De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

J. Owen over de Heilige Geest (6, siot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

J. Owen over de Heilige Geest (6, siot)

16 minuten leestijd

De geest als Trooster

Na stilgestaan te hebben bij het werk van de Geest in wedergeboorte en heiliging geeft Owen ook aandacht aan de bijbelse notie dat de Geest Trooster is, door Christus beloofd aan Zijn achterblijvende discipelen. Een bijzondere belofte voor de gelovigen dus. De puritein wijst in dat verband op de zogenaamde afscheidsgesprekken in Johannes 14-16. De Geest als Trooster is gezonden met het oog op een bijznder doel: de toerusting van de discipelen en alle gelovigen voor het getuigenis en de belijdenis van het evangelie temidden van een vijandige wereld die afwijzend staat tegenover de boodschap van Christus. Als de 'erbij Geroepene' geeft Hij kracht om vrijmoedig en met overtuiging te spreken tot tegensprekers, spotters en vervolgers. Daarbij schenkt Hij ook (buiten)gewone gaven die de betrouwbaarheid van de boodschap onderstrepen. Tenslotte verleent de Trooster de evangelieprediking kracht zodat de wereld overtuigd wordt van zonde, gerechtigheid en oordeel en buigt of zich verhardt (Joh. 16 : 8-11). Temidden van aanvechting en strijd die het pad van de gelovigen vanwege de belijdenis van het evangelie voortdurend kruisen, komt de Geest als Trooster te hulp.

Onder het troostende werk van de Geest valt allereerst Zijn inwoning als de bron van alle geestelijke zegeningen. Owen maakt duidelijk dat er geen sprake kan zijn van een persoonlijke band met de Geest. Nee, de Geest neemt intrek in het gelovige hart om de gemeenschap met Christus gestalte te geven, te onderhouden en de liefdevolle omgang tot bloei te brengen. Zodoende is Zijn inwoning onmisbaar om werkelijk in het geloof te wandelen en onderscheiden te zijn van de wereld.

De puritein gaat ook in op de notie van de zalving met de Heilige Geest. Daarbij schenkt de verhoogde Christus Zijn Geest als een zalving aan de gelovigen om hun verstand geestelijk te verlichten zodat ze een helder zicht krijgen op de kernzaken van het evangelie. Deze kennis van en liefde tot de waarheid geven vastheid tegen allerlei wind van leer. Ze geven tegelijk blijde troost temidden van de tegenstand in de wereld.

De Geest als onderpand ziet vooral op de garantie voor de toekomst. In de gemeenschap met Christus hebben de gelovigen deel aan de toekomstige heerlijkheid en mogen met recht 'mede-erfgenamen' worden genoemd (Rom. 8 : 17). Zoals een onderpand de garantie is dat alles uit verplichting volledig zal worden betaald, zo geeft de gave van de Geest als onderpand aan dat de volle erfenis aanstaande is en in de voleinding zal worden uitgekeerd. Voor God geldt dit niet als een verplichting, maar als een genadige belofte.

Verzegeling

Owen heeft in verschillende fasen van zijn leven aandacht gegeven aan de verzegeling met de Heilige Geest als een onderdeel van Diens troostende werk. Vorig jaar heb ik daarover in het 'Gereformeerd Weekblad' uitvoeriger geschreven, zodat ik er nu niet al teveel aandacht aan wil geven. De puritein heeft lange tijd in onzekerheid verkeerd over de precieze betekenis van deze uitdrukking, mede omdat de meningen binnen het Puritanisme op dat punt uiteen gingen. Steeds meer ging men de verzegeling zien als een afzonderlijke en aparte ervaring die op een vrij plotselinge wijze tot de zekerheid vna het geloof leidde. Owen heeft daarmee in groeiende mate moeite gekregen en in een rijpere fase van zijn leven gesteld dat de verzegeling met de Geest de gave van de Geest Zelf is en niet een afzonderlijk werk in een later stadium. Hij heeft dus duidelijk gekozen voor de vertaling: verzegeld met en niet door de Geest. Daarbij was voor hem de parallel met Christus onopgeefbaar. Wat is de verzegeling van de Heiland anders dan de mededeling van de Geest in al Zijn volheid? Vanaf de doop in de Jordaan bezielt Hij Christus om in volle overgave en zekerheid het verlossingwerk te volbrengen. Zo is het ook in het leven van de gelovige. Verzegeling wil zeggen dat de Geest Zelf komt inwonen met Zijn volheid en genade waardoor God de gelovigen als Zijn kinderen merkt en hen zo afzondert van de wereld om tegelijk in de wereld het getuige-zijn te volbrengen. De aanwezigheid van de Geest als zegel van God geeft de gelovigen verder ook de zekerheid in het heil te delen.

Owen heeft dus met deze opvatting een vrij eenzame positie ingenomen temidden van de andere puriteinen en aansluiting gezocht bij de Reformatie: verzegeling is het deel van alle gelovigen en kenmerkt hen als kinderen Gods. Het verschil met Calvijn is dat deze meer nadruk legde op de verzegeling van de beloften door de Geest. Verder stond Owen ook op het punt verzegeling-geloofszekerheid dichter bij zijn tijdgenoten dan bij de Reformatie. Al noemde hij de Geest als zegel bron van zekerheid, de bewustheid van die zekerheid kon pas veel later plaatsvinden. Verzegeld te zijn viel dus in de regel niet samen met de bewuste zekerheid. Hij wilde vanuit deze visie de geloofszekerheid benadrukken, maar tegelijkertijd ruimte houden voor een groei naar het volle bewustzijn van het kindschap Gods om zodoende pastoraal in te kunnen gaan op worsteling rond dit punt. Hoewel er wat betreft de geloofszekerheid verschil is, heeft Owen met Calvijn de verzegeling met de Heilige Geest gezien als een uitdrukking die de rijkdom van het christenleven tekent. Naast de verkiezing van de Vader en de verzoening door Christus is er de gave en de werkelijkheid van de Geest, Die doet leven uit de belofte van het evangelie en de gelovige op die manier stempelt als verloste (Efeze 1 : 13, 14).

Gaven van de Geest

Owen besteedt in de na zijn dood uitgegeven verhandelingen ook aandacht aan de geestelijke gaven. Deze staan evenals het troostende werk van de Geest in het kader van de opbouw van de gemeente. De puri­tein gebruikt het volgende beeld: Door de reddende genade maakt de Geest de uitverkorenen tot levende stenen; door de geestelijke gaven bouwt Hij ze op tot een tempel van en voor de levende God. De geestelijke gaven hebben daarom een belangrijke plaats in de verering van God onder het Nieuwe Testament. Het belangrijkste onderscheid met de dienst aan God in het Oude Testament is allereerst de 'bediening van de Geest', maar daarbij spelen de geschonken (evangelische) gaven in het bestaan van de gemeente een belangrijke rol. Zo alleen kan de gemeente goed functioneren in de nieuwe heilsbedeling.

Reddende genade-gave

Om de aard van de geestelijke genade nog beter aan te geven, maakt Owen een vergelijking met de reddende genade. De gaven vormen namelijk niet het verborgen geestelijke leven van de gemeente - dat geldt voor de reddende genade - maar betreffen de orde en de opbouw van de kerk. Ze ontwikkelen en oefenen de genade en zijn zo alleen tot schade voor het welzijn van de Kerk te verontachtzamen.

Naast overeenkomsten zijn er enkele verschillen: Heiligende genade is vrucht van de verkiezing en van de beloften van het verbond der genade. Verder heeft ze betrekking op het priesterlijke werk van Christus in offer en voorbede. Daarom is ze blijvend. Met de gaven ligt dat anders. Gaven kunnen ook vrucht zijn van een tijdelijke verkiezing (Saul, Judas), hebben een plaats in de (uiterlijke) bediening van het verbond, vallen alleen onder het koninklijke ambt van Christus en kunnen verdwijnen. Waar Owen naar toe wil, zien we aan het slot van de vergelijking. Geestelijke gaven hebben een plaats in het verstand, niet in de wil of de gevoelens. Daarom veranderen ze het hart niet en kunnen ze tijdelijk aanwezig zijn in mensen die geen deel hebben aan Gods reddende genade in Christus. Genade neemt echter heel de mens in beslag en doet Christus in het hart wonen. We zouden de indruk kunnen krijgen dat Owen uiterste moeite doet reddende gande en geestelijke gave te scheiden. Het gaat er hem echter ook hier om aan te geven dat mensen in het krachtenveld van de Geest kunnen staan zonder deel te hebben aan Zijn hartvemieuwende genade. Met deze schrijnende werkelijkheid, die hij ook reeds in de behandeling van de wedergeboorte aan de orde stelde, heeft hij terdege rekening gehouden. Hij wil echter vooral aangeven dat genade en gave dienen samen te gaan. Een levend dat geheiligd is door de genade van de Geest is de aangewezen vruchtbare bodem voor de groei en bloei van geestelijke gaven. Genade wekt de gaven op, bewaart ze voor misbruik en laat ze dienstbaar zijn aan de eer van God. Op hun beurt wekken gaven weer de genade van geloof, liefde en vreugde op en laten ze vruchtbaar zijn voor het bestemde doel.

Bijzondere ambten-gaven

Als Owen verder ingaat op de gaven, schenkt hij eerst aandacht aan de bijzondere ambten in de beginperiode van de Kerk. Verbonden daarmee waren bijzondere gaven. Naast de apostelen en evangelisten rekent hij ook de profeten tot de bijzondere ambtsdragers die, met bijzondere gaven van de Geest, in concrete situaties leding gaven aan de Kerk en bij tijden een helder inzicht hadden in toekomstige gebeurtenissen. Er waren er ook die profetische gaven hadden zonder bijzonder ambt, zoals de dochters van Fillipus (Hand. 21 : 9). Verder was er ook het gewone profetische ambt met gewone gaven (Ef. 4 : 11), volgens Owen een tekening van de al de eeuwen door bevestigde evangeliedienaar. Tenslotte konden ook zij die niet tot een ambt geroepen waren profeteren. Hoe de puritein dit laatstgenoemde profeteren invult zullen we straks zien. Apostelen, evangelisten en profeten zijn echter verdwenen en daarmee ook de bijzondere gaven van de begintijd.

Die bijzondere gaven krijgen vervolgens vooral vanuit 1 Korinthe 12 aandacht. Sommige gaan de kracht van elk menselijk verstand te boven zoals de gaven van wonderen en genezingen en zijn daarom onmiddellijke werkingen van de Geest. Andere bestaan meer in bijzondere begaafdheden van verstand en geest, zoals het woord van wijsheid en kennis, geloof, gezondmaking, onderscheiding van geesten en profetie. Al deze gaven bleven in hun buitengewone vorm beperkt tot de begintijd van apostelen en evangelisten en vormden de schoonheid van de kerk vlak na Pinksteren. Als 'krachten van de toekomende wereld' vormden ze een belangrijke stimulans voor de uitbreiding van het evangelie. Eenvoudige, ongeleerde en bij tijden kleinmoedige mannen hadden te maken met de wijsheid en tegenstand van de wereld en de verleiding van de overste van de wereld. Vanwege hun bijzondere gaven steeg hun wijsheid boven die van de wereld uit, was hun verachting voor schatten en verleiding duidelijk zichtbaar en maakten hun moed, vrijmoedigheid en doorzettingsvermogen diepe indruk. Zo was hun prediking krachtig en gezaghebbend, terwijl het hele vooroordelen wegnam of verzwakte. Begeleidende tekenen gaven blijk van Goddelijke kracht. Owen wil maar zeggen dat de bijzondere gaven een bijzonder doel dienden: de uitbreiding van het evangelie over de wereld in de begintijd.

Gewone ambten-gaven

De bijzondere gaven zijn dus met het verdwijnen van de bijzondere ambten weggegaan. Owen duidt het nog iets preciezer: ze zijn in hun bijzondere vorm voorbijgegaan. Al de eeuwen door zijn met het oog op de opbouw van de gemeente namelijk overeenkomstige gaven geschonken, verschillend in graad maar niet in soort. Gewone gaven verbonden met gewone ambten. In dat verband wijst hij vooral op het ambt van 'dienaar van het Woord' vanuit Efeze 4:8vv.

Terwijl voor de planting van de kerk in het begin bijzondere ambten en gaven nodig waren, konden voor de opbouw van de gemeente gewone ambten en gaven vanuit de verhoogde Christus volstaan tot de volmaking van de heiligen en bewaring voor de verleiding van allerlei wind van leer. Die gewone ambten kunnen slechts dienstbaar zijn tot opbouw als er geestelijke gaven bijgevoegd worden. De dienaar Van het evangelie ontvangt ze met het oog op de leer, eredienst en opzicht. De Geest schenkt hem kennis van de geheimen van het evangelie, vaardigheid om het Woord 'recht te snijden', vrijmoedigheid om te spreken en voor te gaan in de gebeden, geestelijke leiding te geven aan de gemeente.

Owen komt nu bij de gaven van de afzonderlijke gelovigen en maakt duidelijk dat wat bij de dienaren van het evangelie in bijzondere mate aanwezig is, ook bij alle christenen werkelijkheid is en in het kader van de wederzijdse vermaning, aansporing en opbouw staat, zoals volgens hem 1 Korinthe 12 : 12-20 aangeeft. Hij gaat hier verder niet uitgebreid op in, maar gezien het voorafgaande moet hij daarbij vooral denken aan de kennis van de geheimen van het evangelie, het vrijmoedig getuigen, gebedsgaven en het liefdevolle opzicht over en dienstbetoon aan elkaar.

Profetie

Hoe is dat bij de profetie? Owen maakt daarbij een onderscheid. Het element van voorspelling kwam vrij zelden voor, maar de gave om de bedoeling van God vanuit het Woord duidelijk te maken door een bijzondere verlichting van de Geest, was veel gewoner. Het was nogal eens dienstbaar aan de overtuiging en bekering van ongelovigen, terwijl het binnen de gemeente belangrijk was voor vermaning, verbetering en onderwijs. Toch dreigde op dat punt volgens 1 Korinthe 14 : 29-33 verwarring omdat in de gemeente soms verschillende profetische stemmen tegelijkertijd spraken. Om dreigende verwarring te voorkomen moest men naar elkaar luisteren en elke profetie onderwerpen aan het oordeel van anderen. Deze richting gaf volgens de puritein aan dat de gave van de profetie in deze vorm tijdelijk was. Het was de weg om naar die ene stem te luisteren die orde schiep in de verkondiging van de heilgeheimen. We begrijpen dat dit voor Owen in het bijzonder de stem van dienaar van het Woord is. Het profetische keert terug in diens kennis van de heilgeheimen en de rechte verkondiging van het evangelie in vrijmoedigheid. Tegelijk dient hij de omstandigheden van de leden der gemeente te kennen en zicht te hebben op de aard van verleidingen en geestelijke scheefgroei om vanuit het Woord werkelijk geestelijke leiding te kunnen geven. Opvallend is wel dat Owen hier niet de vinger legt bij een verkondiging met het oog op de tijdsomstandigheden, terwijl hij toch zelf in de veertiger jaren van die eeuw verschillende malen voor het parlement zogenaamde 'tijdgerichte preken' heeft gehouden met de oproep van terugkeer tot God. Is hij hierin na 1660 voorzichtiger geworden? Dingen waren zo anders gelopen dan hij gedacht had...

Wat de profetische gave aan de afzonderlijke gelovigen betreft, zullen we moeten denken aan een elkaar vermanen, onderwijzen en opbouwen in het geloof vanuit het Woord. In die zin behoort het gehele volk des Heeren tot de profetenstand en zijn directe inspiraties en bijzondere boodschappen verleden tijd.

Het wordt ons intussen duidelijk dat Owen over de geestelijke gaven, waaronder profetie, heeft gedacht in de lijn die bijvoorbeeld door Calvijn is uitgezet. Andere vi­sies zijn ook opgekomen. Met het oog op de gedachtengang over deze dingen, zoals bijvoorbeeld recent in dit blad, worden we vanuit de visie van deze puritein o.a. bij deze overwegingen bepaald:

1) Aandacht voor de geestelijke gaven mag niet ten koste gaan van de genade van de Geest in wedergeboorte en heiliging. Het is zelfs mogelijk gaven te hebben ontvangen zonder deel te hebben aan het nieuwe leven uit Christus. Voor het omgekeerde dienen we eveneens te waken. Owen heeft erop gewezen dat we genade en gave moeten verbinden om werkelijk vruchtbaar te kunnen zijn.

2) Het gevaar is inderdaad aanwezig dat profetische stemmen voor verwarring kunnen zorgen als ze niet luisteren naar elkaar. Elk beroep op directe openbaring maakt toetsing erg moeilijk. Per post worden soms allerlei en bij tijden tegengestelde profetische boodschappen ons toegezonden. Echte profetie zal daarom steeds op Gods profetische Woord rusten.

Tenslotte

Om niet te langdradig te worden, hebben we niet alle aspecten van Owens behandeling van het werk van de Heilige Geest aan de orde gesteld. Zo zijn we bijvoorbeeld voorbijgegaan aan twee geschriften die het werk van de Geest in de totstandkoming, het verstaan en de uitleg van de Heilige Schrift aan de orde stellen (verschenen in 1677 en 1678). Verder zou het ook verhelderend en verdiepend zijn in te gaan op de verhouding Geest-verbond. De puritein heeft geen afzonderlijke aandacht gegeven aan het thema opwekking, waarin hij geen uitzondering is geweest in vergelijking met zijn tijdgenoten. Toch zouden ruim vijftig jaar later opwekkingen in Engeland en de Verenigde Staten plaatsvinden, waarbij George Whitefield en Jonathan Edwards namen van betekenis zouden zijn. Meer dan de bekender geworden John Wesley sloten zij in hun denken en preken aan bij de theologie en spiritualiteit van puriteinen als Owen. In hun nadruk op het werk van de Heilige Geest als het geheim van elke herleving benadrukten ze voluit de soevereine gang van God. Dat maakte hen echter niet lijdelijk. Het dreef hen aan tot het gebed of deze God de 'hemelen wilde scheuren'. In elk berouwvol erkennen van zonde en hartelijke omhelzing van Christus zagen ze de Geest aan het werk. Hij kon echter ook velen tegelijk tot het ware licht brengen en zo de Kerk doen herleven met uitstraling naar de samenleving. De opwekkingen zijn doorgegaan. Aan het begin van deze eeuw is er in Wales nog sprake van geweest. Trouwens, zijn onder de prediking van C. H. Spurgeon in het Londen van de vorige eeuw en die van D. M. Lloyd-Jones een eeuw later, eveneens in Londen, geen sporen van opwekking te zien geweest?

John Owen heeft in zijn leer van de Heilige Geest temidden van tijdgenoten nadruk gelegd op het soevereine werk van God. Ten diepste zag hij daarin de geheime verwerkelijking van de verkiezing en wist zich met dat accent te staan in de lijn van Augustinus en Calvijn. Daarbij werd alles wel heilsordelijker opgebouwd en riepen vooral zijn behandeling van het voorbereidende werk van de Geest en de nadruk op het geestelijke levensbeginsel bepaalde vragen op.

Er is tenslotte wel een gesuggereerd dat dit accent op Gods werk belemmerend is geweest voor de krachtige evangelieverkondiging. En inderdaad, men is door een benadrukken van bepaalde noties ook in het Hyper-Calvinisme terechtgekomen met alle gevolgen van dien. Tegelijk heeft, zoals gezegd, een te onbekende stroming van de 18e eeuwse opwekkingen teruggegrepen op wezenlijke gedachten over het werk van de Geest uit het Puritanisme en daarmee een krachtige en zegenrijke prediking gebracht. Zou niet elk besef van en gebed om herleving beginnen bij de erkenning van de soevereine kracht van de Heilige Geest en onze afhankelijkheid daarvan? Het is de Geest Die beweging brengt in het dal van dood en dorheid, tot Christus leidt en uit hem doet leven. En wat voor één werkelijkheid wordt, is dan ook voor velen mogelijk...!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

J. Owen over de Heilige Geest (6, siot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's