De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De westerse cultuur in het licht van de genade

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De westerse cultuur in het licht van de genade

9 minuten leestijd

'De kritiek op Dordrecht ligt niet allereerst in de dubbele predestinatie, niet in het onderscheid tussen verkiezing en verwerping. De Bataafse revolutie (1795, v.d.G.) wijst Dordrecht af, omdat ze niet wil weten van een mens die alleen uit genade leeft. De Bataven vinden hun inspiratie in de verlichting. Zij geloven in de goede mens, die door het juiste gebruik van de rede ook de goede samenleving tot stand zal brengen. Het kan niet waar zijn, dat zo 'n mens genade nodig zou hebben. Dan zou hij immers een zondaar zijn, wiens bedorven verstand er nooit in zal slagen een maatschappij te scheppen waarin het geluk op ons te wachten ligt. Sola Gratia en verlichtingsoptimisme sluiten elkaar uit. De erfenis van de reformatie wordt geweigerd'.

Trouw over rede prof. dr. A. Th. van Deursen

Deze woorden sprak prof. dr. A. Th. van Deursen in zijn referaat op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond, waarvan de titel was 'Met de erfenis van de reformatie in een godloze cultuur'. 'Onze cultuur heeft in de zestiende eeuw de reformatie ontmoet, vervolgens een lange tijd met haar verkeerd en tenslotte afscheid van haar genomen', zei hij. Dat afscheid is begonnen in de tijd van de Bataafse Republiek, ten tijde van de Franse revolutie, toen de patriotten hun orde aan de samenleving mochten gaan opleggen. Van Deursen sprak hier overigens niet (alleen) over ongelovigen, die wars van de genade zijn: 'Bataafse politici zijn vaak genoeg ordentelijke kerkgangers, en een samenleving zonder christendom is voor nagenoeg allen ondenkbaar. Hun christendom vertoont echter één nieuwe trek, die alle Bataven met elkaar gemeen hebben. Ze koesteren een diepe afkeer van de synode van Dordrecht'.

Waartoe deze afkeer van de genade in onze tijd heeft geleid, illustreerde prof. van Deursen met voorbeelden. Onze cultuur is meer en meer een genótscultuur geworden, waarin bovendien de rechten van de mens centraal staan, betoogde hij. Het lichaam is voor de moderne mens belangrijker dan de geest en de sterke heerst over de zwakkere, hetgeen blijkt uit de wetgeving inzake abortus en euthanasie. En verdraagzaamheid is vandaag nog slechts 'verdraagzaamheid uit onverschilligheid'.

Afkeer

Is genoemde 'afkeer van de synode van Dordrecht' er misschien ook de oorzaak van, dat zovelen de staf over de rede van Van Deursen hebben gebroken? Ik beperk mij hier tot dagblad Trouw, omdat andere commentaren ontleend waren aan de uitvoerige weergave van de rede van Van Deursen in dit dagblad.

Enkele dagen na de (te waarderen brede) samenvatting van het referaat in Trouw, kwam eindredacteur J. Greven er in een vernietigend commentaar op terug. Hij schreef: 'Zeker, er is in de Reformatie een bevindelijke, wereldmijdende, anticulturele stroming. Ze heeft oude papieren, en beroept zich terecht op bepaalde passages uit het werk van Calvijn.' Maar Greven haast zich te zeggen, dat de reformatie ook een kant heeft, die open is naar de cultuur, en komt dan uit bij (N. B.!) Arminius, 'die deze lijn uit het werk van Calvijn in ons land het meest uitgesproken heeft opgepakt'.

Die 'open variant' heeft het vandaag, zowel binnen het rooms katholicisme als in het protestantisme, niet makkelijk, zo vervolgt Greven. Deze open variant krijgt namelijk 'van de katholieke en protestantse Van Deursens' te horen, dat ze niet deugt. Maar Greven houdt het er op, dat ook onze europese cultuur vandaag nog 'in positieve zin de sporen draagt van de christelijke traditie van Rome en de Reformatie'.

De opdracht voor christenen vandaag is dezelfde als vroeger, zegt Greven dan. Hij drukt zich dan 'op z'n reformatorisch' uit en zegt hoe hij in de cultuur wil staan: 'Uit de bijbel in geloof leven uit genade'. De kern van het verhaal van Van Deursen was nu echter juist óók de genade, terwijl hij zei, dat de genade, zoals die in Dordt is beleden, ook door 'ordentelijke kerkmensen' wordt afgewezen. Moet hieruit worden geconcludeerd, dat het begrip 'genade' verschillend wordt gehanteerd? Als Greven komt te spreken over 'de doempraat' van Van Deursen over onze cultuur zou men dit wel mogen veronderstellen.

Donderpreek

Nu kwam Greven in zijn commentaar, getiteld 'Nog een donderpreek', ook nog eens terug op een bijdrage van zijn hand enkele dagen eerder, waarin hij kwam te spreken over een 'Ouderwetse donderpreek van dominee Y. van 't Hek'. Hij bedoelde de jaarafsluiting voor de televisie van de cabaretier Youp van 't Hek. De inhoud van dit zondagavondbesmettende programma zal velen in ons lieve vaderland, die de zondag in de dienst des Heeren plegen te besteden, zijn ontgaan. Maar via het pagina-brede verhaal van Greven kwam men er alsnog iets van te weten. Er waren — zegt Greven — 'toehoorders', die ervan genoten hebben. Wel stelt Greven in het voorbijgaan vast , dat '(te) ruw aangezette grappen over seksualiteit en voortplanting in ons land nog steeds het hoogste scoren'. Dit nu lijkt me een vergoelijkende typering voor een 'schreeuwlelijk, die bekend staat om zijn afgrijselijke vloekpartijen en ander liederlijk taalgebruik. Maar Greven houdt hem voor een boeteprediker, die de leugenachtigheid van het moderne leven in zijn 'donderpreek' bloot legde. Ik citeer nu Greven letterlijk. Hij zegt over de reactie van de hoorders: 'Precies als de gelovigen uit vroeger tijden onder de striemende slagen van de preek volhielden, dat ze de boze verlokkingen van de wereld uitsluitend van horen zeggen kenden. Maar diep in hun hart moesten ze toegeven, dat ze precies begrepen waar de dominee of de priester het over had'.

'Wie heeft het over secularisatie? ', vraagt Greven zich, bemoedigd door zijn eigen commentaar, tenslotte af. Met andere woorden: de oudejaarsavondpreek van Van 't Hek wijst op het tegendeel van secularisatie. Die constatering leek me niet louter ironisch bedoeld.

Genade

En hier ben ik weer terug bij de rede van Van Deursen. Uit het feit, dat her en der, het meest uitvoerig in Trouw, de rede onder scherpe kritiek werd gesteld, zou afgeleid kunnen worden dat juist hier geldt: diep in hun hart moesten ze toegeven, dat ze precies begrepen waar Van Deursen het over had. De VPRO zei, dat historici als Van Deursen met 'dit soort verwerpelijke ideeën' zich niet meer in het maatschappelijke debat moeten begeven. En Hervormd Nederland ging van de weeromstuit wijzen op de goede werken vandaag: 'Het vrijwilligerswerk bloeit als nooit tevoren'. Twee donderpreken in één week, dat was, zei Greven, genoeg. Ik weet niet of hij het gezegd zou hebben wanneer het bij de oudejaarsconference, waarvan ik hier node melding maak, gebleven zou zijn.

Het is intussen opmerkelijk, dat in het Trouwcommentaar juist het feit, dat de genade bij van Deursen zo centraal stond in zijn rede, niet wordt genoemd. Het zicht op de genade zou intussen beslissend kunnen zijn voor het zicht op en de waardering van de cultuur. Want dat zicht is bepalend voor de mens-visie en de maatschappij-visie. De reformatorische visie op de genade gaat — anders dan bij Rome, door Greven in één adem met de Reformatie genoemd — uit van de verdorvenheid van de mens: onbekwaam tot enig goed, geneigd tot alle kwaad. Genade is genade van het schavot. De Dordtse Leerregels citeren Paulus als hij zegt, dat de ganse wereld voor God verdoemelijk is. 'Ze hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods'. Maar tegen deze achtergrond licht dan de genade temeer op. De Leerregels zeggen dan vervolgens: 'Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe.' Kan men op zo'n formulering iets tegen hebben? Het doemdenken te boven!

Als genade alleen genade in en door Christus is — geen enkele andere religie wéét van genade — hoe moet dan de cultuur gewaardeerd worden, als die meer en meer aan Christus en Zijn Woord ontzinkt? ' Het gaat er dan niet om of een christen een opdracht heeft zelfs voor de meest verworden cultuur en of hij daarin ook hoop zal hebben! Het gaat er echter wèl om hoe een cultuur, die aan Christus ontzinkt en meer en meer seculariseert, moet worden gewaardeerd. Als ik Greven goed begrepen heb — en hij zou hier een eigentijds vertegenwoordiger van het neocalvinisme kunnen zijn — is hij ook vandaag optimistisch over onze cultuur ('alle doempraat van Van 't Hek en Van Deursen ten spijt'). Maar kan en mag een cultuur, waarin de normen van Christus niet meer gelden, op zich nog vanuit christelijke optiek positief gewaardeerd worden? En kunnen cultuuruitingen, die niet meer uit de Christusbelijdenis voortkomen, nog zonder achterdocht tegemoet worden getreden door christenen, die bij het Woord willen leven?

Het maakt hier veel uit of men uit de verlichting of uit de Christusbelijdenis denkt.

Ik haast mij te zeggen, dat er zeker ook vandaag nog overblijfsels en verworvenheden van ons christelijk verleden aanwezig zijn binnen onze cultuur en in onze samenleving. Maar het kan toch niet worden ontkend, dat meer en meer christelijke tekenen plaats hebben gemaakt voor antichristelijke tekenen? We zijn als geheel genomen van de genade vervallen en meer en meer machten toegevallen.

Helaas verzuimt Greven te vermelden waar en waarin hij vandaag onze cultuur bijbels-positief kan waarderen. Bij mij kwam de vraag op of uit het loutere feit, dat Van 't Hek vergeleken wordt met een boetepreker, niet moet worden afgeleid, dat een godloze cultuur, met alle goddeloze uitingen daaraan verbonden, wordt aanvaard in plaats dat deze gesteld wordt onder profetische kritiek.

Doem

In het Trouwcommentaar wordt gesproken over de 'sombere boodschap' van Van Deursen voor een gezelschap, dat er toch al niet 'om bekend staat de wereld van de zonnige kant te bekijken'. En hiermee is de stereotiep weer rond: bonders als zwartkijkers, die zich heerlijk hebben vermeid in een 'donderpreek' van Van Deursen. Terwijl het hier gaat om de oude vraag hoe men vanuit de genade aankijkt tegen de cultuur.

Wie de overmacht van de genade belijdt, mag hoop hebben in de meest hopeloze situatie.' Maar die hoop is niet hetzelfde als optimistische-cultuuraanvaarding, net zo min als het doemdenken heten mag wanneer men de ontluistering en ontgoddelijking van de samenleving signaleert. Die hoop vraagt intussen om getuigenis.

Het is dus maar door welke bril men de cultuur bekijkt. Die bril zal ook bepalend zijn voor het licht dat een dagblad vandaag op de cultuur werpt.

Jezus Christus is onze Enige Hoop, zowel persoonlijk als in de levensverbanden. Aan Greven zou ik willen vragen of er Hoop is buiten Hem en buiten de beleving van Zijn genade. En hoe zit het dan als de kennis van Christus onder het volk afneemt? Als het om de kennis van Christus gaat, is er dan reden tot optimisme?

'Tobben met de tijd', waarvan Greven spreekt, is voor bevindelijke mensen zuchten om de genade en het herstel daarvan in de samenleving.

Als ik het Trouwcommentaar lees, moet ik constateren dat er kennelijk tobbers èn tobbers zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1996

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

De westerse cultuur in het licht van de genade

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1996

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's