De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Over kerkelijke meelévendheid geschreven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over kerkelijke meelévendheid geschreven

Deelname-statistiek van de Nederlandse Hervormde Kerk (1994/1995)

8 minuten leestijd

Twee mensen raakten met elkaar in gesprek. De één zei tegen de ander hard te hebben gewerkt in het kerkelijke leven, en begreep het maar niet, dat de kinderen er niet meer aan deden. De ander, niet zo prat gaand op kerkelijke activiteit, en verwonderd over de zegen van de opvoeding, waagde het niet in antwoord daarop niet te zeggen, dat de kinderen allemaal kerkelijk meeleefden; twee maal per zondag naar de kerk zelfs. Zo'n opmerking zou immers al te gemakkelijk als triomfantelijk of parmantig kunnen worden uitgelegd. 'Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? ' (1 Kor. 4 : 7). De beste opvoeding is immers geen garantie voor kerkelijke meelevendheid van de kinderen. De praktijk leert wel anders. Maar men hoeft er zich toch óók weer niet voor te schamen wanneer er nog sprake is van kerkelijke meelevendheid bij de kinderen. De verantwoordelijkheid van de ouders bij de opvoeding wordt niet ten onrechte altijd onderstreept. Dan mag de zegen op de opvoeding toch ook kenbaar worden gemaakt?

Kerkelijk meeleven

Zo ligt het ook met kerkelijke meelevendheid. Mag dat een positieve factor zijn in het gesprek binnen de kerken? Niét als men daarmee elkaar wil overtroeven. Wèl als het erom gaat de zegen te benadrukken, die ligt opgesloten in een gemeentelijk leven, waar trouw aan de Schrift en aan de belijdenis van de kerk ook tot uitdrukking komt in trouw en meelevendheid van ouderen en jongeren, met name ook in de zondagse kerkgang. Het is toch niet om het even hoe het gemeentelijk leven wordt ingericht en op grond daarvan reilt en zeilt?

In ieder geval heeft de Hervormde Kerk er geen geheim van willen maken hoe het met de kerkelijke meelevendheid en betrokkenheid in het geheel van de kerk is gesteld, en dan ook (voor het eerst!) onderscheiden naar modaliteiten. In een 'Deelname-statistiek van de Nederlandse Hervormde Kerk' over de jaren 1994 /1995, staat te lezen, dat de deelname aan catechese, jeugdwerk en eredienst 'procentueel het sterkst is in gemeenten die zich rekenen tot de gereformeerde bond en het zwakst in gemeenten, die zich vrijzinnig noemen. Daartussen zitten respectievelijk de gemeenten, die zich confessioneel of midden-orthodox noemen'.

Cijfers

Hier volgt een greep uit het vele cijfermateriaal in het genoemde rapport. Het rapport maakt onderscheid tussen 'NH-antwoorden' en 'SoW-antwoorden', al naar gelang de ondervraagde gemeenten met SoW te maken hadden of niet.

Allereerst volgen hier enige cijfers met betrekking tot het loutere hervormde gemeentelijke leven.

Op zondagmorgen bezochten in 1995 op een telzondag 351.600 hervormden de kerkdienst, op zondagmiddag 154.900 (op Paasmorgen 488.200).

In Gelderland kerkten 's zondagsmorgens gemiddeld 55.202 mensen (273 per gemeentelijke eenheid), in Zuid Holland 72.266 (281 per eenheid), In Overijssel 15.258 (111 per eenheid), in Friesland 13.748 (119 per eenheid), in Groningen-Drenthe 15.258 (111 per eenheid).

Het percentage kerkgangers in G. B. gemeenten was 's morgens ongeveer 28 procent en 's middags 21 procent, in middenorthodoxe gemeenten respectievelijk 11 procent en 5 procent.

Zuid Holland en Overijssel hadden per (wijk)gemeente het hoogste gemiddelde aan catechisanten (62 en 65), Noord Holland kwam hier het laagst uit (19). Het percentage 'gewone catechisanten' was in G.B.gemeenten 5.8, in midden-orthodoxe gemeenten 1.7.

Het rapport trekt uit dit alles de volgende conclusie: 'Het beeld... is steeds hetzelfde. Waar het gaat om deelname aan catechisatie, jeugdwerk en kerkdiensten liggen de percentages voor "gereformeerde bond" steeds verreweg het hoogst'.

SoW

Opvallend is verder, dat de cijfers van meelevendheid (catechese, kerkgang, jeugdwerk) in kerkelijke gemeenten, 'die uitsluitend SoW antwoorden gegeven hebben', lager liggen dan die voor gemeenten met 'NH-antwoorden'. De gemiddelde hervormde gemeente, gemiddeld dus ook dwars door de modaliteiten heen, vertoont een meelevender beeld dan dè gemiddelde SoWgemeente. Het gemiddelde aantal kerkgangers in gemeenten met uitsluitend 'NH-antwoorden' ligt op 216 's morgens en 200 's middags, tegenover 190 en 59 in 'SoW-eenheden'.

Uit de hiernaast afgedrukte tabellen blijkt overigens, dat uit gereformeerde-bondsgemeenten of gereformeerde bonds/confessionele gemeenten geen 'SoW-antwoorden' kwamen, terwijl uit midden-orthodoxe gemeenten verreweg het grootste percentage 'SoW-antwoorden' kwam. Als dus ergens duidelijk wordt, dat SoW, wat de Hervormde Kerk betreft, vooral een midden-orthodoxe aangelegenheid is, dan wel in deze statistiek. Ik citeer dan ook letterlijk uit het rapport de conclusie over de 'SoW-antwoorden': 'Het merendeel van de kerkelijke eenheden (62, 1%) rekent zich tot de midden-orthodoxe richting. Tot de confessionele richting rekent zich 8%... "Gereformeerde Bond" komt in deze kolommen niet voor'.

Kwalitatief

Wat moeten we nu met al dit cijfermateriaal?

In de kerk mag als gezegd nimmer de macht van het getal heersen. De kerk is geen democratie maar een gemeenschap, waar Christus regeert. Als zodanig gaat het niet allereerst om kwantitatieve gegevens maar om kwalitatieve. Meelevendheid mèt en betrokkenheid op de gemeente komen bovendien ook tot uitdrukking in de andere zaken, die in het rapport worden genoemd, zoals de inzet voor gemeenteopbouw, vorming en toerusting, clubwerk en bijbelkringwerk, alsook in de ambtelijke dienst van ouderlingen en diakenen.

De kwalitatieve gegevens zijn intussen niet meetbaar. De geestelijke stand van de gemeente is niet in cijfers uit te drukken. Als zodanig zou men zich mogen afvragen of wèl de cijfers in het rapport omtrent deelname aan het heilig avondmaal een voor de geestelijke welstand aanwijzing kunnen zijn. In de Hervormde Kerk is dat overigens zeer betrekkelijk, omdat in geen enkele hervormde gemeente het kerkelijk meeleven honderd procent is en derhalve verschillen in het percentage avondmaalgangers, wat de verschillende modaliteiten betreft, heel betrekkelijk zijn. Die percentages zijn namelijk ook afhankelijk van de kerkelijke meelevendheid op zich.

In de zestiger jaren verscheen een studie van wijlen drs. D. Broeren, laatstelijk predikant te Hattem, waaruit bleek, dat in geen enkele hervormde gemeente het percentage avondmaalgangers hoger dan tien was. In de nu voorliggende statistiek wordt een percentage van 8, 4 procent genoemd, ongeveer honderd deelnemers aan het avondmaal per kerkelijke eenheid. In Gelderland, Zuid Holland en Brabant/ Limburg is het percentage het laagst (9, 4, 8, 8 en 7, 7 procent), in Friesland het hoogst (16, 9 procent). Maar nogmaals, deze cijfers zeggen weinig als men er ook niet bij betrekt de kerkgang op zondag. Intussen speelt ook de visie op het avondmaal een belangrijke rol. In vele gemeenten is avondmaalsgang voor de héle (kerkgaande) gemeente vanzelfsprekend. Terwijl in andere meelevende gemeenten de overtuiging geldt, dat het niet alles Israël is wat Israël heet, zodat het ook gaat om de prediking van de bekering binnen de gemeente, met alle consequenties vandien voor de avondmaalsgang.

Onthullend

Het mag intussen duidelijk zijn, dat de nu gepubliceerde hervormde statistiek toch onthullende cijfers geeft. Als het gaat om meelevendheid (in kerkgang, in de catechese en het jeugdwerk) kan men gevoegelijk stellen, dat uit dit onderzoek blijkt, dat de hervormd gereformeerde/confessionele sector aanmerkelijk meer dan vijftig procent van de kerkgaande of meelevende gemeente in de Hervormde Kerk uitmaakt. SoW is in gereformeerde-bonds gemeenten en grosso modo in confessionele gemeenten afwezig.

SoW-gemeenten tonen bovendien een relatief geringe kerkelijke betrokkenheid als het gaat om de kerkgang. Blijkt hieruit niet, dat SoW in veel gemeenten een nood-oplossing is?

Niet zodra echter zijn we landelijk, kerkelijk bezig in de worsteling aangaande SoW, of kennelijk gelden heel andere criteria. Kerkelijke meelevendheid telt dan niet mee. De kerk is er immers, zo redeneert men soms, ook buiten de kerk. En de kerk is toch ook maatschappij-betrokken! 'Het zit 'm niet in de kerkgang.' Uit de cijfers blijkt zo echter, dat een betrekkelijk klein percentage van de Hervormde Kerk het SoW-proces domineert. Het feit, dat SoW een midden-orthodoxe aangelegenheid is in de gemeenten, roept bovendien de vraag op naar het confessioneel gehalte van SoW. Is het vreemd als we op grond hiervan zeggen dat de Gereformeerde Kerken een kerk van midden-orthodox type zijn geworden?

Men kan, zo zou ik willen stellen, gegeven deze statistiek, alleen door gaan met SoW wanneer men andere categorieën voor kerkelijke betrokkenheid aanwendt dan kerkgang (betrokkenheid op de prediking), jeugdwerk en catechese.

Afsluiting

Ik sluit echter af met datgene, waarmee ik begon. De graad van meelevendheid in kerk en gemeente mag niet worden opgevoerd om 'de ander' te overtroeven. Wèl mag de vraag worden gesteld waarom de ene sector van de kerk meer gezegend is met kerkelijke meelevendheid dan de andere. Het zal waar zijn, dat kerkelijk meeleven niet noodzakelijkerwijs betekent, dat er ook sprake is van geestelijke hoogconjunctuur. Maar het is anderzijds niet minder waar, dat, waar het meeleven onder de zondagse eredienst ontbreekt of gaat tanen en de kerk zo haar zondagse functie verliest, de prediking de éérste oorzaak is. Gaat het nog om 'zonde en genade'?

Als zodanig kan men verheugd zijn over het feit, dat er nog vele gemeenten zijn, waar de prediking van zonde en genade nog functioneert en dat ook merkbaar is in de meelevendheid van de gemeente.

De kerk had dit rapport niet behoeven te publiceren om te doen weten, dat meelevendheid niet los staat vari de modaliteit en dus de inhoud van de prediking. Het staat nu echter allemaal een keer zwart op wit. Dat is dan ook de reden, waarom we er aandacht aan schonken. Waar deze cijfers tot zelfgenoegzaamheid zouden leiden, zou de 'deelname-statistiek' er binnen niet al te lange tijd ook anders uit kunnen zien. Maar de kerk als geheel mag de vraag onder ogen zien waar de oorzaak van haar ziekte of malaise ligt.

In de ontwikkelingsgang van SoW mag dit rapport ontdekkend heten. De kerk is geen democratie maar een christocratie zo wordt vóór en na terecht gesteld. Maar kan men besluiten van de meerderheid in de Kerk, met een relatief zwakke meelevendheid, zo maar gelijkstellen met christocratie? Daar begint het in de kerk wel op te lijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1996

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Over kerkelijke meelévendheid geschreven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1996

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's