Kerknieuws
BEHEERSREGELING NHK
De generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk heeft in maart 1991 — d.m.v. een wijziging van de desbetreffende kerkordelijke bepalingen — een nieuwe beheersregeling vastgesteld, waarin de eenheid van beleid t.a.v. bestuur en beheer als uitgangspunt is genomen. Deze wijziging had tot doel te bewerkstelligen dat er in de kerk op plaatselijk niveau in plaats van drie verschillende vormen van beheer (nl. gemeenten onder oud toezicht, gemeenten met vrij beheer en gemeenten die hun beheer hebben aangepast aan de kerkorde) nog maar één beheersvorm zou zijn.
Bij de totstandkoming van de wijziging is tevens bepaald dat de nieuwe regeling na een overgangsperiode van vier jaar, op 1 januari 1996, zal gelden voor alle gemeenten.
73 gemeenten hebben deze kerkordewijziging aangevochten bij de burgerlijke rechter. Op 29 november jl. heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage de vordering, dat de kerkordewijziging ongeldig zou zijn, afgewezen.
De kerkordewijziging is door de burgerlijke rechter dus niet vernietigd of op andere wijze t.a.v. de desbetreffende gemeenten ongeldig verklaard.
Bij het naderen van de datum van 1 januari 1996 heeft het moderamen van de generale synode de gemeenten die nog niet volgens de nieuwe beheersregeling handelden, erop gewezen dat de kerkordewijziging tot gevolg had dat in een gemeente, waarin op 1 januari 1996 nog geen college van kerkvoogden naar de nieuwe regeling zou zijn gevormd, vanaf die datum geen college meer is, dat bevoegd is om namens de gemeente rechtshandelingen te verrichten en om de overige taken van het college van kerkvoogden te verrichten.
Het moderamen heeft daarbij aangegeven hoe zij aan de kerkorde wijziging zouden kunnen voldoen, als zij niet al voor 1 januari 1996 hun reglement hadden aangepast. Tevens heeft het moderamen gewezen op de risico's, die de betrokken gemeenten na 1 januari 1996 zowel in het kerkelijk als in het rechtsverkeer lopen, waarbij er voorts voor gewaarschuwd is dat kerkvoogden die onbevoegd optreden persoonlijk aansprakelijk gesteld kunnen worden.
Door sommigen is dit opgevat als het uitoefenen van een ongeoorloofd drukmiddel. Dat is niet juist. Het moderamen zou zijn plicht verzaakt hebben als het niet gewezen zou hebben op de risico's van de desbetreffende gemeenten.
Het zou, volgens het moderamen, zowel voor de gemeenten van de kerk als voor de Kerk zelf geen goede zaak zijn als twijfel kan ontstaan over de betrouwbaarheid (de 'rechtsgeldigheid') van het optreden van hervormde gemeenten in het rechtsverkeer.
In de brief is ook gewezen op de uitweg, waarin de kerkorde voorziet, nl. voor het probleem van de onbevoegdheid van de desbetreffende colleges van kerkvoogden: de aanwijzing van provinciale 'gedelegeerden', die samen met de zittende kerkvoogden als bevoegd college van kerkvoogden fungeren.
Een aantal gemeenten heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het instellen van hoger beroep heeft, anders dan wel is verondersteld, geen 'schorsende werking' in deze situatie. Een verbindende regeling wordt niet ongeldig, ook niet tijdelijk, doordat deze voor de rechter wordt aangevochten.
Dit betekent dat de kerkordewijziging ook voor die gemeenten, die hoger beroep hebben ingesteld, met ingang van 1 januari 1996 inwerking is getreden; ook deze gemeenten hebben vanaf die datum geen bevoegd college meer. Daarvoor heeft het moderamen gewaarschuwd.
Een 'gedogen' van de bestaande situatie totdat in hoger beroep vonnis is gewezen, lost het probleem dat de betreffende colleges na 1 januari 1996 niet meer bevoegd zijn om namens de gemeente op te treden, niet op; daarvoor is nu juist de kerkordelijke voorziening van de 'gedelegeerd-kerkvoogden' getroffen.
Het is, volgens het moderamen, dan ook niet mogelijk — óók niet voor de betreffende gemeenten zelf — de bestaande situatie te gedogen, nog afgezien van de omstandigheid dat dit — impliciet — opgevat zou kunnen worden als een erkenning van een bevoegdheid, die de betreffende kerkvoogden kerkordelijk niet hebben. Aan de gemeenten die — naar het moderamen vernomen had — het voornemen hadden vermogensbestanddelen van de hervormde gemeente over te dragen aan een stichting, is bericht dat daartegen ernstige bezwaren bestaan: het vervreemden van vermogensbestanddelen van de hervormde gemeente aan een stichting, het onttrekken van eigendom aan (de zeggenschap van de daartoe aangewezen organen van) de hervormde gemeente heeft grote — nadelige — gevolgen voor het functioneren van de betreffende gemeente.
Het ligt op de weg van het moderamen om al het mogelijke te doen om deze gemeenten te waarschuwen voor de risico's die in dezen gelopen worden. Om die reden heeft het moderamen de desbetreffende gemeenten geschreven, juist om te voorkomen dat het voortbestaan van (bloeiende) gemeenten wordt bedreigd.
Het moderamen is bereid een gesprek te voeren met de ondertekenaars van de open brief (of een delegatie daarvan) over het door de kerk in dezen gevoerde beleid.
Leidschendam, 6 februari 1996
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's