Globaal bekeken
Dezer dagen verscheen een proefschrift van Maarten van der Linde over de Wika, 'Werken in kerkelijke arbeid in de Nederlandse Hervormde Kerk, 1945-1966' (uitgave Boekencentrum, Zoetermeer). Uit dit proefschrift volgen hier enkele passages:
• Ontkerkelijking in het begin van deze eeuw.
'Industrialisatie en verstedelijking bevorderen het op gang komen van de massale ontkerkelijking waarmee met name de Nederlandse Hervormde Kerk werd geconfronteerd. Onkerkelijkheid was in het negentiende-eeuwse Nederland weliswaar ongewoon, maar dat betekende lang niet altijd dat het geloof erg diep geworteld was. Voor veel kerkleden die onkerkelijk werden, was de overgang niet zo groot, omdat ze al voor hun afscheiding ongelovig waren en zich nooit veel gelegen hadden laten liggen aan de kerkelijke voorschriften. Het Nederlandse protestantisme van de negentiende eeuw werd beheerst door leergeschillen, en de hervormde kerk was eigenlijk vooral een verzameling partijen. Mönnisch heeft over het negentiende eeuwse protestantisme opgemerkt dat een specitiek-kerkelijk gevoel ontbrak, de kerk was meer een algemene, vrij vage achtergrond dan de mater ecclesia, de voedende moeder der gelovigen. Vaak bleef het bij een dooplidmaatschap, nodig voor het verkrijgen van kerkelijke onderstand.
Ontkerkelijking was niet alleen een stedelijk verschijnsel, ook op het platteland van Groningen en Friesland was al in de jaren tachtig van de negentiende eeuw sprake van aanzienlijke geloofsafval. Scherpe maatschappelijke tegenstellingen, grote sociale nood als gevolg van de agrarische crisis in de jaren 1878-1895, het feit dat predikanten en andere ambtsdragers partij kozen voor werkgevers en boeren deed vele landarbeiders en kleine boeren de kerk de rug toe keren. Zij zochten hun heil in het opkomende socialisme.
Het onkerkelijkheidspercentage nam toe van 0.3 in 1879 naar 1.5 in 1889. Dit was een groei van ruim 12.000 onkerkelijken in 1879 naar meer dan 66.000 in 1889. Omstreeks 1900 werd de honderdduizend gepasseerd en in 1930 gaven 1.1 miljoen Nederlanders te kennen niet tot een kerkgenootschap te behoren. Daarmee lag het landelijk percentage op 14.3. De provincies Noord-Holland, Friesland, Groningen en Zuid-Holland staken in dat jaar ver uit boven dit gemiddelde. Dit gold nog in meerdere mate voor een aantal grote steden: van de inwoners van Groningen, Haarlem en Amsterdam was in 1930 al ongeveer een derde deel onkerkelijk, in Rotterdam en Den Haag schommelde het cijfer in 1930 tussen de 20 en 25 procent. De Zaanstreek scoorde het hoogst: ruim 44 procent van de bevolking was onkerkelijk. De feitelijke vervreemding van de kerk was nog groter.
De oude stadskerken, die sterk het karakter hadden van middenstandskerken, waren niet berekend op de nieuwkomers in de steden. Predikanten en kerkeraadsleden hadden geen inzicht in de problemen van deze groepen, die terecht kwamen in een volstrekt vreemde omgeving en begonnen met onbekend werk. In de stad ontbrak meestal de sociale controle van bovenaf en het traditioneel paternalisme waardoor in de dorpssamenleving gezinnen in de kerkelijke bedding werden gehouden. Daar kwam bij dat in deze cruciale decennia in de hervormde kerk een felle richtingenstrijd woedde, waarbij in menige hervormde gemeente, onder andere in Amstedam, een benepen confessionalisme de toon aangaf, dat gespeend was van sociale bewogenheid en zich met grote felheid tegen vrijzinnigheid en socialisme keerde.
Door allerlei factoren nam de invtoed van de kerk op de lagere volksklassen af, maar het zelfde was het geval in de meer gegoede bevolkingsgroepen bij wie de stap van vrijzinnigheid naar onkerkelijkheid niet zo heel groot was.
Ook in luxere suburbane gemeenten met veel import en forenzen als Blaricum, Hilversum en Bussum liepen in 1930 de onkerkelijkheidspercentages op van 21 tot 26 procent. Welstand en een hoog opleidingsniveau bevorderden een individualistische mentaliteit die zich slecht verdroeg met de traditionele geloofswaarheden en kerkelijke verplichtingen.'
• Predikantsplaatsen in de Nederlandse Hervormde Kerk uitgesplitst naar rictiting in 1920:
(Zie voor de tabel de oorspronkelijke tekst)
• Dr. H. Kraemer over nieuwe kerkorde van de Hervormde Kerk:
'Vlak voor de Duitse bezetting van Nederland werd Kraemer vanuit de Algemene Synode benaderd met de vraag of hij zich in de reorganisatiestrijd wilde mengen. Had hij niet onlangs beweerd "dat de weg van het ontwerpen en aannemen van een nieuwe, bijbels en theologisch verantwoorde kerkorde niet begaanbaar is, omdat van die aanpak geen verenigende maar een splijtende werking uitgaat? " En dat er iets anders aan vooraf moest gaan:
Ten eerste zal er een veel dieper en ernstiger streven moeten komen om elkaar, niet naar elkaars woorden en formuleringen, maar naar elkaars bedoelingen te verstaan, voordat men met vertrouwen de eerst genoemde weg kan bewandelen. De tweede belangrijke les is, dat slechts een minderheid in de reorganisatiestrijd werkelijk heeft meegeleefd. Het is teveel een zaak van predikanten en professoren gebleven en al te zeer aan de grote massa der gewone meelevende gemeenteleden voorbijgegaan. Tenvijl onder de "leken" wel degelijk belangstelling bestaat. Ook in de reorganisatiestrijd is weer bewaarheid dat de Nederlandse Hervormde Kerk een domineeskerk is.'
Hier volgt nog een uitspraak van prof. dr. Th. A. van Deursen uit zijn referaat op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond, 'Met de erfenis van de Reformatie in een godloze cultuur':
'Onze minister van buitenlandse zaken heeft in november Rome bezocht, en sprak daar ook met vertegenwoordigers van de rooms-katholieke kerk. Hun beider inzichten liepen nogal uiteen, maar daar maakte de heer Van Mierio zich geen zorgen over "Nederland en het Vaticaan zullen het over abortus en euthanasie nooit eens worden", verklaarde hij na afloop, "maar zij dienen elkaars standpunten te respecteren". Ik denk dat de minister daarmee een onvervulbare wens heeft uitgesproken. Ik kan van zijn standpunt kennis nemen als van een bestaand feit. Maar ik kan het onmogelijk respecteren, en ik zou ook niet weten hoe het Vaticaan dat moest doen. In onze abortuswet schuilt niets edels of eerbiedwaardigs. Ze doet het tegendeel van wat een wet behoort te bewerken: ze maakt een criminele handeling tot een daad van goed burgerschap.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's