De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerkelijke tucht, kan dat nog? (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkelijke tucht, kan dat nog? (1)

8 minuten leestijd

Inleiding

In het najaar van 1995 hebben we ons in Bameveld op een wijkavond bezonnen op de kerkelijke tucht en in samenhang daarmee tijdens een aantal contactavonden op de onderlinge vermaning in de gemeente; één en ander mede als uitvloeisel van het studieverlof van ondergetekende. In het kader van het schrijven van ons hoofdbestuur aan de kerkeraden over dit onderwerp volgt hier een bewerking van een inleiding van mijn hand.

De kerkelijke tucht is een uitvloeisel van het koninklijk ambt van Christus. Christus is immers de Koning van Zijn kerk. Hij regeert haar. Hij doet dat vanuit de hemel door zijn Zijn Woord en Geest, maar ook door bepaalde middelen. Door aardse bestuurders, die Hij als Zijn dienaren aanstelt. Deze tucht wordt in de belijdenis van onze kerk duidelijk naar het Woord Gods beleden. Ik denk aan art. 29 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar de drie kentekenen van de ware kerk genoemd worden: de zuivere prediking van het Evangelie, de zuivere bediening van de sacramenten, en de handhaving van de kerkelijke tucht om de zonden te straffen. In art. 32 (over de orde en tucht der kerk) wordt gesproken over de excommunicatie of de ban, die naar het Woord van God in de kerk geëist wordt.

Misschien denkt iemand, dat met deze enkele opmerkingen de vraag van ons onderwerp al spoedig bevestigend beantwoord is. Maar dan wil ik toch ook even herinneren aan een opmerking van prof. Van Ruler. Hij besefte, dat de tucht een zeer gevaarlijk punt is en dat men aan hoogspanningsdraden raakt, - die dodelijk kunnen zijn. Hij zei: 'De kerk heeft in de ruim 19 eeuwen van haar geschiedenis er nog nooit dé oplossing voor gevonden'.

Om een wat helderder zicht te krijgen op de zaken, waar we het over hebben, luisteren we naar enkele omschrijvingen van wat kerkelijke tucht eigenlijk is.

Prof. Bouwman heeft de kerkelijke tucht omschreven als 'de handhaving van de heerschappij van Gods Woord in de kerk'. Bekend is de omschrijving van Calvijn in zijn Institutie. Hij acht de tucht nodig voor de orde in de kerk en zegt dan: 'Evenals de zaligmakende leer van Christus de ziel der kerk is, zo vormt de tucht in de kerk de zenuwen'. De tucht heeft, naar de gedachte van Calvijn, vooral een plaats rondom het Heilig Avondmaal, namelijk 'om diegenen terecht te wijzen die zich niet eerbiedig en gehoorzaam aan het Woord van God willen onderwerpen'.

Ook noem ik wat Wilhelmus a Brakel in zijn klassieke werk 'De redelijke godsdienst' over de tucht schrijft. Hij noemt haar de bedienende macht der kerk om de ergerlijke en goddeloze het Koninkrijk toe te sluiten, en weer te openen bij berouw en belofte en betoon van betering.

Hierbij moeten we ook iets zeggen over het doel van de kerkelijke tucht. Het doel is drieledig en kan als volgt omschreven worden: Het gaat om de eer van God, om het heil (de heiligheid) van de gemeente. en om het behoud van de zondaar. Ten overvloede zij gezegd, dat het bij de kerkelijke tucht gaat om een geestelijke macht en niet om een zwaardmacht. De kerk heeft niet de taak om een zondaar in de gevangenis te zetten, maar hem tot bekering te leiden, desnoods via de uitsluiting uit de gemeente.

Intussen moet elke gedachte aan perfectionisme opzij gezet worden. De volmaakte gemeente wordt immers op aarde niet bereikt. Daarom pleiten we ook niet voor rigorisme. Dan zou bovendien de kerk verworden tot een sekte.

Actualiteit in de Hervormde Kerk

In onze kerk is de laatste jaren de tucht meermalen onderwerp van bespreking geweest in de vergaderingen van de Generale Synode. Daarbij denken we met name aan de besprekingen in verband met de homoseksualiteit. Naar aanleiding van de vergadering van de synode in maart 1995 moet helaas worden gezegd, dat een principiële afmaning van het avondmaal van gemeenteleden met een homoseksuele leefwijze niet meer mogelijk is. Wat de Schrift verbiedt, wordt door de kerk principieel goedgekeurd. Eind vorig jaar heeft een uitspraak van de Generale Commissie helaas de verklaring van de synode bevestigd. Het is nu mogelijk dat een kerkeraad zelf in een eventueel geval tuchtmaatregelen krijgt opgelegd.

Dit is nog niet alles. In dezelfde maartvergadering 1995 van onze synode is gesproken over een rapport, getiteld 'Afhouding van het Avondmaal als middel van kerkelijke tucht'. Daarin komt als mening van de commissie, die dit rapport opstelde, de volgende passage voor: 'Natuurlijk de kerkeraad (of het consistorie) is geroepen tucht te oefenen. Maar binnen een kerkverband is afsnijding (en dus ook de voorgaande stap van afhouding) alleen mogelijk wanneer een leer of levenswijze in de breedte van de kerk onaanvaardbaar wordt geacht. Wanneer de kerk in haar geheel, bij monde van de generale synode, een bepaalde leer of leefwijze niet wil of kan afwijzen, kan een kerkeraad of consistorie niet overgaan tot maatregelen van tucht vanwege die leer of leefwijze, zonder misbruikt te maken van zijn bevoegdheid. En ook als de synode zich niet heeft uitgesproken, maar een zaak in de kerk in discussie is, geldt: In dubiis abstine!' (= bij twijfel ervan afblijven).

Mijn commentaar bij deze passage is, dat de commissie hier in praktische zin wel gelijk heeft: in zo'n verdeelde kerk is tucht niet mogelijk. Intussen wordt hier de nood, ja de onmondigheid vari onze kerk, wel op een heel schrijnende wijze zichtbaar. Temeer, daar de synode in meerderheid thans verbiedt om tucht uit te oefenen over gemeenteleden met een homoseksuele levensstijl, terwijl de Heilige Schrift zich zo duidelijk hiertegen uitspreekt. De onmondige kerk praat haar mond voorbij. Laten wij intussen niet denken, dat het de laatste jaren voor het eerst is, dat er in onze synode over de kerkelijke tucht 'is gesproken. Ik noem u slechts de besprekingen, die er geweest zijn ter voorbereiding van de totstandkoming van onze huidige kerkorde van 1951.

In oktober 1949 kruisten o.a. prof. Smelik en prof. Van Ruler de degens met elkaar. Prof. Smelik meende, dat de uitsluiting uit de gemeenschap der Kerk als laatste tuchtmiddel moest worden geschrapt. Prof. Van Ruler daarentegen meende, dat we niet aan de klem van de Schriftwoorden kunnen ontkomen, waar onmiskenbaar aan de Gemeente Gods de sleutelen van het hemelrijk worden toevertrouwd. 'De uiterste consequentie, dat de Kerk dicht bij de rechterstoel van Christus komt en doet wat alleen God met Zijn Woord kan doen, moet worden aanvaard.' De Kerk oordeelt mèt God.

In onze huidige kerkorde (die van 1951) is dan ook in art. XX te lezen: 'Het opzicht over belijdenis en wandel van leden en ambtsdragers wordt gehouden door broederlijke samenspreking en herderlijk vermaan', lid 7, en: 'Indien nodig, gaat de Kerk over tot toepassing van de daartoe gegeven bijzondere middelen ter handhaving van de kerkelijke tucht', lid 8.

In de ordinanties worden de middelen ter handhaving van de kerkelijke tucht nader uitgewerkt. Daarbij wordt de 'uitsluiting uit de gemeenschap der Kerk' ook als mogelijkheid genoemd (ord. 11, artikel 6). .

In de oude kerk en de middeleeuwen

Het is altijd nuttig om over een bepaalde zaak eens na te zien, hoe men daar in het verleden in de kerk over heeft nagedacht en daarin heeft gehandeld. Wij zijn per slot van rekening in 1996 niet de eersten die over de zaken nadenken. Vandaar nu een blik in het verleden, hoewel we ons natuurlijk dienen te beperken.

Reeds in de Didachè, een oud geschrift, wordt tot boete opgeroepen. Wie in twist leeft met zijn aaaste, mag niet aan het brood deelnemen. Het geschrift 'Pastor van Hermas' maant eveneens tot boete. Wie zich van echtbreuk bekeert, moet weer aangenomen worden. Van de kerkelijke procedure als zodanig is weinig bekend.

De Montanisten strijden voor een geestelijke kerk. Zij menen, dat men wegens grote zonden (afgoderij, moord, ontucht) voor altijd buitengesloten moet worden. De Kerk is echter milder en handhaaft (in de lijn van 'Hermas') de wederopname van de berouwvolle afvalligen. Behalve de Montanisten waren er andere sektarische groepen als de Novatianen en de Donatisten.

In de 4e eeuw ontstaat de staatskerk (onder de eerste christenkeizer Constantijn de Grote). De overheid erkent de kerkelijke zonden als misdaden, en de kerk roept de overheid in bij verzet tegen de ban.

Langzamerhand ontwikkelt zich een compleet boetestelsel. Paus Leo de Grote ziet de voorbede van de priesters als onmisbaar voor de berouwvolle zondaar om vergeving te ontvangen. De kerk krijgt steeds meer betekenis als heilsinstituut.

De uitbreiding van de kerk bemoeilijkt de kerkelijke tucht. De kerk neemt hele volken op, die niet onder de macht van het Woord gekomen zijn. Daarmee verandert de tucht van karakter. Zij bedoelt niet meer een zondaar te beteren en de kerk heilig te houden, maar mensen te dwingen tot gehoorzaamheid aan de kerkelijke geboden en hiërarchie. De tucht wordt veruitwendigd. Dat blijkt ook uit het feit, dat de geldboete de plaats van de openlijke boetedoening gaat innemen. Hier is ook het aflaatstelsel te noemen.

Het scherpst is wel het interdict. Dit houdt in, dat in een hele landstreek alle kerkelijk leven wordt stilgelegd. Vooral in de 11e eeuw wordt dit gevonden met als doel de landvorsten aan de kerkelijke hiërarchie te onderwerpen. Schandelijk zijn de kettergerichten en de brandstapel van de inquisitie. Na en door toedoen van de grote roomse theoloog Thomas van Aquino komt meer en meer de gedachte in zwang, dat de priester werkelijk de beleden zonde vergeeft. Het sacrament van de boete/biecht komt tot ontwikkeling. Hierin duldt de kerk ook geen inmenging van de overheid. De staat wordt meer en meer aan de kerk onderworpen.

De volgende keer nog iets meer uit de kerkgeschiedenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1996

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Kerkelijke tucht, kan dat nog? (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1996

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's