsel is uitgangspunt dat ieder mens een charisma heeft ontvangen, dat dit zelfs de meest simpele dingen kunnen zijn en dat het de Geest is die deze heiligt en inschakelt en zo tot een vrucht maakt. En het is de gemeente waarin de vele charismata samen als vruchten van de Geest openbaar worden. Zo zingt de gemeente het loflied van de dienst met vele instrumenten.
Afrekening met Kuyper
Deze openheid van Wentsel voor het werk van de Geest als een eigen werk, voor heiliging van zowel de gevoelsmatige als de verstandelijke als de creatieve gaven, betekent dan ook een grondige afrekening met Kuyper, met name met diens leer van de vooronderstelde wedergeboorte. Immers, willen de charismata tot vruchten worden, dan is de persoonlijke wedergeboorte nodig. Tevens blijkt uit Wentsels werk een nieuwe openheid voor hervormde theologen van de Heilige Geest als Noordmans en Van Ruler. Waar Berkouwer vaak nog de neiging heeft Kuyper te vergoeilijken en de breuk met hem te maskeren, spreekt Wentsel duidelijker taal. En door zijn nadruk op het óók gevoelsmatig karakter van de vruchten neemt hij ook afstand van Bavinck, die in dezen, als zoon van zijn tijd, intellectualistischer te werk ging.
Rechtvaardiging en heiliging
Voorshands heb ik echter toch nog een vraag, die ik pas na grondiger lezing zal kunnen beantwoorden: dreigt het gevaar niet dat je op deze manier net iets te ver afraakt van de toerekening van de gerechtigheid van Christus, als de kern en de grond van het geloof? In onze gereformeerde traditie en zeker in die van Wentsel, zit een neiging om de heiliging te verzelfstandigen en mét de heiliging de goede Wet Gods. Soms maakt men de Wet Gods tot een regel, een soort christelijk wetboek, hanteerbaar door mensen. Dan is 'de gereformeerde zede' alles, of een 'bekeerdheid' die aan onze bekeringseisen voldoet en zo raakt de rechtvaardiging van de goddeloze in het achterschip. Dan is de heiliging een eigen, ten diepste on-heilig, leven gaan leiden. 'Bekering' wordt tot
'bekeerdheid' en heiliging wordt dan onwillekeurig gelijkgesteld met burgerlijk fatsoen. Verleden en heden overziende kunnen we daar diep beschaamd over zijn. Maar men kan zo ook een andere weg inslaan: nl. dat we van de heiliging een (ons!) programma gaan maken, nl. dat van dingen die wij doen moeten. Het eerste kan
vooral de rechterflank van de hervormden en alles wat 'rechts' daarvan zit, zich aantrekken; maar het tweede vooral diegenen die uit de Doleantie stammen. Wentsels gevarieerde invulling van de heiliging is ons zeer sympathiek, maar mag ons niet doen vergeten dat de opbouw van het geloofsleven ook een innerlijke kant heeft die ons Paulus' boodschap steeds beter en dieper doet verstaan en inleven: die van de toerekening uit genade. En daar heeft de gereformeerde traditie óók van geweten!
En dan nog iets. Wentsel is diep bewogen over kerkverlating en afval, met name over die van onze dagen. Daaraan gepaard gaat een neiging tot ernstig waarschuwen tegen het loslaten van het evangelie en een wijzen
op Gods oordeel. Wij ruiken het tussen de regels door. Wij stemmen ermee in, maar er is toch méér in de bijbel aan de orde dan deze dogmatische benadering? Daar is toch in de bijbel ook de bewogenheid om een schare die de Wet niet kent, het evangelie niet (meer) gehoord heeft, en voor de mensen die 'niet weten wat ze doen' en voor wie Christus gebeden heeft? Zo ja, dan mag ook de dogmatische lofprijzing ook iets van gebed en overreding
ademen. Of overvraag ik nu?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's